Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9178

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
01-08-2008
Zaaknummer
105.010.995/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overeenkomst aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven?. Comparitie ter verkrijging van inzicht in behoefte en financiën.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 14 mei 2008

Rekestnummer : 419-M-07

Rekestnr. rechtbank : 46746

ReIsnummer : 105.010.995/01

[verzoekster],

wonende te [adres],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.J.W. Alt,

tegen

[verweerder],

wonende te [adres],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W. Heemskerk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 26 maart 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 27 december 2006.

De man heeft op 16 mei 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 29 maart 2007, 7 maart 2008 en 10 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 19 maart 2008 is de zaak, tezamen met de zaak bekend onder rekestnummer 674-M-07, mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. F.F.A.J.M. Haerkens-Wouters en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. R.M.A. Lensen. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van 27 december 2006. Bij die beschikking is onder meer het verzoek van de vrouw tot wijziging van de kinder- en partneralimentatie zoals vastgesteld in de tussen partijen gesloten vaststellingsovereenkomst van 24 december 2002 afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de partner- en kinderalimentatie, ten behoeve van de thans nog minderjarige kinderen,

[minderjarige], geboren op [datum] 1993,

[minderjarige], geboren op [datum] 1994,

[minderjarige], geboren op [datum] 1997.

2. De vrouw verzoekt de tussen partijen op 24 december 2002 gesloten vaststellingsovereenkomst, voor wat betreft de daarin overeengekomen kinder- en partner- alimentatie, in die zin te wijzigen dat de man met ingang van februari 2003 een bijdrage van € 750,- verschuldigd is in het levensonderhoud van de vrouw en een bedrag van € 500,- per kind per maand terzake van de kinderalimentatie, althans de overeengekomen partner- en kinderalimentatie zodanig te verhogen als het hof juist acht, en de bestreden beschikking in zoverre te vernietigen.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de vrouw, uitvoerbaar bij voorraad, niet ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken in hoger beroep, althans deze aan haar te ontzeggen als zijnde ongegrond en/of onbewezen, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding in hoger beroep.

4. De vrouw heeft in haar beroepschrift twee grieven geformuleerd. In haar eerste grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de primaire stelling van de vrouw – dat er sprake is van dwaling – bij gebrek aan bewijs geen doel treft (paragraaf 4.2). Het is wel degelijk zo dat de vaststellingsovereenkomst voor wat betreft de artikelen 3.3. en 3.4 onder invloed van dwaling tot stand is gekomen en bij een juiste voorstelling van zaken niet zou zijn gesloten. In haar tweede grief voert de vrouw aan dat de rechtbank, in het kader van de subsidiaire stelling van de vrouw, ten onrechte heeft geoordeeld dat partijen bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst bewust zijn afgeweken van de wettelijke maatstaven en dat (van) een ingrijpende wijziging niet is gesteld noch gebleken (paragraaf 4.3, blad 6, alinea 4 en blad 7 eerste alinea).

5. De man bestrijdt de grieven van de vrouw en doet met betrekking tot de door hem geponeerde stellingen een bewijsaanbod, door alle middelen rechtens, in het bijzonder ook door het bijbrengen van nader schriftelijk bewijs en door het horen van een aantal door hem genoemde getuigen.

6. Omtrent de wijze van totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst heeft de vrouw in haar beroepschrift vermeld dat, toen partijen eind 2002 besloten uit elkaar te gaan, de man contact heeft opgenomen met een bemiddelaar. Dit eerste contact met de bemiddelaar is alleen met de man geweest. Inmiddels had de man met zijn accountant een stuk opgesteld met als titel: “convenant opgesteld door [verzoeker] en [verweerster]”, van 11 december 2002. Bij het opstellen van dit stuk is de vrouw evenwel niet betrokken geweest. Vervolgens is er een gezamenlijke afspraak gemaakt bij de bemiddelaar, welk eerste bezoek voor de vrouw, door de opstelling van de man, zeer beladen was. Door de mediator zijn geen inhoudelijke gesprekken gevoerd, geen verslagen gemaakt van de gesprekken, en is niet nader geïnformeerd naar financiële bescheiden op grond waarvan de in het stuk genoemde bedragen tot stand zijn gekomen. Evenmin zijn alimentatieberekeningen gemaakt. Er is immers, volgens de mediator, overeenstemming. De mediator wist dat de man het desbetreffende stuk, dat als uitgangspunt had te dienen voor de door hem, mediator, op te stellen vaststellingsovereenkomst, heeft opgesteld. Dit heeft evenwel geen aanleiding voor hem gegeven om door te vragen. Op een aantal vragen van de vrouw over de regeling is geen antwoord gekomen, noch van de man, noch van de bemiddelaar. Op 20 december 2003 hebben partijen de conceptovereenkomst van de mediator ontvangen en slechts vier dagen later is de overeenkomst door partijen getekend. De man heeft daarbij, aldus de vrouw, aangegeven dat alles snel moest gebeuren, en dat de vrouw snel moest tekenen, omdat zij anders met niets achter zou blijven. De vrouw heeft de overeenkomst getekend, in de gedachte dat de door de man vastgestelde onderhoudsbijdragen in overeenstemming met de wettelijke normen waren. Van een bewuste afwijking van de wettelijke maatstaven is dan ook geen sprake, nu de vrouw helemaal niet op de hoogte was van de wettelijke maatstaven. Noch de man noch de mediator hadden haar op enige manier geïnformeerd. Het feit dat de mediator nauwelijks iets inbracht, vormde voor de vrouw een bevestiging van haar idee dat het een juridisch passende alimentatieregeling betrof. Pas later is de vrouw duidelijk geworden dat haar vertrouwen in de man en de mediator ernstig is beschaamd. Gezien de financiële situatie op het moment van uiteengaan van partijen is duidelijk dat de overeenkomst evident (onbewust) door haar is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

7. De man heeft zich verweerd en gesteld dat – kort samengevat – in een naar omstandigheden beschouwd rustig kader, inhoudelijk is gesproken met de mediator, die partijen op basis daarvan het in eerste aanleg overgelegde concept voor een vaststellingsovereenkomst heeft toegezonden Dit concept is vervolgens tussen en met partijen besproken. Vervolgens is het, met een praktische aanpassing, gekomen tot de op 24 december 2002 door partijen en de mediator getekende vaststellingsovereenkomst.

8. Ter terechtzitting heeft de vrouw herhaald dat de vaststellingsovereenkomst in slechts zes dagen tijd geregeld was, en haar niet veel tijd was gegund voor overleg. Verder heeft zij uitdrukkelijk herhaald dat er bij de mediation geen financiële stukken ter tafel zijn gekomen noch alimentatieberekeningen zijn gemaakt, hetgeen de man ter zitting desgevraagd heeft bevestigd. Wat er ook zij van de gestelde dwaling, het hof is, in het licht van het bovenstaande, en op basis van de stukken en het overige besprokene, voorshands van oordeel dat de vaststellingsovereenkomst door de vrouw is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

9. Het hof is van oordeel dat het, om een juist inzicht te kunnen verkrijgen in de behoefte van de vrouw aan alimentatie en de draagkracht van de man tot het betalen van alimentatie, noodzakelijk is dat partijen onder leiding van een hierna te benoemen raadsheer-commissaris hun financiële omstandigheden inzichtelijk maken. Het hof acht het in het belang van beide partijen en hun kinderen om tot een verantwoorde financiële afwikkeling te komen alsmede tot een vaststelling van een voor beide partijen verantwoorde en acceptabele alimentatie, die recht doet aan de wettelijke maatstaven.

10. De raadsheer-commissaris zal tevens onderzoeken of partijen overeenstemming kunnen bereiken over de tussen hen bestaande geschilpunten.

11. Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 28 juni 2008 pro forma, teneinde partijen in de gelegenheid te stellen nadere recente financiële stukken over te leggen, in het licht van het hiervoor overwogene.

12. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

alvorens verder te beslissen:

houdt de behandeling aan tot 28 juni 2008 pro forma, ter fine als vermeld onder de rechtsoverwegingen 9, 10 en 11;

draagt partijen op zo spoedig mogelijk, doch in elk geval tijdig vóór 28 juni 2008 op overzichtelijke wijze de stukken in het geding te brengen die inzicht geven in:

- het inkomensverloop;

- het lastenverloop;

- het vermogensverloop;

- het schuldenverloop

van ieder van partijen over de periode vanaf februari 2003 tot en met heden, voorzien van de nodige staving, zoals aangifte(n) Inkomstenbelasting en (definitieve) aanslagen;

vezoekt de partijen hun verhinderdata aan het hof te verstrekken voor de maanden juli en september 2008;

benoemt tot raadsheer-commissaris: mr. C.A.R.M. van Leuven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Van Leuven en Van der Zanden, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2008.