Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9029

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-06-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
105.012.782/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing van het kind niet langer noodzakelijk in het belang van zijn opvoeding en verzorging. De relatie van de moeder met haar vorige partner werd gekenmerkt door fysieke en psychische mishandeling van de moeder. Onder die omstandigheden heeft de moeder de veiligheid van haar twee dochtertjes niet voldoende kunnen waarborgen en is het kind kort na de geboorte uit huis geplaatst. De onveilige situatie bij de moeder thuis bestaat naar het oordeel van het hof thans niet meer. Het hof acht de ouders in staat een voldoende veilige omgeving voor het kind te creeren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 juni 2008

Zaaknummer : 105.012.782-01

Rekestnummer : 353-R-08

Rekestnr. rechtbank : 294291/07-2045

1. [appellant1],

hierna te noemen: de moeder,

en

2. [appellant2],

hierna te noemen: de vader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,

procureur mr. J. de Koning,

tegen

de raad voor de kinderbescherming,

Regio Haaglanden en Zuid-Holland Noord,

locatie ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Stichting Bureau Jeugdzorg Zuid-Holland,

kantoorhoudende te Gouda,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als degenen wier verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van betekenis kan zijn, zijn aangemerkt:

de pleegouders,

wonende te [woonplaats].

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 4 maart 2008 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 4 december 2007 van de kinderrechter in de rechtbank ‘s-Gravenhage.

Jeugdzorg heeft op 18 april 2008 een verweerschrift ingediend.

De raad heeft op 22 april 2008 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de ouders zijn bij het hof op 23 april 2008 en 20 mei 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 28 mei 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de ouders, bijgestaan door hun procureur. Namens de raad zijn verschenen: de heer [C] en mevrouw [V]. Namens Jeugdzorg zijn verschenen: de heer [B] en de heer [P]. De pleegouders zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de procureur van de ouders onder meer aan de hand van een bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de beschikkingen van 3 september 2007 en 11 september 2007 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage en de bestreden beschikking.

Bij de beschikking van 3 september 2007 is - uitvoerbaar bij voorraad - [het kind] van 3 september 2007 tot 12 september 2007 voorlopig onder toezicht van Jeugdzorg gesteld. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 3 september 2007 tot 12 september 2007. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden.

Bij de beschikking van 11 september 2007 is - uitvoerbaar bij voorraad - [het kind] van 12 september 2007 tot 12 december 2007 voorlopig onder toezicht van Jeugdzorg gesteld. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen van 12 september 2007 tot 12 december 2007. De raad is verzocht een onderzoek in te stellen naar de vraag of de uithuisplaatsing geboden is en daarover te rapporteren en adviseren. Voor het overige is de behandeling van de zaak aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is - uitvoerbaar bij voorraad - [het kind] van 12 december 2007 tot 3 september 2008 onder toezicht van Jeugdzorg gesteld. Voorts is Jeugdzorg gemachtigd [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen voor de periode van 12 december 2007 tot 3 september 2008, zulks ter effectuering van het indicatiebesluit van 28 november 2007.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige:

[het kind], geboren [in 2007] te [geboorteplaats]. De moeder heeft alleen het gezag over [het kind]. De vader heeft hem erkend. [het kind] verblijft in een voorziening voor pleegzorg.

2. De ouders verzoeken de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het betreft de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] en, in zoverre opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] te beëindigen.

3. De raad en Jeugdzorg bestrijden hun beroep.

4. De ouders stellen zich op het standpunt dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] ten onrechte is verleend. Zij voeren daartoe het volgende aan. De rechtbank veronderstelt, volgens de ouders, ten onrechte dat de persoonlijkheidsproblemen van de moeder de terugkeer van [het kind] in de weg staan. Uit het FORA-rapport van 23 november 2007 blijkt volgens hen dat de moeder zich na het eerste FORA-onderzoek positief heeft ontwikkeld. Terugplaatsing van [het kind] bij de ouders is blijkens dit rapport mogelijk, mits zij openstaan voor hulpverlening en zij adviezen zullen opvolgen. De ouders stellen dat de moeder wel degelijk inziet dat zij een veilige thuishaven voor [het kind] moet scheppen. Toen de moeder zwanger bleek van [het kind] is zij immers zelf naar het consultatiebureau gegaan, waar een veiligheidsplan is opgesteld. Ook heeft de moeder zelf contact gezocht met het centrum voor ambulante forensische psychiatrie ‘de Waag’ om haar eerdere behandeling voort te zetten. De ouders stellen dat een uithuisplaatsing “een inmenging is in het recht op gezinsleven volgens artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.” De belangen van het kind en die van de ouders dienen tegen elkaar te worden afgewogen. De uithuisplaatsing dient noodzakelijk te zijn, aldus de ouders. De rechtbank oordeelde dat nader onderzoek door de raad naar de uithuisplaatsing van [het kind] noodzakelijk was. Bij het onderzoek van de raad is volgens de ouders ten onrechte geen gebruik gemaakt van het FORA-onderzoek met betrekking tot [het kind]. Uit het rapport van 23 november 2007 van FORA blijkt, volgens de ouders, dat er mogelijkheden zijn om [het kind] thuis te plaatsen. Ten onrechte heeft ook de rechtbank dit rapport naast zich neergelegd, terwijl FORA een gespecialiseerde instantie is. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat haar persoonlijkheidsproblemen, zoals Jeugdzorg en de raad die stellen, zich niet meer voordoen. Zij heeft nu een stabiele relatie met de vader, van wie zij veel steun ondervindt. Bovendien kan zij haar moeder inschakelen bij de opvoeding van [het kind], indien dat nodig is. De vader maakt zich zorgen over het feit dat [het kind] veel huilt tijdens de begeleide bezoeken, sinds de frequentie van de bezoeken is verminderd. De ouders achten het in het belang van [het kind] dat hij bij hen wordt teruggeplaatst. Zij verzetten zich niet tegen de ondertoezichtstelling.

5. De raad acht het niet in het belang van [het kind] dat hij wordt teruggeplaatst bij de ouders en voert daartoe het volgende aan. De raad is met de rechtbank van mening dat de persoonlijkheidsproblemen van de moeder een terugplaatsing van [het kind] bij de ouders in de weg staan. De rapportage van 8 augustus 2005 van het Pieter Baan Centrum, alsmede de FORA-rapporten van 22 augustus 2007 en 23 november 2007 bevestigen volgens de raad dat sprake is van een moeder met een persoonlijkheidsproblematiek, die naar verwachting nadelige gevolgen voor [het kind] zal hebben bij terugplaatsing. De raad stelt dat de defensieve houding en het beperkte zelf- en probleeminzicht van de moeder het succesvol inzetten van hulpverlening moeilijk dan wel onmogelijk maken. In combinatie met het feit dat er bij de moeder mogelijk sprake is van een beperkte leerbaarheid, acht de raad hiermee bevestigd dat de persoonlijkheidsproblemen van de moeder terugkeer van [het kind] naar huis in de weg staan. Teneinde de door de kinderrechter genoemde veilige thuishaven te creëren, dient de moeder volgens de raad in therapie te gaan voor haar agressieregulatie en haar persoonlijkheidsproblemen. De raad is van mening dat de wijze waarop de moeder omgaat met de aangeboden hulpverlening meebrengt dat [het kind] niet kan terugkeren naar de thuissituatie. Door het gebrek aan een hulpvraag bij de moeder heeft zij geen daadwerkelijke motivatie voor het aanvaarden van hulpverlening. Volgens de raad wijst de houding van de moeder erop dat zij haar eigen rol en verantwoordelijkheid niet of onvoldoende inziet. Zij laat hiermee het beeld in stand dat zij onvoldoende inziet dat zij degene is die een veilige thuishaven voor [het kind] moet creëren. Inbreuk op het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven, stelt de raad, kan gerechtvaardigd zijn ter bescherming van de minderjarige die in zijn ontwikkeling wordt bedreigd of in gevaar is. De raad is van mening dat de ‘positieve’ resultaten van de ingezette hulpverlening afgewacht dienen te worden, alvorens aan terugplaatsing bij de ouders gedacht kan worden. Terugplaatsing van [het kind] bij de ouders wordt weliswaar mogelijk geacht, maar onder de voorwaarde dat de ouders bereid zijn de aangewezen hulpverlening daadwerkelijk te accepteren en de adviezen op te volgen. Zolang het de vraag is of de moeder van de aangeboden hulpverlening kan profiteren, is het volgens de raad in het belang van de opvoeding en veiligheid van [het kind] noodzakelijk dat hij uit huis geplaatst blijft. De raad merkt nog op dat tijdens het onderzoek van de raad geen gebruik is gemaakt van de FORA-rapportage van 23 november 2007 omdat de ouders daarvoor geen toestemming hebben gegeven.

6. Jeugdzorg acht de uithuisplaatsing van [het kind] noodzakelijk in het belang van zijn opvoeding en verzorging. Zij voert daartoe het volgende aan. Zolang de moeder nog niet uitbehandeld is, blijft volgens Jeugdzorg de kans op mishandeling van [het kind] door de moeder aanwezig. Herhaling van het geweld door de moeder is volgens Jeugdzorg met name reëel, omdat [het kind] nog erg jong en afhankelijk van de moeder is. Volgens Jeugdzorg is het voor de moeder door haar persoonlijkheidsproblemen moeilijk om problemen te signaleren, passende hulp te vinden en te accepteren. Jeugdzorg betwijfelt of de moeder de hulp en adviezen tot zich kan nemen om daar haar voordeel mee kan doen. De moeder kan door haar complexe problemen en gebrekkig inzicht, volgens Jeugdzorg, de behoeften van [het kind] niet inschatten. Zij kan hierdoor niet op adequate wijze zorgdragen voor een positief opvoedingsklimaat en een voldoende veilige omgeving voor [het kind]. Jeugdzorg wijst daarbij met name op het gedrag van de moeder tijdens begeleide bezoeken met [het kind]. De vader heeft er blijk van gegeven niet te willen ingrijpen uit angst voor escalatie en boosheid van de moeder jegens hem. Hulpverlening en ondersteuning in de opvoeding van [het kind] zijn volgens Jeugdzorg derhalve noodzakelijk. Blijkens het FORA-onderzoek van 23 november 2007 kunnen, volgens Jeugdzorg, echter vraagtekens worden gezet bij de bereidheid en leerbaarheid van de ouders. Bij thuisplaatsing zou [het kind], volgens Jeugdzorg, onder de huidige omstandigheden ernstig worden bedreigd in zijn ontwikkeling. De mogelijkheden tot terugplaatsing van [het kind] bij de ouders, zoals geformuleerd in het FORA-rapport van 23 november 2007, worden door Jeugdzorg nauwkeurig onderzocht. Volgens Jeugdzorg is het echter nog te vroeg om van een veilige thuisplaatsing te spreken. Jeugdzorg heeft ter zitting verklaard dat de moeder en [het kind] inmiddels zijn aangemeld voor het zogenoemde ‘jonge-kind’-project bij het RMPI te Barendrecht, maar dat zij nog op een wachtlijst staan. De doelstelling van het plaatsen van de moeder in dit project is te onderzoeken welke behandeling voor de moeder de meest aangewezen is om tot terugplaatsing van [het kind] bij de ouders te komen. Jeugdzorg stelt dat [het kind] goed gehecht is in het huidige pleeggezin. Wel acht Jeugdzorg het, evenals de vader, zorgelijk dat hij veel huilt tijdens de begeleide bezoeken met de ouders.

7. Het hof overweegt als volgt. Een machtiging tot uithuisplaatsing mag slechts worden verleend dan wel verlengd indien de uithuisplaatsing, zoals vermeld in artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek, in het belang van de verzorging en opvoeding van [het kind] noodzakelijk is. Het hof acht het aannemelijk dat de relatie van de moeder met haar vorige partner gekenmerkt werd door fysieke en psychische mishandeling van de moeder. Onder die omstandigheden heeft de moeder de veiligheid van haar twee dochtertjes niet voldoende kunnen waarborgen. [het kind] is op basis van de destijds bestaande onveilige situatie direct na zijn geboorte uit huis geplaatst. Naar het oordeel van het hof bestaat deze onveilige situatie bij de moeder thans niet meer. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder nu een duurzame en stabiele relatie heeft met de vader, van wie zij in juli 2008 een tweede kind verwacht. De moeder heeft bovendien de hulp van haar moeder als dit nodig is. Het hof acht het aannemelijk dat zij, zoals ter zitting verklaard, daarvan steun zal ondervinden bij de opvoeding en verzorging van [het kind]. De ouders zijn betrokken op [het kind]. Het hof stelt vast dat de zorgen die in het rapport van 8 augustus 2005 van het Pieter Baan Centrum worden gemeld onder de huidige omstandigheden door FORA anders worden ingeschat. Uit het FORA-rapport van 23 november 2007 blijkt dat terugplaatsing van [het kind] bij de ouders mogelijk is, mits zij bereid zijn de aangewezen hulpverlening daadwerkelijk te accepteren en de adviezen op te volgen. Het hof acht het aannemelijk dat de ouders bereid en in staat zijn hulpverlening te aanvaarden. Ter zitting hebben de ouders uitdrukkelijk verklaard dat zij open staan voor de aangeboden hulpverlening in het kader van de ondertoezichtstelling. Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de ouders de afgelopen periode zelf het Consultatiebureau en een onderzoeksinstelling voor advies en onderzoek hebben benaderd. Het hof gaat er dan ook van uit dat de ouders zich zullen houden aan alle adviezen en opdrachten van Jeugdzorg in verband met de ondertoezichtstelling. Het hof acht, gelet op het voorgaande en onder de huidige omstandigheden, de ouders in staat een voldoende veilige omgeving voor [het kind] te creëren en is van oordeel dat de gronden voor een uithuisplaatsing van [het kind] thans niet meer aanwezig zijn. Voorts overweegt het hof dat, zolang [het kind] niet is terug geplaatst, de ouders in de onmogelijkheid verkeren aan te tonen dat zij bereid en in staat zijn de meergenoemde hulpverlening te aanvaarden en conform alle gegeven adviezen en opdrachten te handelen.

8. Het hof merkt nog het volgende op. Het hof acht het een zorgelijke ontwikkeling dat [het kind] sinds de versobering van de bezoekregeling een zekere reserve naar de ouders lijkt op te bouwen. Naar het oordeel van het hof dient te worden voorkomen dat hij onthecht raakt aan de ouders. Het is dan ook niet in het belang van [het kind] om eerst de onderzoeksresultaten van het RMPI af te wachten, nu dit onderzoek kennelijk gericht is op de behandeling van de moeder en niet primair op de terugplaatsing van [het kind]. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van [het kind] om zich verder te kunnen hechten aan de ouders, gezien zijn jonge leeftijd, zwaarder.

9. Het hof zal de machtiging tot uithuisplaatsing van [het kind] met ingang van 23 juni 2008 intrekken en de bestreden beschikking in zoverre vernietigen. Het hof heeft, bij het bepalen van voormelde datum, acht geslagen op het FORA-onderzoek van 23 november 2007 (pagina 13) waarin wordt verwoord dat het bij terugplaatsing van [het kind] bij de ouders niet wenselijk wordt geacht de termijn van omschakeling te lang te laten duren, aangezien [het kind] nog maar een baby is en om die reden geen lange ingroeifase in het gezin van de ouders of afbouw van het contact met de huidige verzorgers nodig heeft. Wel moet de tijd genomen worden voor een zorgvuldige overdracht wat betreft de verzorging, het dagritme, de gewoontes van [het kind] en de aandachtspunten om af te stemmen op zijn behoeften. Dit laatste geldt voor Jeugdzorg maar ook voor de ouders.

10. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de uithuisplaatsing van [het kind] en, in zoverre opnieuw beschikkende:

machtigt Jeugdzorg om [het kind] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een voorziening voor pleegzorg gedurende de periode van 12 december 2007 tot 23 juni 2008 te 12:00 uur;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Mos-Verstraten en van der Burght bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 juni 2008.