Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD9018

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
31-07-2008
Zaaknummer
105.011.267-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek van de vader tot het verkrijgen van gezamenlijk gezag, waar de moeder het gezag steeds alleen uitoefende. Belang van het kind: voordelen afwegen tegen de nadelen bij verandering van het ouderlijk gezag en daarmee verbandhoudende wijziging van de verzorgingssituatie. Belang van het voortzetten van een ongestoorde (opvoedings)relatie moeder/kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 mei 2008

Rekestnummer : 695-D-07

Zaaknummer : 105.011.267-01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-7612

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. B.C.V.J. van Leur,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E. Grabandt.

Als informant is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging [woonplaats],

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 25 mei 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 28 februari 2007.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 8 juni 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 9 april 2008 een pleitnota ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 14 maart 2008 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 16 april 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. A. Harent, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. E.M.H. Verbeeten. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is - voor zover in hoger beroep van belang - het primaire en subsidiaire verzoek van de vader tot wijziging van het ouderlijk gezag over de hierna te noemen minderjarigen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ouderlijk gezag ten aanzien van de minderjarigen:

[kind 1], geboren te [geboorteplaats] [in 1998], en;

[kind 2], geboren te [geboorteplaats] [in 2000];

hierna gezamenlijk verder: de kinderen, die bij de moeder verblijven. De vader heeft de kinderen erkend en de moeder heeft het ouderlijk gezag over hen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van het ouderlijk gezag over de kinderen en, in zoverre opnieuw beschikkende, alsnog te verstaan dat partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag worden belast, met bepaling dat de door het hof te geven beschikking in de plaats komt van de machtiging van de moeder aan de vader om inschrijving daarvan in de registers te doen plaatsvinden, zulks voor zover noodzakelijk.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep.

4. De vader stelt zich op het standpunt dat hij mede met het ouderlijk gezag over de kinderen dient te worden belast. Hij voert daartoe het volgende aan. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat, bij de beoordeling van het verzoek van de vader om partijen gezamenlijk met het ouderlijk gezag over de kinderen te belasten, getoetst dient te worden of een dergelijke gezagswijziging in het belang van het kind wenselijk is. Volgens de vader dient bij deze beoordeling het gezamenlijk gezag uitgangspunt te zijn, tenzij de belangen van de kinderen zich hiertegen verzetten. Nu hij verzoekt mede met het ouderlijk gezag te worden belast en niet de moeder het ouderlijk gezag te ontnemen, meent hij dat aansluiting dient te worden gezocht bij het criterium voor gezagsbepaling na echtscheiding. De vader stelt dat de communicatieproblemen tussen hem en de moeder niet zodanig zijn dat er bij gezamenlijk gezag een risico is dat de kinderen klem of verloren raken tussen hen. Bovendien is hij ervan overtuigd dat de communicatie tussen hem en de moeder zal verbeteren, indien er voor de moeder een reden is om met de vader te communiceren. Nu de moeder reeds acht jaar alleen het ouderlijk gezag over de kinderen heeft, is dit voor de rechtbank kennelijk reden om het ouderlijk gezag niet mede aan de vader toe te kennen. Deze redenering van de rechtbank is volgens de vader onlogisch en in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Immers, de vader heeft feitelijk, toen partijen nog samen waren, tot eind 2000 mede met de moeder beslissingen ten aanzien van de kinderen genomen. Bovendien, zo stelt de vader, heeft hij pas sinds de uitspraak van de Hoge Raad van 27 mei 2005 de mogelijkheid om eenzijdig een verzoek tot gezamenlijk gezag in te dienen. Daarnaast is de wijziging van het ouderlijk gezag zelf weliswaar plotseling, maar de gevolgen daarvan niet, aldus de vader. De vader heeft immers al geruime tijd aan de moeder aangegeven dat hij gezamenlijk gezag over de kinderen wenste. De vader stelt dat de wijziging van het ouderlijk gezag niet verstorend zal werken op het gezinssysteem van de moeder en is dan ook van mening dat hij mede met het ouderlijk gezag over de kinderen dient te worden belast.

5. De moeder acht gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen niet wenselijk. Zij voert daartoe het volgende aan. De moeder is, in tegenstelling tot de vader, van mening dat de rechtbank het juiste criterium bij de toetsing van het verzoek van de vader heeft gehanteerd. Volgens haar valt niet in te zien waarom de vader verwijst naar artikel 1:252 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en een parallel trekt met echtscheidingszaken. Het eenzijdig verzoek van de vader tot vaststelling van het gezamenlijk gezag dient volgens haar inhoudelijk te worden getoetst. In de situatie dat ouders nooit gezamenlijk gezag hebben gehad dient volgens de moeder te worden beoordeeld of de gezagswijziging in het belang van het kind wenselijk is. Volgens haar heeft de vader gesteld noch aangetoond dat de wijziging van het ouderlijk gezag in het belang van de kinderen wenselijk is. De moeder is van mening dat de gevolgen van de door de vader verzochte gezagswijziging met het oog op de belangen van de kinderen onwenselijk zijn. Zij stelt dat er reeds langere tijd sprake is van een zeer moeizame communicatie tussen haar en de vader. Zij verwacht niet dat dit binnen afzienbare tijd zal veranderen. Volgens de moeder is er aan de zijde van de vader onder meer sprake van gebrek aan belangstelling voor de kinderen, alsmede onbetrouwbaar en onvoorspelbaar gedrag. Bovendien is het onmogelijk afspraken met hem te maken. Voorts weigert de vader haar te vertellen waar hij in de omgangsweekeinden met de kinderen verblijft. Het inwilligen van het verzoek van de vader tegen haar wil in, leidt volgens de moeder dan ook enkel tot een verdere verslechtering van de communicatie tussen haar en de vader, hetgeen zal doorwerken in de gezinsrelatie van haar en de kinderen. De kinderen komen in dat geval volgens haar klem te zitten of dreigen verloren te raken tussen haar en de vader. De rechtbank heeft, volgens de moeder, terecht de omstandigheid meegewogen dat de vader pas na acht jaar om een gezagswijziging verzoekt. Immers, de vader is steeds in de gelegenheid geweest om via haar een gezagswijziging te bewerkstelligen. De moeder acht op grond van het vorenstaande gezamenlijk gezag in het belang van de kinderen niet wenselijk.

6. Het hof overweegt allereerst het volgende. De vader is ontvankelijk in zijn verzoek dat er toe strekt hem mede te belasten met het ouderlijk gezag over de kinderen. Immers, in overeenstemming met artikel 6 lid 1 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), moet artikel 1:253c lid 1 BW aldus worden uitgelegd dat een vader die een kind heeft erkend, niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook om toekenning van gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken. Artikel 1:253e BW moet aldus worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het ouderlijk gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent.

7. Ten aanzien van het verzoek van de vader tot het gezamenlijk belasten van hem en de moeder met het ouderlijk gezag over de kinderen oordeelt het hof als volgt. De vader beoogt met zijn verzoek een verandering tot stand te brengen in de van meet af aan bestaande gezagsverhouding rond de kinderen. De rechter dient, in het licht van hetgeen in het belang van de kinderen wenselijk is, de mogelijke voordelen en kansen die ontstaan bij gezamenlijk gezag af te wegen tegen de mogelijke nadelen bij verandering van het ouderlijk gezag en een daarmede verbandhoudende wijziging van de verzorgingssituatie. Vaststaat dat de moeder reeds sinds de geboorte van de kinderen alleen is belast met het ouderlijk gezag over hen.

8. Uit de overgelegde stukken en hetgeen ter terechtzitting is verklaard blijkt dat de communicatie tussen partijen reeds langere tijd uiterst moeizaam verloopt. De vader en de moeder gaan, zo is ter zitting gebleken, ieder afzonderlijk naar ouderavonden van de kinderen. Na afloop van de ouderavond vindt tussen hen geen terugkoppeling plaats van hetgeen ten aanzien van de kinderen besproken is. Evenmin blijkt dat communicatie tussen de vader en de moeder mogelijk is over doktersbezoeken van de kinderen of de sportkeuze van [kind 2]. [kind 1] staat over twee jaar voor een belangrijke schoolkeuze. Hoewel de moeder heeft aangegeven open te staan voor overleg met de vader over de schoolkeuze van [kind 1], heeft de vader ter zitting geen blijk gegeven zich reeds daarin te hebben verdiept, dan wel voornemens te zijn hierover met de moeder in overleg te treden. Het hof overweegt voorts dat de vader ter zitting heeft erkend de verblijfgegevens van de kinderen tijdens de omgangsweekeinden niet aan de moeder te willen prijsgeven. Het hof acht deze houding van de vader niet bevorderlijk voor de verstandhouding tussen hem en de moeder.

9. Het hof is van oordeel dat in casu is gebleken van zodanige communicatieproblemen tussen partijen dat gevreesd moet worden dat de belangen van de kinderen bij de uitoefening van gezamenlijk gezag worden geschaad. Het hof verwacht niet, nu het partijen in de lange periode dat zij reeds uit elkaar zijn niet gelukt is hun communicatie te verbeteren, dat hierin binnen afzienbare tijd wel voldoende verbetering zal optreden. Naar het oordeel van het hof is het risico dan ook groot dat de vader – indien hij met de moeder het gezamenlijk gezag zal uitoefenen – op de thans bestaande relatie van de kinderen met de moeder inbreuk zal maken op een wijze die zich niet met het belang van de kinderen verdraagt. Onder deze omstandigheden leidt de afweging van de feiten en omstandigheden ertoe dat verandering van de bestaande gezagsverhouding niet in het belang van de kinderen te achten is. Het belang van de vader om te participeren in opvoedkundige en andere belangrijke beslissingen ten aanzien van de kinderen acht het hof onder deze omstandigheden ondergeschikt aan het belang van de kinderen en de moeder op een ongestoorde relatie met elkaar.

10. Gelet op het voorgaande oordeelt het hof dat het belang van de kinderen zich verzet tegen toewijzing van het verzoek van de vader.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Fockema Andreae-Hartsuiker en van der Burght bijgestaan door mr. Willems als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2008.