Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD7522

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
17-07-2008
Zaaknummer
105.003.834/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringsrecht. Uitleg beurspolis. Geen grove schuld verzekerde. Ingangsdatum wettelijke rente ingeval van aanvankelijke weigering dekking onder de polis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2008, 93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer: 105.003.834/01

Rolnummer (oud): 05/1475

Rolnummer rechtbank: 192533 / HA ZA 03-573

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 3 juli 2008

inzake

de naamloze vennootschap FORTIS CORPORATE INSURANCE N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Fortis,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

SCANIA FINANCE NEDERLAND B.V.,

voorheen genaamd: "Lease- en Financieringsmaatschappij Bezoma B.V.",

gevestigd te Leidschendam,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: Bezoma,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt .

Het geding

Bij dagvaarding van 31 augustus 2005 heeft Fortis hoger beroep ingesteld van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2005, gewezen tussen Bezoma als eiseres en Fortis als gedaagde. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Fortis 11 grieven (waarbij twee grieven beide het nummer 9 hebben) aangevoerd tegen zowel het tussenvonnis van de rechtbank van 3 november 2004, als het eindvonnis van 13 juli 2005. Bezoma heeft de grieven bij memorie van antwoord, tevens incidentele memorie van grieven (met producties) bestreden, waarbij zij tevens één incidentele grief heeft aangevoerd. Fortis heeft deze bij incidentele memorie van antwoord bestreden. Ter terechtzitting van 6 november 2007 hebben partijen hun standpunten mondeling aan de hand van pleitnotities toegelicht, Fortis bij monde van mr. R. de Haan, advocaat te Rotterdam, en Bezoma bij monde van mr. D. Horeman, eveneens advocaat te Rotterdam. Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft in haar tussenvonnis van 3 november 2004 de in dit geding vaststaande feiten vastgesteld. Nu hiertegen geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht, gaat het hof van deze feiten uit.

2. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de respectieve memories van grieven. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Fortis haar principale grief 6 ingetrokken.

3. Het gaat in de onderhavige zaak, kort en zakelijk weergegeven, om het volgende. Bezoma heeft sinds medio 1998 onder meer twaalf koelopleggers verhuurd (geleaset) aan Spegros, een bedrijf dat zich bezig hield met het vervoer van groente en fruit van Nederland naar Rusland. Spegros werd bestuurd door mw. [bestuurder 1] en (de enige aandeelhouder) dhr. S. [bestuurder 2]. Spegros sloot hiertoe vervoersovereenkomsten met twee aan Spegros gelieerde Russische transportbedrijven, TCS en TSV, van welke bedrijven [bestuurder 2] ook bestuurder was. Ter uitvoering van de transporten stelde Spegros de door haar van Bezoma gehuurde trailers ter beschikking aan TCS en TSV. Voor de koelopleggers had Spegros via de verzekeringsmakelaar Marsh een landmaterieelverzekering afgesloten bij (de rechtsvoorgangster van) Fortis. Spegros is in 1999 in financiële problemen geraakt. Op 4 januari 2000 kreeg Bezoma bericht van TCS uit Rusland dat TCS failliet was verklaard, en dat de trekkers en trailers waren veiliggesteld op een adres in Kaliningrad, Rusland. Vervolgens heeft Marsh, in overleg met Bezoma en in opdracht van Fortis en van Crowe, de verzekeraar van de trekkers, Cunningham Lindsey Marine B.V. (C&L) ingeschakeld om in samenwerking met Russische onderzoekers de trekkers en trailers te traceren, zodat deze naar Nederland konden worden teruggehaald. Op 7 januari 2000 heeft Fortis ingestemd met het verzoek van Bezoma en Marsh om Bezoma voor de periode van 4 januari 2000 tot en met 14 januari 2000 als medeverzekerde op de polis te accepteren. Bezoma heeft zich in dit verband jegens Marsh verplicht tot betaling van de achterstallige verzekeringspremie. Begin maart 2000 is Spegros failliet verklaard. Het - uitvoerige - onderzoek van C&L heeft niet tot het terugvinden van de trekkers en trailers geleid. Ditzelfde geldt voor een in 2001/2002 uitgevoerd onderzoek van Toplis & Harding Special Services B.V. (T&L). Bezoma stelt zich op het standpunt dat de trailers zijn verloren als gevolg van diefstal, verduistering of vermissing, en heeft Fortis aangesproken tot uitkering onder de polis. Fortis heeft uitkering geweigerd.

4. De principale grieven 1 en 2 richten zich tegen de beslissing van de rechtbank in rov. 3.4 tot en met 3.7 van het tussenvonnis van 3 november 2004, dat Bezoma voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van diefstal, althans verduistering, althans vermissing van de opleggers in de periode van 4 tot en met 14 januari 2000, zodat sprake is van een gedekt evenement onder de polis.

5. Betoogd wordt dat, ook indien de verzekeringsovereenkomst een ‘All Risks’-clausule bevat, de verzekerde dient te stellen en te bewijzen dat sprake is van een bepaald evenement dat de schade heeft veroorzaakt en dat gedekt is onder de polis. Ten aanzien van het moment waarop het verzekerd voorval zich heeft voorgedaan, geldt bovendien niet de regel dat aan het bewijs niet al te hoge eisen mogen worden gesteld. De rechtbank heeft daarom ten onrechte bewezen verklaard dat sprake is van een vermissing van de trailers tussen 4 januari en 14 januari 2000. Ten aanzien van de periode waarin de trailers zijn vermist is geen betrouwbare informatie voorhanden. Bezoma heeft derhalve niet aan haar bewijslast voldaan. Dit geldt temeer nu Bezoma geen aangifte heeft gedaan bij de politie in Rusland, en de voormalig raadsman van Bezoma destijds heeft verklaard dat de verdwijning niet op 12 januari 2000 maar op 3 of 4 januari 2000 zou hebben plaatsgevonden. Het is waarschijnlijk dat dhr. [bestuurder 2], bestuurder van zowel Spegros als TCS en TSV, betrokken is bij het verdwijnen van de trailers, en dat Spegros de feitelijke macht over de trailers derhalve reeds ruim vóór 4 januari 2000 had verloren.

6. Het hof is van oordeel dat Bezoma voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de trailers zijn verloren als gevolg van diefstal, verduistering of vermissing in de zin van de polisvoorwaarden. Hieraan doet niet af dat Bezoma niet heeft kunnen aantonen wat er precies met de trailers is gebeurd. Vast staat dat Bezoma op 4 januari 2000 het bericht van TCS (“Fa. Spegros” te Kaliningrad) heeft ontvangen dat TCS failliet was en dat de trekkers en trailers waren veiliggesteld “on safeguard parking-place-area” met het adres [adres], Kaliningrad, Rusland. Op 12 januari 2000 volgde het bericht van Spegros aan Bezoma dat zij bericht had ontvangen van de heer Ovcharov van TSV dat schuldeisers het materieel hadden weggehaald en dat onbekend was waar het materieel zich op dat moment bevond. Op 17 januari 2000 heeft Bezoma aan Marsh meegedeeld dat uit het onderzoek van C&L inmiddels was gebleken dat de objecten waren verplaatst naar een onbekend adres, en dat Bezoma had getracht contact te krijgen met TSV doch tevergeefs. Vast staat dat de trekkers en trailers door C&L, die onderzoek heeft gedaan in Rusland en daarbij heeft samengewerkt met Russische onderzoekers, niet konden worden getraceerd. Ook het nadere onderzoek door T&H, uitgevoerd in 2001/2002 in opdracht van Fortis, heeft niet tot het terugvinden van de trekkers en trailers geleid. Er zijn aanwijzingen dat het bij de door dhr. [medewerker] van TSV genoemde “schuldeisers” in werkelijkheid gaat om de Russische maffia. Dit alles brengt mee dat voldoende aannemelijk is dat de trailers zijn verloren, zoals gedekt onder de polis. Het enkele feit dat Bezoma geen aangifte heeft gedaan in Rusland doet hier, gelet op het uitgebreide onderzoek van C&L in samenwerking met Russische onderzoekers, niet aan af. Fortis heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de trekkers en trailers wel zouden zijn teruggevonden als Bezoma aangifte had gedaan bij de Russiche politie. De belangen van Fortis zijn derhalve door het achterwege laten van de aangifte in Rusland niet geschaad.

7. Ten aanzien van de periode waarin de trailers zijn verloren overweegt het hof het volgende. Zoals hierboven reeds overwogen, staat vast dat Bezoma op 4 januari 2000 het bericht van TCS (“Fa. Spegros” te Kaliningrad) heeft ontvangen dat TCS failliet was en dat de trekkers en trailers waren veiliggesteld “on safeguard parking-place-area” met het adres [adres], Kaliningrad, Rusland. Dat dit bericht vals was omdat de trailers op dat moment reeds waren gestolen of verduisterd, althans vermist, is weliswaar mogelijk maar acht het hof voorshands niet aannemelijk geworden. C&L vermeldt in haar rapport (p. 15) dat een zestal trekkers in december 1999 en januari 2000 nog door getuigen is gezien in Kaliningrad. Evenmin acht het hof voorshands aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van het bericht van de heer [medewerker] van TSV op 12 januari 2000, voorzover dit althans inhoudt dat op dat moment het materieel zich niet meer bevond op voormelde “safeguard parking-place-area”. Dit alles geeft het hof grond voor het vermoeden, dat de trailers verloren zijn geraakt in de periode tussen 4 en 12 januari 2000. Noch de brief van de voormalig raadsman van Bezoma waarin deze als datum van verlies 3/4 januari 2000 heeft gemeld, noch de aangifte bij de politie in Nederland door dhr. [betrokkene], waarin wordt gesproken van diefstal op 4 januari 2000, doet hieraan af. Dat dhr. [bestuurder 2] een rol heeft gespeeld bij de verdwijning van de trailers, in die zin dat hij daar de hand in heeft gehad, acht het hof voorshands niet aannemelijk geworden. Hetgeen Fortis in dit verband heeft aangevoerd, is hiervoor te vaag en onvoldoende onderbouwd. De opmerking in het rapport van C&L (p. 8) dat dhr. [bestuurder 2] zich al enige jaren bezig zou houden met het verduisteren van geleasete voertuigen, wordt volstrekt niet nader gemotiveerd of onderbouwd, terwijl T&H in hun rapport van 2002 schrijven dat dhr. [bestuurder 2] volgens hun informatie geen criminele antecedenten heeft. Mede gelet op de uitlatingen van mw. [bestuurder 1] in de fax van 12 januari 2000 aan Bezoma (productie 4 bij conclusie van antwoord) alsmede tegenover de curator in het faillissement van Spegros (brief van de curator aan de RC van 21 maart 2000, productie 3 bij memorie van grieven) acht het hof wel aannemelijk dat dhr. [bestuurder 2] grote schulden had waarvan hij de betalingsverplichtingen niet kon nakomen, doch dit brengt nog niet mee dat [bestuurder 2] zelf degene is geweest die de hand heeft gehad in de verdwijning van de trailers. Het verschil tussen de door mw. [bestuurder 1] in voormelde fax van 12 januari 2000 en tegenover de curator genoemde bedragen van de vermeende schulden die [bestuurder 2] zou hebben gehad, is hiervoor ook onvoldoende. Gelet op de (tussen partijen niet in geschil zijnde) mogelijke betrokkenheid bij het gebeuren van de Russische maffia, zijnde de door dhr. [medewerker] genoemde “schuldeisers”, kan uit het feit dat dhr. [bestuurder 2] spoorloos is verdwenen evenmin enige conclusie worden getrokken.

8. Het hof acht daarmee Bezoma voorshands geslaagd in het op haar rustende bewijs van het feit dat de trailers verloren zijn geraakt in de periode van 4 tot en met 14 januari 2000. Fortis zal in de gelegenheid worden gesteld tot het leveren van tegenbewijs.

9. Om proceseconomische redenen zal het hof reeds thans ook de overige grieven bespreken.

10. De grieven 3 tot en met 5 richten zich tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep van Fortis op artikel 251 K(oud). Het hof stelt voorop dat Fortis ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep haar beroep op artikel 251 K(oud) heeft beperkt, althans nader heeft toegelicht, in die zin dat dit beroep uitsluitend wordt gedaan ten aanzien van de totstandkoming van de oorspronkelijke, tussen Fortis en Spegros gesloten, verzekeringsovereenkomst. Fortis verwijt Spegros dat zij bij het aangaan van de verzekering ten beurze via de beursmakelaar Marsh, Mees & Zoonen Marsh & Mc Lennan B.V. (hierna: Marsh) niet heeft meegedeeld dat de opleggers in Rusland zouden worden gestald, onder Russische kentekens. Tevens heeft Spegros volgens Fortis ten onrechte informatie verzwegen waaruit blijkt dat [bestuurder 2] een moreel risico vertegenwoordigde, namelijk het gegeven dat uit het rapport van C&L blijkt dat [bestuurder 2] zich al geruime tijd bezighield met het verduisteren van geleasete voertuigen, en het feit dat hij diverse keren was veroordeeld tot terugbetaling van leningen, waaraan hij vervolgens keer op keer niet voldeed.

11. De grieven falen. Bezoma heeft bij memorie van antwoord gemotiveerd en onderbouwd betoogd dat Spegros Marsh bij fax van 2 november 1998 (productie 28 bij memorie van antwoord) op de hoogte heeft gesteld van het feit dat de opleggers op Russisch kenteken werden gesteld, waarna een door (de rechtsvoorgangster van) Fortis voor akkoord getekende kennisgeving van deze wijziging is opgemaakt waarin de Russische kentekens zijn vermeld (productie 29 bij memorie van antwoord). Nu Fortis één en ander niet gemotiveerd heeft betwist, moet worden geconcludeerd dat Spegros op dit punt niet in haar mededelingsplicht is tekortgeschoten, en faalt in zoverre het beroep op artikel 251 K(oud). Ten aanzien van het morele risico dat dhr. [bestuurder 2] vertegenwoordigde, is het hof van oordeel dat Fortis haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Zoals hierboven reeds is overwogen is de opmerking in het rapport van C&L dat [bestuurder 2] zich al geruime tijd bezighield met het verduisteren van geleasete voertuigen op geen enkele wijze gemotiveerd of onderbouwd. De stelling van Fortis dat [bestuurder 2] geldschulden had die hij niet zou terugbetalen acht het hof eveneens onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd in het kader van een beroep op artikel 251 K(oud). Zo heeft Fortis niet duidelijk gemaakt wat voor geldschulden dit precies waren, en is evenmin gesteld of gebleken dat [bestuurder 2] deze geldschulden reeds had ten tijde van de onderhavige verzekeringsovereenkomst. Reeds daarom faalt het beroep op artikel 251 K(oud).

12. Grief 6 heeft Fortis ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep ingetrokken, zodat deze geen bespreking behoeft.

13. Grief 7 klaagt er over dat de Rechtbank ten onrechte niet heeft geoordeeld dat het beroep door Bezoma op de verzekeringsovereenkomst onder de omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Fortis stelt in dit verband dat zij in januari 2000 door Marsh en Bezoma op het verkeerde been in gezet bij het verzoek tot toevoeging van Bezoma als medeverzekerde op de polis. Zo zou Bezoma volgens mededeling van Marsh al op 5 januari 2000 hebben geweten dat de opleggers inmiddels niet meer op het terrein in Kaliningrad stonden, maar reeds naar Moskou waren verplaatst, hetgeen niet aan Fortis is meegedeeld. Bovendien wist Bezoma reeds begin januari 2000 dat mw. [Bestuurder 1] beschikte over de mobiele telefoonnummers van diverse chauffeurs van de trekkers, dat [bestuurder 1] hen reeds had gebeld maar dat ze geen informatie wilden geven. Ook deze informatie heeft Bezoma aan Fortis onthouden. Bezoma tracht op oneigenlijke wijze om de gevolgen van haar vastgelopen handelstransactie af te wentelen op Fortis.

14. Bezoma heeft betwist dat er op 5 januari 2000 sprake was van een groter risico dan aan Fortis is meegedeeld. Eveneens betwist zij dat zij op of voor 6 januari 2000 beschikte over relevante informatie over onder meer de verblijfplaats van de opleggers, welke informatie zij aan Fortis zou hebben onthouden. Zij stelt dat zij pas op 10 januari 2000 van Spegros heeft gehoord dat enkele opleggers in Moskou stonden, hetgeen volgens Bezoma bovendien niet vreemd is aangezien de opleggers werden gebruikt voor het transport van Nederland naar Moskou en vice versa. Dat mw. [bestuurder 1] beschikte over de mobiele telefoonnummers van diverse chauffeurs hoorde Bezoma pas na 12 januari 2000.

15. Het hof verwerpt de grief. Voorop wordt gesteld dat Fortis een professionele verzekeraar is, die bij de acceptatie van Bezoma als medeverzekerde op de polis er van op de hoogte was dat het ging om trailers die op Russische kentekens waren gesteld, en die in Rusland vast stonden. Fortis heeft geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat Bezoma begin januari 2000 beschikte over informatie waarvan zij wist dat deze voor Fortis relevant was bij de beoordeling van het verzoek om Bezoma als medeverzekerde onder de polis aan te merken, doch welke informatie Bezoma bewust aan Fortis heeft onthouden om haar te misleiden. Dit brengt mee dat Bezoma in redelijkheid een beroep kan doen op de polis.

16. Grief 8 richt zich tegen de verwerping door de rechtbank van het verweer van Fortis dat sprake is van grove schuld aan de zijde van Spegros. Fortis wijst in de toelichting op de grief op een aantal omstandigheden waaruit deze grove schuld volgens haar moet worden afgeleid, welke omstandigheden zij bij pleidooi nog heeft aangevuld. De grief wordt verworpen. Naar het oordeel van het hof is alleen dan sprake van grove schuld aan de zijde van Spegros, indien komt vast te staan dat [bestuurder 2] bij de verdwijning van de trailers een rol heeft gespeeld, in die zin dat hij daarin zelf de hand heeft gehad. Van grove schuld van Spegros is naar het oordeel van het hof geen sprake, indien de trailers onafhankelijk van de wil van [bestuurder 2] zijn weggehaald door “schuldeisers” (lees: de Russische maffia). Zoals hierboven reeds is overwogen, is de betrokkenheid van [bestuurder 2] bij het verdwijnen van de trailers niet aannemelijk geworden. Ook uit het feit dat de trailers in oktober 1998, derhalve gelijktijdig met het krijgen van Russische kentekens, op naam van aan Spegros gelieerde vennootschappen waren gezet vloeit dit nog niet voort. Fortis heeft haar stellingen op dit punt onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd. Het hof verwijst naar hetgeen eerder op dit punt is overwogen en beslist. Daarmee faalt de grief.

17. Grief 9 klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte het verweer van Fortis tegen de door Bezoma gevorderde schadevergoeding, inhoudende dat het belang dat Bezoma heeft bij haar vordering beperkt is tot hetgeen Spegros nog aan toekomstige huurpenningen verschuldigd was, niet heeft besproken. Fortis wijst er op dat Spegros en Bezoma bij het sluiten van de huurovereenkomsten de bedoeling hebben gehad dat Spegros de opleggers middels ‘financial lease’ in termijnen zou financieren, en dat na afloop van deze termijnen Spegros de opleggers voor een relatief laag restbedrag in eigendom kon verkrijgen. Volgens Fortis was sprake van huurkoop. Het verzekerd belang van Bezoma is volgens Fortis beperkt tot hetgeen Spegros per oplegger nog tot het einde van de huurtermijn aan Bezoma verschuldigd was, vermeerderd met de gecalculeerde restwaarde. Door een vergoeding toe te kennen op basis van de waarde van de opleggers zou de vermogenspositie van Bezoma duidelijk verbeteren, hetgeen in strijd is met het indemniteitsbeginsel.

18. Het hof verwerpt de grief. Naar het oordeel van het hof is het verzekerd belang van Bezoma niet beperkt tot uitsluitend de toekomstige huurtermijnen vermeerderd met de restwaarde. Ook het eigenaarsbelang van Bezoma is verzekerd onder de polis. Daarbij komt dat het hof niet aannemelijk acht dat Spegros haar contractueel met Bezoma overeengekomen koopoptie zou hebben uitgeoefend als de opleggers niet vermist zouden zijn geraakt. Spegros verkeerde immers in financiële moeilijkheden en had reeds een aantal leasetermijnen onbetaald gelaten, waardoor Bezoma Spegros bij brief van 4 januari 2000 (productie 7 bij inleidende dagvaarding) had gesommeerd de opleggers in te leveren. De stelling van Fortis dat een uitkering van de schade aan Bezoma op basis van de waarde van de opleggers in strijd zou komen met het indemniteitsbeginsel, wordt daarmee verworpen.

19. De grieven 10 en 11 (in de memorie van grieven ten onrechte genummerd 9 en 10) klagen er over dat de rechtbank voor de hoogte van de schade ten onrechte aanknoopt bij de aanschafwaarde van de opleggers, terwijl de schaderegelingsclausule in de polis uitgaat van een schadeberekening aan de hand van de door verzekeringnemer opgegeven waarde, met inachtneming van de verhuurcontracten en met een afschrijving van 5% vanaf het tweede jaar. Bij de vaststelling van de verzekerde waarde van de opleggers hebben Fortis en Spegros - aldus de toelichting op de grieven - aansluiting gezocht bij de huurkoopovereenkomsten, nu de waarde van de opleggers op het moment dat deze bij Fortis ter verzekering werden aangeboden gelijk was aan het totaal van de reeds betaalde betalingstermijnen plus de restwaarde minus de door Bezoma te behalen winst. De verzekerde waarde van de opleggers in januari 2000 ingevolge de schaderegelingsclausule was volgens Fortis beperkt tot € 384.651,60.

20. Het hof stelt voorop dat voorzover de grief ervan uit gaat dat Bezoma door het verlies van de opleggers slechts een schade heeft geleden van € 149.025,70, zijnde de gemiste betalingstermijnen plus de restwaarde, deze grief faalt. Het hof verwijst naar hetgeen hierboven bij grief 9 is overwogen en beslist.

21. In haar memorie van antwoord (alinea 172) stelt Bezoma primair dat de schadevergoeding zou moeten worden vastgesteld op basis van de door Spegros opgegeven waarde van de opleggers van NLG 150.000,-, die ook als verzekerde som in de polis is vermeld in de bij de polis gevoegde specificatie van de verzekerde objecten. Toepassing hierop van het afschrijvingspercentage van 5% per jaar leidt, aldus Bezoma, tot een bedrag aan schadevergoeding van € 663.653,57, zoals door Bezoma bij dagvaarding in eerste aanleg is gevorderd. Subsidiair stelt Bezoma zich op het standpunt dat de berekeningswijze van de rechtbank juist is.

22. Het is het hof niet duidelijk of Bezoma, gelet op haar hierboven weergegeven primaire standpunt omtrent de wijze van schadeberekening, een incidentele grief beoogt te richten tegen het vonnis van de rechtbank. Bezoma wordt verzocht zich hierover, na het bij dit arrest aan Fortis op te dragen tegenbewijs, bij akte uit te laten, waarna Fortis hierop kan reageren. In afwachting hiervan wordt de beoordeling van de principale grieven 10 en 11 aangehouden.

23. De door Bezoma in het incidenteel appel aangevoerde grief 1 klaagt er over dat de rechtbank ten onrechte wettelijke rente heeft toegewezen vanaf de dagvaarding, terwijl volgens de polisvoorwaarden ingeval van diefstal, vermissing of verduistering de schade na afloop van een termijn van 4 weken door de verzekeraars wordt vergoed. Derhalve is - aldus Bezoma - in ieder geval vanaf 4 weken na 12 januari 2000, zijnde 10 februari 2000, de wettelijke rente verschuldigd. Fortis betwist deze uitleg van de polisvoorwaarden. Het hof overweegt als volgt.

24. Partijen twisten over de uitleg van de volgende, op blad 4 van het clausuleblad van 4 september 1999 (productie 26 bij memorie van antwoord) vermelde, bepaling:

“Betaling van de schadevergoeding

Verzekeraars vergoeden de binnen het raam van deze polis onder de dekking begrepen schade uiterlijk 4 weken na de definitieve vaststelling van het schadebedrag.

Bij verschil van mening tussen de verzekerde en verzekeraars over de omvang van het schadebedrag zal het gedeelte van het schadebedrag waarover geen verschil van mening bestaat in ieder geval binnen 4 weken door verzekeraars worden vergoed. Dit bedrag zal op het definitieve schadebedrag in mindering worden gebracht.

In geval van diefstal, vermissing of verduistering wordt de schade na afloop van een termijn van 4 weken door verzekeraars vergoed.”

Bezoma stelt dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat ingeval van diefstal, vermissing of verduistering de schade wordt vergoed na een termijn van 4 weken na het schadeveroorzakende evenement. Fortis daarentegen stelt zich op het standpunt dat de verzekeraars pas gehouden zijn tot vergoeding onder de polis nadat is vastgesteld dat de schade onder de dekking valt en voorzover geen verschil van mening bestaat over de omvang van de schade.

25. De grief slaagt. Het hof stelt voorop dat de uitleg van een beurspolis als de onderhavige, waarvan gesteld noch gebleken is dat daarover tussen partijen is onderhandeld, met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (HR 16-5-2008, NJ 2008,284). Het hof is van oordeel dat bovenstaande polisbepaling, in het licht van de overige polisbepalingen waaronder de schaderegeling in geval van totaal verlies (blad 3 van voormeld clausuleblad, overgelegd als productie 3 bij inleidende dagvaarding), redelijkerwijs niet anders kan worden uitgelegd dan zoals door Bezoma wordt gesteld. De lezing van Fortis vindt geen steun in de tekst van de polisbepaling, en ligt ook niet voor de hand, nu juist ingeval van diefstal, vermissing of verduistering de verzekerde belang heeft bij een snelle schadeafwikkeling en dit bovendien, gelet op de schaderegeling in de polis, niet veel tijd zou behoeven te vergen. De genoemde termijn van 4 weken dient ingeval van diefstal, vermissing of verduistering dan ook te worden begrepen als 4 weken na het schadeveroorzakende evenement.

26. Het hof constateert dat Bezoma in haar conclusie/petitum kennelijk is vergeten op dit punt een eis te formuleren. Nu ook voor Fortis duidelijk moet zijn geweest dat dit op een kennelijk abuis berust, zal het hof Bezoma in de gelegenheid stellen dit te corrigeren c.q. aan te vullen.

27. Voorzover uit het voorgaande niet anders voortvloeit, passeert het hof de bewijsaanbiedingen van Fortis als zijnde niet relevant, althans te vaag en ongespecificeerd.

28. Elke verdere beslissing wordt aangehouden.

Beslissing

Het hof:

- laat Fortis toe tot het leveren van tegenbewijs tegen het voorshands bewezen feit dat de trailers verloren zijn geraakt in de periode van 4 tot en met 12 januari 2000;

- bepaalt dat de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. J.M.T. van der Hoeven-Oud, op vrijdag 10 oktober 2008 om 10.00 uur;

- bepaalt dat, indien een der partijen binnen veertien dagen na heden, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen en de te horen getuigen in de maanden oktober tot en met december van 2008, opgeeft dan verhinderd te zijn, de raadsheer-commissaris (in beginsel eenmalig) een nadere datum en tijdstip voor de getuigenverhoren zal vaststellen;

- verzoekt Bezoma zich bij memorie/akte na enquête tevens uit te laten over de punten als vermeld in rov. 22 en 26 van dit arrest;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, J.J. Roos en F.R. Salomons en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.