Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD7105

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
12-06-2008
Datum publicatie
14-07-2008
Zaaknummer
105.002.853-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Commanditaire vennootschap; opvolgingsperikelen

Wetsverwijzingen
Handelsregisterwet 2007
Handelsregisterwet 2007 25
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JRV 2008, 762
JIN 2008/566
JOR 2009/248 met annotatie van J.M. Blanco Fernández
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer(oud) : 05/365

Zaaknummer : 105.002.853/01

Rolnummer rechtbank : 04/402

arrest van de derde civiele kamer d.d. 12 juni 2008

inzake:

[NAAM] GORDIJNATELIER C.V.,

gevestigd te Hilversum,

appellante in het principaal appel,

verweerster in het (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna ook te noemen: [Naam] Gordijnatelier,

procureur: mr. W. Heemskerk,

tegen

UITGEVERIJ LAKERVELD B.V.,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het (voorwaardelijk) incidenteel appel,

hierna te noemen: Lakerveld,

procureur: mr. M. Spaa.

Het geding

Bij exploot van dagvaarding van 3 februari 2005 is [Naam] Gordijnatelier in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 3 november 2004. Bij memorie van grieven heeft [Naam] Gordijnatelier vijf grieven aangevoerd, die door Lakerveld zijn bestreden bij memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties). Lakerveld heeft in het incidenteel appel nog twee nadere grondslagen aan haar vordering toegevoegd en aldus haar vordering gewijzigd. [Naam] Gordijnatelier heeft hierop gereageerd bij memorie van antwoord in het voorwaardelijk incidenteel appel. Vervolgens zijn de stukken overgelegd door Lakerveld en is arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Behoudens op een ondergeschikt punt in grief I, waarop het hof zonodig nog zal ingaan, zijn de door de rechtbank in het bestreden vonnis in r.o. 1 (a t/m d) weergegeven feiten niet betwist, zodat deze ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen.

2. Het gaat in dit geding, zakelijk weergegeven, om de volgende vaststaande feiten.

(i) In februari 2002 is namens de commanditaire vennootschap [Naam] Gordijnatelier CV (verder ook: [Naam] Gordijnatelier-2002) aan Lakerveld opdracht gegeven om advertenties te plaatsen, hetgeen Lakerveld ook heeft gedaan. Uit hoofde hiervan heeft Lakerveld in hoofdsom een bedrag van € 8.598,94 te vorderen.

(ii) In 2002 was Eurotrend B.V. beherend vennoot van [Naam] Gordijnatelier-2002. Statutair directeur van Eurotrend was de heer [de directeur] (verder ook: [de directeur]).

(iii) Stille vennoot van [Naam] Gordijnatelier-2002 was mevrouw [X] (verder: [X], echtgenote van [de directeur].

(iv) Op 30 november 2003 is Eurotrend B.V. uitgetreden als beherend vennoot van [Naam] Gordijnatelier-2002. Eurotrend is op 10 maart 2004 failliet verklaard.

(v) In het Handelsregister is opgenomen dat [X] Beheer B.V. (verder [X] Beheer) per 30-11-2003 is toegetreden tot de op 1 juli 1998 opgerichte commanditaire vennootschap [Naam] Gordijnatelier C.V.(uittreksel overgelegd in eerste aanleg bij brief van 11 mei 2004).

(vi) [de directeur] is statutair directeur van [X] Beheer B.V.

(vii) [X]is stille vennoot van [Naam] Gordijnatelier.

(viii) [X]is enig aandeelhoudster van zowel Eurotrend als [X] Beheer .

3. Lakerveld heeft op 20 januari 2004 de commanditaire vennootschap [Naam] Gordijnatelier C.V. , alsmede de de voormalig beherend vennoot Eurotrend B.V. (verder: Eurotrend) gedagvaard voor de rechtbank ’s-Gravenhage met een vordering in hoofdsom tot betaling van het onder 2(i) genoemde bedrag wegens geplaatste advertenties, met nevenvorderingen. Deze vorderingen heeft de rechtbank grotendeels toegewezen. [Naam] Gordijnatelier komt met haar grieven tegen haar veroordeling op. Het hof oordeelt als volgt.

4. De beslissing tot veroordeling van de (inmiddels failliete) beherend vennoot Eurotrend B.V. is thans niet in geschil. Evenmin is in geschil dat een commanditaire vennootschap (CV), ondanks het feit dat zij geen rechtspersoon is, in rechte kan optreden (art. 51 Rv). Tot slot verdient opmerking dat de Hoge Raad bij zijn arrest van 14 maart 2003, LJN AF4593, het oude standpunt heeft verlaten dat de CV met alleen één beherend vennoot geen afgescheiden vermogen kent.

5. Kern van het verweer van [Naam] Gordijnatelier is dat zij niet dezelfde commanditaire vennootschap (CV) is als de CV waarmee Lakerveld in 2002 zaken heeft gedaan, zodat Lakerveld zich niet op haar kan verhalen. [Naam] Gordijnatelier stelt daartoe het volgende.

Eurotrend heeft in verband met de slechter wordende marktpositie besloten haar activiteiten te staken en de CV te beëindigen. Het vermogen van [Naam] Gordijnatelier-2002 is hierna vereffend. Er is een slotbalans opgesteld door de boekhouder en er is met Eurotrend afgerekend. In dat kader zijn activa overgedragen aan [X] Beheer (proces-verbaal comparitie eerste aanleg).

In hoger beroep (memorie van grieven) stelt [Naam] Gordijnatelier dat [Naam] Gordijnatelier-2002 /Eurotrend eind november 2003 haar bedrijfsactiviteiten (onder meer wegens oplopende verliezen) heeft beëindigd; dat [Naam] Gordijnatelier-2002 door Eurotrend is opgezegd en dat [Naam] Gordijnatelier-2002 is ontbonden. Vervolgens heeft [X] Beheer, aldus nog steeds [Naam] Gordijnatelier, enige losse activa opgekocht (stoffen, naaimachines, het huurrecht met betrekking tot de bedrijfsruimte), waarna [X] Beheer samen met [X]als stille vennoot met ingang van 30 november 2003 een nieuwe CV heeft opgericht met de naam G.F. [Naam] Gordijnatelier C.V. Een onderhandse oprichtingsakte terzake d.d. 30 november 2003 (verder: de oprichtingsakte) is door [Naam] Gordijnatelier in eerste aanleg bij brief van 24 juni 2004 in het geding gebracht.

Lakerveld heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6. De rechtbank heeft geoordeeld (in r.o. 12 bestreden vonnis) dat de inschrijving van G. F. [Naam] Gordijnatelier C.V. in het Handelsregister en de bijbehorende opgaveformulieren geen andere conclusie toelaten dan dat deze vennootschap als juridische entiteit ononderbroken (dus ook na november 2003) heeft voortbestaan (kwestie a). De rechtbank heeft voorts in het midden gelaten of er sprake is van een nieuwe CV (met [X] Beheer) als beherend vennoot (kwestie b), omdat Lakerveld als onkundige derde in de zin van art. 18 Handelsregisterwet op deze inschrijving mag afgaan (kwestie c).

7. [Naam] Gordijnatelier heeft niet betwist dat een onkundige derde (zoals Lakerveld) op de inschrijving in het handelsregister mag afgaan (kwestie c), zodat het hof hier van uitgaat.

8. Wél heeft zij met haar derde grief kwestie (a) bestreden.

Zij voert daartoe met name aan dat een CV met een nieuwe beherend vennoot altijd per definitie een andere CV is (net zoals bij een eenmanszaak een nieuwe exploitant nu eenmaal niet dezelfde is als de vorige exploitant) (mvgr blz 10). Deze stelling wordt met verwijzing het in r.o 4 genoemde arrest verworpen. De omstandigheid dat een CV, ook ingeval er slechts één beherend vennoot is, een afgescheiden vermogen heeft, impliceert dat uittreding van de beherend vennoot niet automatisch de ontbinding van de CV bewerkstelligt.

Óók het hof oordeelt dat de inschrijving in het Handelsregister wijst op het voortbestaan (na 30 november 2003) van [Naam] Gordijnatelier als juridische entiteit. In dit verband wordt nog gewezen op het volgende:

- De naam is dezelfde gebleven.

- Het nummer waaronder de vennootschap in het handelsregister is ingeschreven is altijd hetzelfde gebleven.

- Het moment van toetreding van [X] Beheer tot de vennootschap (30 november 2003) valt samen met het tijdstip van uittreding van Eurotrend.

- Het uittreksel met [X] Beheer als beherend vennoot vermeldt als datum van oprichting van de CV 1 juli 1998.

- Nergens is vermeld dat de CV (met Eurotrend als beherend vennoot) is ontbonden met opgave van het tijdstip van ontbinding en de vereffenaars (conform art. 28 Handelsregisterbesluit).

- De statutair directeur van de respectieve beherend vennoten was telkens Van Straalen.

Al deze omstandigheden wijzen er op dat de in 1998 opgerichte commanditaire vennootschap [Naam] Gordijnatelier C.V. is blijven voortbestaan toen Eurotrend uittrad op 30 november 2003. Lakerveld heeft in elk geval op grond van de voor haar kenbare gegevens daarvan uit mogen gaan, hetgeen in dezen bepalend is. Grief III faalt.

9. Ten overvloede overweegt het hof ten aanzien van kwestie (b) nog als volgt. Overeenkomstig het bepaalde in art. 150 Rv rust op [Naam] Gordijnatelier de bewijslast van haar stelling dat er per 30 november 2003 sprake is van een nieuwe CV. [Naam] Gordijnatelier heeft dit bewijs tot dusver niet geleverd.

Er zijn, gelet op het voorgaande, juist sterke aanwijzingen dat het om dezelfde CV gaat. Een aanwijzing hiervoor vormt ook het feit dat alle betrokkenen materieel dezelfde zijn gebleven (de heer en mevrouw [de directeur] bekleden nog dezelfde positie binnen de vennootschap). De ter comparitie in eerste aanleg genoemde slotbalans is niet overgelegd. De akte van 30 november 2003 alléén is in de bijzondere omstandigheden van dit geval, waarbij het hof met name wijst op de in r.o 8 vermelde feiten, onvoldoende om aan te kunnen nemen dat een nieuwe CV is opgericht.

Het hof ziet geen grond om [Naam] Gordijnatelier tot nader bewijs toe te laten. Haar bewijsaanbod voldoet niet aan de in hoger beroep te eisen mate van concreetheid en specificiteit.

10. Zoals in r.o. 7 overwogen mag Lakerveld op de inschrijving in het Handelsregister afgaan, ook ingeval raadpleging van de registers naderhand plaatsvindt (HR 10-03-1989, NJ 1989, 473). Dit wordt niet anders door de door [Naam] Gordijnatelier in de vierde grief gestelde omstandigheid, kort gezegd, dat zij wel degelijk de ontbinding van [Naam] Gordijnatelier-2002 aan het Handelsregister had doorgegeven, maar dat deze door het Handelsregister niet goed was verwerkt.

Overigens rust de bewijslast van deze stelling ook hier op [Naam] Gordijnatelier, maar voldoet dit bewijsaanbod evenmin aan de in hoger beroep te stellen eisen van concreetheid, zodat dit bewijsaanbod ook hierom wordt gepasseerd.

Grief IV faalt eveneens.

11. De overige grieven worden ook verworpen. [Naam] Gordijnatelier heeft bij grief I geen belang, nu dit een ondergeschikt punt in de feitenvaststelling betreft en niet tot een ander oordeel leidt. Grief II omtrent de door [Naam] Gordijnatelier onjuist betitelde procedurele gang van zaken wordt verworpen. Niet alleen zijn geen essentiële vormen verzuimd en is het beginsel van hoor en wederhoor in acht genomen, maar bovendien heeft [Naam] Gordijnatelier in hoger beroep de mogelijkheid gehad haar kant van het verhaal uitvoerig te belichten. Grief V mist zelfstandige betekenis.

12. De conclusie is dat het hof niet toekomt aan het voorwaardelijk ingestelde incidenteel appel en de daarin genoemde nadere grondslagen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd met veroordeling van [Naam] Gordijnatelier in de kosten van het principaal appel.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis en veroordeelt [Naam] Gordijnatelier in de kosten van het hoger beroep, tot zover aan de zijde van Lakerveld begroot op € 389,-- aan verschotten en € 632,-- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, Th. W.H.E. Schmitz en J.H.W. de Planque en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2008 in aanwezigheid van de griffier.