Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6973

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
11-07-2008
Zaaknummer
22-001389-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte is veroordeeld voor poging tot moord op zijn - inmiddels - ex-echtgenote en moord haar ongeboren kind. Hij is vrijgesproken van poging tot zware mishandeling op zijn zuster. Hij is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaar met aftrek van voorarrest. De eis van de advocaat-generaal was een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest voor moord, poging tot moord en poging tot zware mishandeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer 22-001389-07

Parketnummer 10-691535-05

Datum uitspraak 10 juli 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 27 februari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1974,

thans verblijvende in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland - Huis van Bewaring De Geniepoort te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

12 juli 2007 en 26 juni 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1 impliciet primair, 2 impliciet primair en 3 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van elf jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij zoals vermeld in het vonnis waarvan beroep.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 3 is tenlastegelegd, nu uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep onvoldoende aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de verdachte opzet - waaronder begrepen voorwaardelijk opzet - had op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan zijn zuster. Het hof wijst daartoe in het bijzonder op de door haar afgelegde verklaring bij de rechter-commissaris d.d. 24 juli 2006.

De verdachte behoort daarom van dit feit te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft ter terechtzitting in hoger beroep namens de verdachte vrijspraak van het hem onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde (respectievelijk moord en poging tot moord) bepleit, op de grond dat de verdachte niet met voorbedachten rade heeft gehandeld. Zij heeft daartoe aangevoerd - zakelijk weergegeven - dat de verdachte niet heeft gehandeld na kalm beraad en rustig overleg, maar in een opwelling, ter onderbouwing waarvan zij onder meer heeft gewezen op de korte tijdspanne waarin het gebeurde zich heeft afgespeeld en de enorme stress waar de verdachte onder stond.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de verdachte op 13 december 2005 met zijn werkgever een bezoek heeft gebracht aan een psychiater voor advies. Korte tijd nadat hij van dat bezoek thuis was gekomen, is hij naar de bovenverdieping van zijn woning gegaan. Daar zag hij een kist staan, waarvan hij wist dat er een mes in lag. Hij heeft het mes gepakt en vervolgens op enig moment het besluit genomen om zijn echtgenote, naar eigen zeggen, 'iets aan te doen', daar hij in haar de oorzaak van alle problemen in hun privé-situatie zag. Hij is toen met het mes in zijn hand de trap afgelopen en naar de woonkamer gegaan, heeft als antwoord op een vraag van zijn vrouw gezegd: "Nee, je bent dood" en heeft met het mes op zijn vrouw ingestoken en haar blijkens de aangifte tweemaal in haar buik geraakt, terwijl zij op dat moment ongeveer 37 à 38 weken zwanger was. De zuster van de verdachte, die op dat moment ook in de woning aanwezig was, riep: "Volkan, wat doe je?" en probeerde de verdachte tegen te houden, onder meer door te trachten zijn pols vast te pakken en hem te krabben. De vrouw van de verdachte zag daardoor kans de woning te verlaten en naar buiten te rennen, alwaar zij voor de woning op de parkeerplaats ten val kwam. De verdachte ging achter zijn vrouw aan en stak haar op zijn knieën naast haar gezeten op straat onder meer wederom meerdere malen in haar buik. Al deze handelingen heeft de verdachte verricht wetende dat zijn vrouw hoogzwanger was, zodat hij door het meermalen steken in haar buik onvermijdelijk ook het kind heeft geraakt. Ten gevolge van door deze messteken veroorzaakt letsel is dit kind, dat op 13 december 2005 middels een keizersnede ter wereld is gekomen, op 14 december 2005 komen te overlijden en raakte zijn vrouw zwaargewond.

Het hof leidt uit de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden af dat de verdachte ten aanzien van het hem onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde heeft gehandeld met voorbedachten rade, nu uit die feiten en omstandigheden is komen vast te staan dat de verdachte tijd heeft gehad zich te beraden op het te nemen of genomen besluit. Die tijd bestond in ieder geval ten tijde van het pakken van het mes, op het moment dat hij met het mes in zijn hand van de trap afliep en ook later nog, toen zijn zus hem trachtte tegen te houden en zijn vrouw naar buiten vluchtte, waarna hij achter haar aan is gegaan. De verdachte heeft aldus de gelegenheid gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

De voortgezette handeling van

moord

en

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is - mede gelet op de na te noemen rapportage pro justitia - geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde - tezamen beschouwd als eendaadse samenloop - en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op 13 december 2005 schuldig gemaakt aan poging tot moord op zijn inmiddels

ex-echtgenote en aan moord op haar nog ongeboren kind, door zijn hoogzwangere echtgenote meerdere malen met een mes in haar buik te steken, alsmede in haar bovenlichaam, armen en linkerbovenbeen. Vier messteken hebben de baarmoeder doorboord en één messteek de linkerlong. Het is slechts aan adequaat medisch ingrijpen te danken geweest dat zijn ex-echtgenote de steekpartij heeft overleefd. Aan het nog ongeboren kind heeft de verdachte het meest fundamentele recht, het recht op leven, ontnomen. De nabestaanden zullen moeten leven met het nauwelijks te bevatten feit dat dit kind op deze wijze is gedood.

De bewezenverklaarde feiten hebben zich deels in de woning van het slachtoffer en de verdachte afgespeeld en deels voor die woning, op straat. Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer in haar eigen huis, waar zij zich bij uitstek veilig mocht voelen, terwijl bovendien zijn zuster en haar dochter in de woning aanwezig waren, heeft aangevallen en zijn handelen buiten op straat, op de openbare weg, heeft voortgezet.

Een feit als het onderhavige draagt ook een voor de rechtsorde zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft acht geslagen op de omtrent de verdachte en diens persoonlijke omstandigheden opgemaakte rapportages en berichtgeving, in het bijzonder op de rapportage pro justitia d.d. 23 mei 2008 van het N.I.F.P., locatie Pieter Baan Centrum, welk rapport is opgemaakt en ondertekend door A.T. Spangenberg, klinisch psycholoog, en J.M.J.F. Offermans, psychiater. Zij concluderen dat de verdachte ten tijde van de thans bewezenverklaarde feiten niet lijdende was aan een gebrekkige ontwikkeling of een ziekelijke stoornis zijner geestvermogens, zodat deze feiten hem volledig kunnen worden toegerekend. Ten aanzien van de kans op recidive is door de rapporteurs opgemerkt dat er geen gedragskundige uitspraak te doen is over de vraag hoe groot de kans is dat de verdachte in de toekomst opnieuw tot soortgelijke delicten komt. Hij beschikt over voldoende gedragsalternatieven om dergelijke delicten na te kunnen laten.

Op het bewezenverklaarde kan naar 's hofs oordeel niet anders worden gereageerd dan door het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur, waarbij het hof ook heeft meegewogen het grote berouw dat de verdachte over zijn handelen heeft geuit. Dat de verdachte wordt vrijgesproken van het hem onder 3 tenlastegelegde en de toepassing van artikel 56 van het Wetboek van Strafrecht hebben het hof - alles afwegende - niet ertoe gebracht aan de verdachte een lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 45 (oud), 56 en

289 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet primair en 2 impliciet primair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

11 (elf) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. J. Kramer en mr. C.M. le Clercq-Meijer, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2008.