Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6839

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
105.003.999-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

CMR-transport diepgevroren aardbeien; temperatuursinstructie -18 graden C tijdens transport; geen instuctie tot controle temperatuur voorafgaand aan transport; te hoge temperatuur bij inlading geen verantwoordelijkheid van vervoerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 30
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.003.999/01

Rolnummer (oud) : 05/1645

Rolnummer rechtbank : 98/644

arrest van de tweede civiele kamer d.d. 3 juli 2008

inzake

AMEV INTERLLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

appellante,

hierna te noemen: Amev,

procureur: mr. F. van Gelein Vitringa,

tegen

1. HERCO TRANS B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

hierna te noemen: Herco Trans,

procureur: mr. H.J.A. Knijff

2. TRANSPORT CIEZAROWY LESZEK GLEGOLA,

gevestigd te Warschau, Polen,

hierna te noemen: Ciezarowy,

in hoger beroep niet verschenen,

3. VAN SEUMEREN KOELTRANSPORT B.V.,

gevestigd te Utrecht,

hierna te noemen: Van Seumeren,

procureur: W. Heemskerk,

geïntimeerden.

1. Het geding

Bij exploot van 3 augustus 2005 is Amev in hoger beroep gekomen van het vonnis van de Rechtbank Middelburg van 15 juni 2005, alsmede van de rolbeslissing van 4 mei 2005 van dezelfde rechtbank, tussen partijen gewezen.

Bij memorie van grieven heeft Amev zeven grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Herco Trans de grieven bestreden.

Bij memorie van antwoord heeft Van Seumeren de grieven bestreden.

Ten slotte hebben Amev, Herco Trans en Van Seumeren de processtukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. Feiten in hoger beroep

2.1 Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 2 van het tussenvonnis van 13 augustus 2003 zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestreden.

2.2 Het gaat, samengevat, om het volgende.

Bosman B.V., ook wel zaakdoende als Vici Trading B.V., heeft Herco Trans opdracht gegeven een vijftal zendingen diepgevroren aardbeien te vervoeren van Tuchola in Polen naar Vlissingen. Herco Trans heeft de transporten uitbesteed aan vijf verschillende vervoerders: Van Seumeren, Baltic Trans B.V., Ewalina Bolesta-Bolesta, ITSS International Transport Service Stedebroec en Ewa Milek-Spedycja. Ewalina Bolesta-Bolesta heeft het door haar aangenomen transport uitbesteed aan Ciezarowy.

2.3 Op de vervoersovereenkomst zijn de CMR-voorwaarden van toepassing. De vrachtbrief bevat een temperatuurinstructie (-18° C) voor tijdens het transport. Op geen van de vijf vrachtbrieven is een voorbehoud gemaakt. De aardbeien waren verpakt in papieren zakken met een plastic binnenzak. De zakken waren op pallets geplaatst en elke pallet was in een hoes van krimpfolie verpakt.

2.4 Bij aankomst in Vlissingen is gebleken dat bij alle zendingen sprake was van “opdooischade” aan de aardbeien. De temperatuur van de aardbeien was hoger dan -18° C. Op verzoek van (de verzekeraar van) Vici Trading heeft het expertisebureau Binnendijk-Bree de aardbeien en de koelinstallaties van de vijf vrachtauto’s onderzocht en van haar bevindingen een rapport opgesteld. Op verzoek van (de verzekeraars van) Baltic Trans B.V. heeft het expertisebureau Arntz/Versnel de aardbeien en de vijf koelinstallaties onderzocht en van haar bevindingen een rapport opgemaakt.

2.5 Amev stelt dat zij en een aantal andere verzekeringsmaatschappijen de schade aan Bosman B.V. hebben vergoed en gesubrogeerd zijn in de rechten van Bosman en dat Amev last en volmacht heeft gekregen om de schade in rechte te vorderen. Zij heeft een vordering tot vergoeding van schade tegen onder andere geïntimeerden ingesteld. De rechtbank heeft deze vordering afgewezen. Hiertegen is Amev in hoger beroep gekomen.

3. Beoordeling van het hoger beroep

3.1 Voordat het hof de grieven zal behandelen, wijst het hof op rechtsoverweging 4.1 van het tussenvonnis van 13 augustus 2003. Deze rechtsoverweging luidt:

“4.1 Kern van het geschil is de vraag of de aardbeien tijdens het transport of voorafgaand daaraan, zoals gedaagden stellen, (gedeeltelijk) beschadigd zijn geraakt. Als er sprake is van een schone vrachtbrief (zoals in het onderhavige geval), is hoofdregel dat in beginsel de vervoerder aansprakelijk is voor geheel of gedeeltelijk verlies en beschadiging van de goederen ontstaan tijdens het transport. Indien er op de vrachtbrief geen voorbehoud is gemaakt, worden de goederen dan vermoed in goede staat te zijn geweest (voorafgaand aan het transport). Gedaagden stellen – zich daarbij beroepend op artikel 8 en 9 CMR alsmede relevante jurisprudentie – dat dit vermoeden alleen de uiterlijke waarneembare staat van de goederen betreft. Gezien de wijze van verpakking van de aardbeien was het voor hen onmogelijk de innerlijke staat van de zich in gesloten verpakking bevindende aardbeien te controleren. Zij mochten zich in dit geval beperken tot het controleren van de uiterlijke staat van de verpakking. De rechtbank volgt hen in dit verweer. De chauffeurs waren gezien de grondige wijze waarop de aardbeien waren verpakt (zoals overwogen onder 2.2) niet in staat de inhoud van de verpakking te controleren. Zij moesten derhalve wel afgaan op de uiterlijk waarneembare staat ervan. Voorts geldt dat de vrachtbrief wel vermeldt dat het gaat om diepgevroren aardbeien, maar overigens geen verplichting behelst (behoudens de gewenste temperatuur tijdens het transport) voor de chauffeurs om (hetgeen in zo’n geval niet ongebruikelijk is) de temperatuur voor en tijdens het laden te controleren.

Door gedaagden is voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat de beschadiging aan de aardbeien een gevolg kan zijn van één van de omstandigheden zoals genoemd in artikel 17 lid 4 sub d CMR. Vast staat immers dat de aardbeien door 5 afzonderlijke transporteurs zijn vervoerd, dat alle chauffeurs afzonderlijk van elkaar (aan de deskundigen van de twee expertise bureau’s) hebben verklaard dat het beladen 4 à 5 uur heeft geduurd (met open deuren), dat de aardbeien vers van het land werden aangeleverd, verwerkt en slechts kort werden ingevroren en dat die procedure volgens de (eerdergenoemde) deskundigen de oorzaak kan zijn van de opdooischade (waarvan in alle gevallen sprake is geweest), terwijl onweersproken is dat de experts hebben geconstateerd dat de koelinstallaties van alle vrachtauto’s naar behoren hebben gefunctioneerd. In dit geval is het aan Amev als rechthebbende in de zin van artikel 18 lid 2 CMR te bewijzen dat de schade niet door één van deze gevaren (zoals genoemd in artikel 17 lid 4 sub d) is veroorzaakt. Dit betekent dat Amev in beginsel in de gelegenheid gesteld zal worden te bewijzen dat de schade aan de aardbeien niet door een omstandigheid voorafgaand aan het transport is ontstaan.”

3.2 Naar het oordeel van het hof heeft Amev deze rechtsoverweging 4.1 uit het tussenvonnis van de rechtbank van 13 augustus 2003 in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden. Voorzover Amev wel bedoeld heeft te grieven tegen deze overweging, faalt deze grief, omdat het hof het geheel eens is met rechtsoverweging 4.1 van het vonnis van de rechtbank van 13 augustus 2003. Tegen deze achtergrond zal het hof de grieven behandelen.

3.3 Voorzover Amev met grief I bedoeld heeft op te komen tegen de afwijzing van de vermeerdering van eis die is vervat in de rolbeslissing van de rechtbank van 4 mei 2005, is Amev niet-ontvankelijk in haar beroep, nu volgens art. 130, lid 2, Rv. tegen een dergelijke beslissing geen hoger beroep openstaat en geen gronden zijn aangevoerd die dit verbod tot het instellen van hoger beroep doorbreken.

3.4 Voorzover Amev in grief I er een beroep op doet dat de vervoerders voorafgaand aan het vervoer bijzondere instructies zouden hebben ontvangen, faalt dit beroep, aangezien Amev niet heeft onderbouwd wanneer, door wie en op welke wijze deze bijzondere instructies zouden zijn gegeven. Met name heeft Amev niet gesteld dat aan de vervoerder de bijzondere instructie is gegeven de temperatuur van de aardbeien bij de inlading op te meten. Een te hoge temperatuur bij inlading is een verantwoordelijkheid van de afzender en niet van de vervoerder. Door dit gebrek aan onderbouwing komt het hof niet toe aan bewijslevering.

3.5 Anders dan Amev stelt, heeft de getuige Van Ouwerkerk ook niet verklaard over bijzondere instructies. De vergelijking met het geval van het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 27 november 1997, S&S 1999, 102 gaat niet op. In het geval van het vonnis van 27 november 1997 was er sprake van bijzondere instructies, terwijl daar in het onderhavige geval geen sprake van is. Hetgeen Amev verder heeft aangevoerd ter toelichting op grief I, leidt er niet tot dat grief I gegrond is. Grief I faalt.

3.6 Grief II klaagt over de motivering van het oordeel van de rechtbank dat Amev niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Naar aanleiding van hetgeen Amev ter toelichting op de grief heeft gesteld, overweegt het hof het volgende. Zoals hierboven reeds is overwogen, gaat het hof uit van de juistheid van rechtsoverweging 4.1 van het tussenvonnis van 13 augustus 2003. Van bijzondere instructies aan de chauffeurs in dit geval is niet gebleken. Met name is niet gebleken van een bijzondere instructie om de temperatuur van de aardbeien bij de inlading op te meten. Van Ouwerkerk, die niet bij de belading aanwezig is geweest, heeft weinig relevants uit eigen wetenschap over het onderhavige geval kunnen verklaren. Amev heeft aangevoerd dat de chauffeurs onder de gegeven door henzelf voorgedragen omstandigheden om nadere instructies hadden moeten vragen. De toestand van de goederen op het moment dat zij ten vervoer worden aangeboden, is echter een verantwoordelijkheid van de afzender en niet van de vervoerder. Het lag dan ook op de weg van de afzender om nadere instructies te geven en niet op de weg van de vervoerder om om nadere instructies te vragen. Gezien de geringe hoeveelheid bewijs die Amev heeft bijgebracht, acht het hof de motivering van de rechtbank van het oordeel dat Amev niet in haar bewijsopdracht is geslaagd, voldoende. Grief II faalt.

3.7 In grief III voert Amev aan, dat de rechtbank had moeten overwegen, dat de afzender de mogelijkheid is onthouden om de vervoerders van nadere instructies te voorzien, nl. om te wachten met belading totdat de goederen voldoende diepgevroren waren. Naar het oordeel van het hof blijkt uit niets dat de afzender de mogelijkheid is onthouden om te wachten met belading. De door de chauffeurs geconstateerde omstandigheden waren ook, en zelfs nog beter kenbaar voor de aflader die de afzender vertegenwoordigt, dan voor de chauffeurs. Kennelijk heeft de vertegenwoordiger van de afzender besloten om niet te wachten totdat de goederen voldoende diepgevroren waren. Dat is een beslissing van de vertegenwoordiger van de afzender conform de verantwoordelijkheid van de afzender. De afzender kan de verantwoordelijkheid voor deze eigen beslissing niet in de schoenen van de vervoerder schuiven. Grief III faalt.

3.8 In grief IV voert Amev aan, dat de vervoerders, hoewel in de vrachtbrief stond dat het ging om vervoer van diepgevroren aardbeien, zojuist van het land komende aardbeien niet hadden mogen meenemen. Volgens Amev hebben de vervoerders daarmee in strijd met hun plicht uit de vervoersovereenkomst gehandeld om diepgevroren aardbeien te vervoeren. Volgens Amev zou de afzender niet gevraagd hebben om het vervoer van aardbeien die zojuist van het land kwamen. Het hof deelt dit oordeel niet. De onderzoeksplicht van de vervoerder is slechts beperkt tot de juistheid van de vermeldingen in de vrachtbrief met betrekking tot het aantal colli en hun merken en nummers en de uiterlijke staat van de goederen en hun verpakking. Het is juist de vertegenwoordiger van de afzender geweest die besloten heeft om zojuist van het land gekomen aardbeien ten vervoer aan te bieden. Voor deze beslissing is de afzender en niet de vervoerder verantwoordelijk. Grief IV faalt.

3.9 Grief V gaat uit van de stelling dat de aardbeien te warm zijn ingeladen. De toestand van de goederen voorafgaand aan de inlading is een verantwoordelijkheid van de afzender en niet van de vervoerder. Deze leidt niet tot een vordering tegen de vervoerder wegens wanprestatie of onrechtmatige daad. Grief V faalt.

3.10 In grief VI voert Amev aan dat vervoerders ter plaatse van de inontvangstname van goederen als enige de belangen van de afzender kunnen en moeten behartigen. Deze stelling is onjuist. Bij de inontvangstname van de goederen is degene die de goederen ter ontvangst aanbiedt, degene die de belangen van de afzender behartigt. Ook hetgeen Amev verder ter toelichting op grief VI aanvoert, is niet gegrond. Grief VI faalt.

3.11 In grief VII voert Amev aan dat volgens het rapport van Expertisebureau Arntz/Versnel alle drie chauffeurs onafhankelijk van elkaar exact hetzelfde verhaal vertelden over de wijze waarop de aardbeien zijn geladen, nl. terwijl de deuren van de trailers openstonden, het aggregaat was uitgeschakeld en er verse aardbeien vrijwel onmiddellijk nadat deze in opslag in de vriescel waren opgenomen, in de wagens werden geplaatst. Amev wijst erop dat in dit rapport staat dat deze werkwijze als volstrekt onjuist van de hand moet worden gewezen en dat het de vervoerder(s) kan worden verweten dat er geen bemerkingen voor een onjuiste temperatuur werden gemaakt. Amev wijst erop dat steeds dan wordt aangegeven dat er een duidelijk voor een ieder en zeker voor de chauffeurs kenbare fout in het aanleveren van de goederen was. Volgens Amev had de rechtbank dus in elk geval moeten oordelen dat er sprake was van een schending van de zorgplicht en zou zulks minimaal moeten leiden tot een verdeling van de schade over vervoerder en ladingbelanghebbende.

3.12 Naar het oordeel van het hof zijn de door Amev genoemde omstandigheden voor verantwoordelijkheid van de afzender. Door het niet vermelden van deze omstandigheden door de chauffeurs op de vrachtbrief wordt de vervoerder niet aansprakelijk voor deze omstandigheden die tot de verantwoordelijkheid van de afzender behoren. Er is niet bewezen dat de schade aan de aardbeien niet is ontstaan door een omstandigheid voorafgaand aan het transport. Er is geen grond voor verdeling van de schade. Grief VII faalt.

3.13 Voorzover Amev in de hierboven behandelde grieven in plaats van de afzender de geadresseerde bedoeld mocht hebben, overweegt het hof het volgende. De geadresseerde heeft de mogelijkheid gehad om aan de vervoerder de instructie te geven de temperatuur van de aardbeien bij inlading te controleren en van de mogelijkheid om een dergelijke instructie te geven heeft de geadresseerde nu eenmaal geen gebruik gemaakt. Bovendien is de temperatuur van de aardbeien voorafgaand aan de inlading niet een verantwoordelijkheid van de vervoerder.

3.14 Amev biedt aan Van Ouwerkerk wederom als getuige te laten horen, die kan verklaren over de vaste instructies die bij Hercotrans golden – die dus onderdeel van de overeenkomst uitmaakten -, het gebruik bij dit soort vervoer in de relatie ladingbelanghebbenden-vervoerders om met elkander te overleggen indien zich situaties als de onderwerpelijke voordoen, waaruit dan als vaststaand kan worden aangenomen dat de geïntimeerden zich niet aan de gegeven instructies/ de vervoerovereenkomst hebben gehouden en/of niet om instructies hebben gevraagd, terwijl zij daartoe zo niet uitdrukkelijk dan wel expliciet op basis van het specifieke vervoerrecht en/of het commune recht verplicht waren.

3.15 Het hof overweegt dat voorzover Amev stelt dat er specifieke instructies bestonden, deze stelling onvoldoende is onderbouwd, nu Amev niet aangeeft wanneer, door wie en op welke wijze deze bijzondere instructies gegeven zouden zijn. De andere punten waarover Amev Van Ouwerkerk opnieuw als getuige wil laten horen, zijn voor deze zaak niet relevant. Het hof gaat dan ook voorbij aan het bewijsaanbod van Amev.

3.16 De grieven falen. Het hof zal Amev niet-ontvankelijk verklaren in het beroep tegen de bestreden rolbeslissing en het bestreden eindvonnis bekrachtigen. Het hof zal Amev als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

4. Beslissing

Het hof:

verklaart AMEV niet-ontvankelijk in het beroep tegen de rolbeslissing van de Rechtbank Middelburg van 4 mei 2005;

bekrachtigt het eindvonnis van de Rechtbank Middelburg van 15 juni 2005;

veroordeelt Amev in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Van Seumeren tot aan deze uitspraak begroot op € 3.122,-, waarvan € 2.490,- aan griffierecht en € 632,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt Amev in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Herco Trans tot aan deze uitspraak begroot op € 4.121,-, waarvan € 2.490,- aan verschotten en € 1.631,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, J.E.H.M. Pinckaers en R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.