Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6581

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
105.007.220/01 / KG 07/999 (oud)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Executie buitenlands vonnis van levenslange gevangenisstraf. Vordering tot op jaren stelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.220/01

Rolnummer (oud) : 07/1355 KG

Rolnummer rechtbank : KG 07/999

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 5 juni 2008

inzake

[Naam],

verblijvende te Zoetermeer,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. J.A.M.A. Sluysmans,

tegen

DE STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Justitie),

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. F.W. Bleichrodt.

Het geding

Bij exploot van 5 november 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 8 oktober 2007, door de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage gewezen tussen partijen. Daarbij heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, waarnaar hij bij conclusie van eis in appel met produkties (met producties) heeft verwezen. De Staat heeft bij memorie van antwoord (met producties) de grieven bestreden. Ten slotte heeft [appellant] de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In deze zaak kan van het volgende worden uitgegaan. [appellant] is op 28 juli 1994 door het Landgericht Frankfurt am Main (Duitsland; hierna: Landgericht) veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. De rechtbank Rotterdam heeft naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek de tenuitvoerlegging van deze rechterlijke beslissing in Nederland toelaatbaar verklaard en verlof verleend voor levenslange gevangenisstraf. De Hoge Raad heeft het beroep daartegen van [appellant] verworpen. Nadat de minister van Justitie (verder: de Minister) drie eerdere namens [appellant] gedane gratieverzoeken had afgewezen, is voor hem op 15 februari 2007 opnieuw een gratieverzoek ingediend. In het kader van de behandeling daarvan heeft de Minister bij brief van 3 augustus 2007 aan [appellant] meegedeeld dat het openbaar ministerie, alvorens advies uit te brengen, nadere informatie zou gaan inwinnen bij de Duitse autoriteiten. De Minister heeft nog niet op het gratieverzoek beslist.

2. [appellant] heeft bij de rechtbank in hoofdzaak primair gevorderd dat deze zal bepalen dat de v.i.-datum van [appellant] wordt vastgesteld op 22 mei 2007, en de Staat zal bevelen hem onmiddellijk in vrijheid te stellen, en subsidiair zal bepalen dat [appellant] “op jaren wordt gesteld”. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen.

3. De eerste grief klaagt over de overweging van de rechtbank dat de vaststelling van [appellant] na 15 jaar detentie op jaren zou zijn gesteld geen strafverzwaring betekent, omdat de rechtbank het, gelet op de overweging van het Landgericht dat de schuld van [appellant] bijzonder zwaar weegt, niet waarschijnlijk heeft geacht dat hij op 22 mei 2007 in vrijheid zou zijn gesteld. [appellant] brengt naar voren dat de rechtbank daarmee een verkeerde maatstaf aanlegt, omdat reeds de onduidelijkheid over de strafduur voor hem een verzwaring oplevert van zijn strafrechtelijke positie en dat ingevolge jurisprudentie van de Hoge Raad reeds de enkele mogelijkheid van een verzwaring van de strafrechtelijke positie moet worden uitgesloten. De tweede grief valt de overweging van de rechtbank aan dat grote terughoudendheid moet worden betracht bij het vooruitlopen op de beslissing op het gratieverzoek. [appellant] is van mening dat uit de jurisprudentie van het EVRM-Hof volgt dat de rechter verplicht is tot volle beoordeling van de vraag of de strafrechtelijke positie is verzwaard en van de noodzaak tot continuering van de gevangenisstraf.

4. De Staat heeft bij memorie van antwoord drie producties in het geding gebracht, waaronder de correspondentie met het Ministerie van Justitie van Hessen met een brief van 15 november 2007 van het Ministerie van Justitie van het Duitse Land Hessen aan het Ministerie van Justitie waarin staat dat een voorwaardelijke invrijheidstelling op zijn vroegst na ongeveer 18 jaren zou kunnen plaatsvinden. Daarop heeft [appellant] nog niet kunnen reageren. Het hof zal de zaak naar de rol verwijzen om hem in de gelegenheid te stellen dat bij akte te doen. Elke verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

Het hof

- verwijst de zaak naar de rol van 26 juni 2008 teneinde [appellant] in de gelegenheid te stellen dan bij akte te reageren op de producties die de Staat bij memorie van antwoord in het geding heeft gebracht;

- houdt elke verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.H. de Wild, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2008 in aanwezigheid van de griffier.