Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6501

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-06-2008
Datum publicatie
08-07-2008
Zaaknummer
105.011.527/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Huwelijksvermogensregime; internationale aspecten artikel 21 Haags Huwelijks Vermogens Verdrag. Achtereenvolgens Turks en Nederlands recht van toepassing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/25
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 juni 2008

Zaaknummer : 105.011.527/01

Rekestnummers : 958-R-07 en 959-R-07

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 06-2241 en F1 RK 07-49

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[verweerster],

zonder bekende woon of verblijfplaats,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. S. de Kluiver.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 10 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2007.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 8 augustus 2007 en 1 april 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 3 april 2008 op voorhand een pleitnotitie ingekomen.

Op 11 april 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. S.M.P.T. Ruijs-Kreté, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. V. Vos. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

Voor de vrouw is als tolk in de Turkse taal verschenen, de heer S. Yeltekin.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is – voor zover in hoger beroep van belang – de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld op € 1.390,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, voor het eerst op de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts is het verzoek, om vast te stellen dat van 28 augustus 1998 tot 11 juni 2001 het Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime en vanaf 11 juni 2001 het Nederlands recht, almede het zelfstandige verzoek van de man te bepalen dat tot de te ontbinden huwelijksgemeenschap van partijen de door de man opgevoerde schulden behoren, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 9 augustus 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw, haar behoeftigheid en de draagkracht van de man. Voorts is in geschil welk recht van toepassing is op het huwelijksgoederenregime van partijen en de vermogensafwikkeling.

2. De man verzoekt het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud af te wijzen, althans een bijdrage vast te stellen die in overeenstemming is met haar behoeftigheid en zijn draagkracht. Tevens verzoekt de man te bepalen dat tot de (ontbonden) huwelijksgemeenschap van partijen op grond van Nederlands huwelijksvermogensrecht de schulden genoemd onder punt 10 a tot en met f van het onderhavige appelschrift behoren.

3. De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. De man stelt dat tot 7 juni 2001 Turks recht van toepassing is, maar daarna Nederlands recht, nu de vrouw zich op die datum bij hem in Nederland heeft gevestigd en artikel 7 lid 2 onder 3 van het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 1978 alsdan van toepassing is.

4. De vrouw betwist de stelling van de man en stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat Turks recht van toepassing is.

5. Het hof oordeelt als volgt. Partijen zijn op 28 augustus 1998 in Turkije gehuwd. Beide partijen hebben uitsluitend de Turkse nationaliteit. De man woonde ten tijde van de huwelijkssluiting reeds in Nederland en de vrouw heeft zich op 7 juni 2001 in Nederland gevestigd. Als onweersproken is vast komen te staan dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt. Nu partijen zijn gehuwd in 1998 is het Haags Huwelijksvermogensverdrag op basis van artikel 21 van toepassing. Gelet op het feit dat partijen geen rechtskeuze hebben gemaakt en de vrouw eerst op 7 juni 2001 zich in Nederland bij de man heeft gevestigd, is naar het oordeel van het hof artikel 4 lid 2 sub 3 van toepassing. Dit houdt in dat het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van partijen, zijnde de Turkse, van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Echter, op het moment dat de vrouw zich in Nederland vestigde, is op grond van artikel 4 lid 2 sub 3 juncto artikel 7 lid 2 sub 3 van het verdrag, Nederlands recht van toepassing geworden.

6. Het hof is van oordeel dat uit het vorenstaande volgt dat tot 7 juni 2001 Turks recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime van partijen. Met ingang van 7 juni 2001 is daarop Nederlands recht van toepassing. Dit houdt in dat tot het moment dat op 7 juni 2001 het toepasselijke recht is gewijzigd, de aanwezige schulden en baten worden beheerst door het toepasselijke Turkse recht ex artikel 4 van het verdrag, op grond waarvan zij buiten de huwelijksgemeenschap blijven. De na voornoemde datum verkregen baten en lasten vallen echter onder het Nederlandse huwelijksvermogensrecht en dus binnen de sinds 7 juni 2001 bestaande gemeenschap van goederen.

7. De man heeft de navolgende schulden opgevoerd:

a) lening van ƒ 27.500,- bij de vader van de man, aangegaan op 29 juli 2000;

b) lening van € 7.000,- bij [naam], aangegaan op 6 juni 2002;

c) lening van € 30.000,- bij [naam], aangegaan op 26 juli 2003;

d) schuld aan de Belastingdienst ter zake aanslagen over de jaren 2003 en verder, alsmede een aanslag uit 2006 ter grootte van € 2.221,-;

e) lening van € 5.000,- bij [werkgever], aangegaan op 23 november

2006;

f) lening van € 5.000,- bij [naam], aangegaan op 15 februari 2007;

g) lening van € 2.000,- bij [naam], aangegaan op 11 mei 2007.

8. De vrouw heeft alle opgevoerde schulden betwist. Ten aanzien van de schulden onder b en c betwist de vrouw het bestaan daarvan. Ten aanzien van de belastingschuld stelt de vrouw dat daarvan niets is gebleken. Wat betreft de lening hiervoor vermeld onder e betwist de vrouw dat deze schuld in de huwelijksgemeenschap valt. Ten aanzien van de schuld onder f stelt de vrouw dat niet duidelijk is waarvoor deze lening is afgesloten en dat het een schuld betreft die na de aanvang van de onderhavige procedure is afgesloten.

9. Het hof oordeelt als volgt. Nu de lening bij de vader van de man is afgesloten vóór 7 juni 2001 en hierop Turks recht van toepassing is en er vóór die datum geen sprake is van een huwelijksgoederengemeenschap, komt deze schuld naar Turks huwelijksvermogensrecht voor rekening van de man. Voorzover nadien, en voor de datum van ontbinding van het huwelijk, schulden zijn aangegaan, zijn dit in beginsel lasten die tot de huwelijksgemeenschap behoren.

10. De man heeft ter zitting een toelichting gegeven over de wijze waarop de schulden zijn ontstaan. Ook in punt 11 en 12 in het appelschrift heeft de man een toelichting gegeven op de schulden. Door de man is eveneens een aantal producties in het geding gebracht met betrekking tot de schulden. Wat de exacte hoogte is van de schulden op het moment van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap, kan het hof echter niet vaststellen. Dat er een groot aantal schulden is acht het hof op basis van de door de man in het geding gebrachte bescheiden wel aannemelijk. Het hof is van oordeel dat de schulden die zijn ontstaan na 7 juni 2001, in beginsel verhaalbaar zijn op de voormalige huwelijksgoederengemeenschap.

11. De man stelt in grief 2 dat de rechtbank bij het becijferen van de behoefte van de vrouw ten onrechte geen rekening houdt met de in redelijkheid door de vrouw te verwerven eigen inkomsten. De man voert hiertoe aan dat hoewel de vrouw onvoldoende geïntegreerd is in de Nederlandse samenleving, hij er wel op aangedrongen heeft dat de vrouw een inburgeringscursus zou gaan volgen, zich de Nederlandse taal eigen zou maken en een opleiding zou volgen. Dat zij dit alles niet of onvoldoende heeft gedaan kan de man niet worden verweten. De man betoogt dat de vrouw jong is, geen zorg voor kinderen heeft en er geen medische beperkingen zijn die haar verhinderen te werken. Ondanks het feit dat de vrouw de Nederlandse taal onvoldoende beheerst kan zij volgens de man in ieder geval schoonmaakwerkzaamheden verrichten of in de horeca werken.

12. De vrouw betwist dat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien en voert daartoe aan dat het door haar gebrek aan opleiding moeilijk is de Nederlandse taal te leren en zich in de Nederlandse samenleving te handhaven. Thans is de vrouw, onder begeleiding van Vrouwenopvang [*], bezig basale dingen te leren, zoals bijvoorbeeld koken, wassen, post doornemen en instanties bezoeken. Op dit moment, zo stelt de vrouw, is zij nog niet in staat zich op de arbeidsmarkt te begeven.

13. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de vrouw geen opleiding heeft genoten, zij de Nederlandse taal niet beheerst en overigens nauwelijks is geïntegreerd in de Nederlandse samenleving. Voorts is ter zitting gebleken dat de vrouw recent met de inburgeringscursus is gestart. Verder wordt de vrouw thans begeleid door Vrouwenopvang [*] en het CIZ, teneinde zelfstandig te kunnen functioneren. Het hof is van oordeel dat genoegzaam is gebleken dat de vrouw, gelet op het vorenstaande, thans niet in staat is in haar eigen levensonderhoud te voorzien. Zodoende heeft de vrouw behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud ten laste van de man. Derhalve faalt grief 2.

14. De strekking van de derde grief is dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de man voldoende draagkracht heeft om een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 1.390,- per maand. De man voert hiertoe het navolgende aan. De rechtbank is uitgegaan van de jaaropgave 2006 en heeft daarbij ten onrechte rekening gehouden met een 13e maand. Het betreft volgens de man slechts een éénmalige uitkering van zijn werkgever, teneinde hem in staat te stellen aan zijn aflossings- en onderhoudsverplichting te voldoen. De man stelt dat na aftrek van de 13e maand een bruto inkomen van € 47.249,34 resteert en dat met dit inkomen rekening gehouden dient te worden. Voorts stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de aflossing van de schulden, welke hiervoor zijn vermeld onder rechtsoverweging 7. De man stelt de navolgende maandelijks aflossingsbedragen:

a) € 90,76 op de lening van ƒ 27.500,- bij de vader van de man;

b) € 56,25 op de lening van € 7.000,- bij [naam];

c) € 365,- op de lening van € 30.000,- bij [naam];

d) € 200,- op de schuld aan de Belastingdienst;

e) € 200,- op de lening van € 5.000,- bij [werkgever];

f) € 250,- op de lening van € 5.000,- bij [naam];

g) € 200,- op de lening van € 2.000,- bij [naam].

15. De man stelt voorts de navolgende maandelijkse lasten:

- € 354,66 huur;

- € 120,70 premie zorgverzekering;

- € 34,- kosten in verband met het verblijf in Nederland van de ouders van de man bij de man.

16. De vrouw stelt dat de man niet heeft aangetoond dat hij geen 13e maand heeft. Voorts betwist de vrouw de door de man opgevoerde schulden, alsmede de kosten in verband met het verblijf van de ouders van de man in Nederland.

17. Het hof oordeelt als volgt. In appel heeft de man de jaaropgave over 2007 overgelegd. Ter zitting heeft de man verklaard dat de jaaropgave inclusief bijtelling van de auto van de zaak is, ten bedrage van € 4.576,-. Nu door de vrouw onvoldoende gemotiveerd is weersproken dat uitgegaan dient te worden van een jaarinkomen van € 49.924,- bruto, zoals blijkt uit de jaaropgave 2007, na vermindering van de bijtelling voor de auto van de zaak, zal het hof in het kader van de draagkracht van de man met dit inkomen rekening houden.

18. De vrouw heeft de woonlasten en de premie zorgverzekering niet betwist, zodat het hof hiermee rekening houdt. De vrouw heeft daarentegen de kosten in verband met het verblijf van de ouders van de man in Nederland betwist. Het hof houdt geen rekening met de kosten van de ouders van de man, voorzover deze niet zijn begrepen in het bedrag dat het hof schat dat de man maandelijks aan aflossing dient te betalen.

19. Ten aanzien van de schulden oordeelt het hof als volgt. Het hof acht het door de man voldoende aannemelijk gemaakt dat er schulden zijn en dat hij daarop moet aflossen. De man stelt dat hij maandelijks een bedrag van € 1.372,- dient af te lossen op de schulden. Welk bedrag de man feitelijk maandelijks aflost, kan het hof wegens onvoldoende gegevens daarover, echter niet vaststellen. Het hof acht het, gelet op de financiële situatie van de man, begrijpelijk dat de man niet in staat is op alle schulden af te lossen en begroot derhalve de aflossing in alle redelijkheid op een bedrag van € 800,- per maand.

20. Het hof houdt in het kader van de draagkracht van de man voorts rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60%. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat de draagkracht van de man een partneralimentatie toelaat van € 735,- bruto per maand.

21. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 9 augustus 2007 op € 735,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de schulden zoals vermeld onder punt 10 a tot en met f van het appelschrift behoren tot de voormalige huwelijksgoederengemeenschap, voor zover de schulden op de datum van de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap nog niet waren betaald;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Pannekoek-Dubois en Mulder, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 juni 2008.