Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6484

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-07-2008
Datum publicatie
10-07-2008
Zaaknummer
105.012.860/01 (Rekestnummer oud: R08/431
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Arbeidsrecht, heropening ontbindingsprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0438
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.012.860/01

Rekestnummer (oud) : R08/431

Rekestnummer rechtbank : 208885 HA VERZ 08-15

beschikking van de negende civiele kamer d.d. 10 juli 2008

inzake

Oosterberg B.V.,

gevestigd te Zutphen,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: Oosterberg,

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

[Werknemer],

wonende te [Woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: [Werknemer],

procureur: mr. L.Ph.J. van Utenhove.

Het geding

Bij beroepschrift (met producties) ingekomen ter griffie op 19 maart 2008, is Oosterberg in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht op 4 maart 2008 tussen partijen gegeven. Op 20 maart 2008 heeft Oosterberg nog een productie in het geding gebracht. [Werknemer] heeft een verweerschrift ingediend. Op 20 juni 2008 is de zaak mondeling behandeld. Partijen hebben hun standpunten doen toelichten, Oosterberg door mr. C.J. Verhage, advocaat te Deventer (mede aan de hand van pleitaantekeningen) en [Werknemer] door mr. M.C. Hoogendam, advocaat te Leusden.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 [Werknemer] is op 1 november 2001 voor onbepaalde tijd in dienst getreden van Oosterberg in de functie van commercieel buitendienstmedewerker voor het opzetten van een vestiging van Oosterberg in Barendrecht.

1.2 Op 22 augustus 2007 heeft Oosterberg een verzoekschrift ingediend strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [Werknemer]. Op 18 oktober 2007 vond de mondelinge behandeling plaats, waarbij partijen overeenstemming hebben bereikt over de toe te kennen ontslagvergoeding.

1.3 Bij beschikking van 18 oktober 2007 gegeven door de rechtbank Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht is de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ontbonden met ingang van 1 november 2007, onder toekenning aan [Werknemer] van een vergoeding van € 65.772,-- bruto ten late van Oosterberg. De rechtbank overwoog daartoe onder meer:

"Verzoekende partij heeft zich bereid verklaard aan verwerende partij een vergoeding te betalen van € 65.772,00 bruto. Verzoekende partij doet bij toekenning van deze vergoeding afstand van de bevoegdheid het verzoek in te trekken, dan wel wordt geacht van die bevoegdheid afstand te hebben gedaan.

De door verzoekende partij aangeboden vergoeding komt de kantonrechter, gelet op de naar voren gebrachte feiten en omstandigheden, waaronder de duur van het dienstverband en de leeftijd van verwerende partij, billijk voor, zodat hierna dienovereenkomstig zal worden beslist. "

1.4 [Werknemer] is met ingang van 1 november 2008 in dienst getreden van Conelgro B.V. (verder: Conelgro) als vestigingsmanager van een nieuw op te zetten vestiging van Conelgro in Barendrecht.

1.5 Bij brief van 21 januari 2008 heeft de advocaat van Oosterberg de tussen partijen gemaakte afspraak voor wat betreft de overeengekomen vergoeding buitengerechtelijk vernietigd, stellende dat [Werknemer] bedrog heeft gepleegd door op 18 oktober 2007 enerzijds een onjuist beeld te presenteren ten aanzien van zijn arbeidsmarktperspectieven en anderzijds de op hem rustende informatieverplichting te hebben geschonden.

1.6 Op dezelfde datum heeft Oosterberg een verzoekschrift ingediend strekkende tot herroeping van de ontbindingsbeschikking ten aanzien van de daarbij toegekende vergoeding, althans in zijn geheel, wegens bedrog.

1.7 Bij de bestreden beslissing heeft de rechtbank het verzoek afgewezen, en heeft daarbij onder meer het volgende overwogen.

"Ter zitting van 18 oktober 2007 heeft de kantonrechter partijen meegedeeld dat gezien de verstoorde verhoudingen en het ontbreken van vertrouwen tussen partijen aan ontbinding van de arbeidsovereenkomst niet te ontkomen valt. Vervolgens heeft de kantonrechter de zitting geschorst en partijen in de gelegenheid gesteld in onderling overleg tot een regeling te komen. Partijen hebben na schorsing de kantonrechter meegedeeld dat zij een regeling hadden bereikt, onder meer inhoudende de bereidheid van Oosterberg aan [Werknemer] een vergoeding te betalen van € 65.772,00 bruto.

Wil het beroep op artikel 390 Rv kunnen slagen dan moet het bedrog van dien aard zijn dat, had de kantonrechter kennis gehad van de juiste feiten, hij anders zou hebben geoordeeld. Dat is in casu niet het geval, nu de kantonrechter zijn beslissing ter zake van de toegekende vergoeding heeft gegrond op de minnelijke regeling die partijen tijdens de schorsing van de zitting van 18 oktober 2007 hebben getroffen. Dat deze regeling wellicht niet tot stand zou zijn gekomen of met een andere uitkomst als Oosterberg had geweten van bedrog, wat daar verder ook van zij, doet daaraan niet af. De kantonrechter is niet geïnformeerd over de inhoud van de onderhandelingen tussen partijen en de overwegingen die hebben geleid tot de minnelijke regeling, enkel over het resultaat, en daarop is zijn beslissing gebaseerd. Indien Oosterber meent dat de minnelijke regeling berust op bedrog, staat het hem vrij die regeling buiten rechte dan wel in rechte te (doen) vernietigen."

2.1 Oosterberg meent dat de kantonrechter aldus ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 390 Rv, hetgeen ertoe zou moeten leiden dat zij – ondanks het appelverbod van artikel 388, lid 2 Rv – in haar hoger beroep kan worden ontvangen. Cassatieberoep tegen de beschikking van de kantonrechter acht Oostenberg bij voorbaat kansloos, omdat de Hoge Raad in een cassatieberoep op grond van artikel 80, lid 1 RO, niet zou mogen treden in de rechtsopvatting van de kantonrechter.

2.2 Het hof overweegt als volgt.

Artikel 382 Rv luidt voor zover in deze van belang:

"Een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, kan op voordering van een partij worden herroepen indien:

a. het berust op bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd, (…)"

Artikel 387 Rv luidt voor zover in deze van belang:

"De rechter die de voor heropening aangevoerde grond of gronden juist bevindt, heropent het geding geheel of gedeeltelijk. (…)"

Artikel 388 lid 2 Rv luidt voor zover in deze van belang:

"De beslissing inzake de heropening van het geding is niet vatbaar voor hoger beroep. (…)"

Artikel 390 Rv luidt voor zover in deze van belang:

"Een beschikking kan op verzoek van de oorspronkelijke verzoeker (…) worden herroepen op de gronden genoemd in artikel 382, tenzij de aard van de beschikkinng zich daartegen verzet.

Artikel 391 Rv luidt:

"De artikelen 382 tot en met 384 en 386 tot en met 389 zijn van overeenkomstige toepassing."

2.3 De bestreden beschikking betreft een weigering het geding op de voet van 387 Rv te heropenen. Volgens artikel 388, lid 2 Rv is een dergelijke beslissing niet vatbaar voor hoger beroep. Volgens Oosterberg is echter sprake van een doorbrekingsgrond, omdat – zo begrijpt het hof – de rechtbank een te beperkt begrip van "bedrog door de wederpartij in het geding gepleegd" heeft gehanteerd en daardoor de artikelen 387 Rv en 390 Rv ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten. De hiervoor in r.o. 1.7 weergegeven overweging van de rechtbank beginnend met de woorden "Wil het beroep op artikel 390 Rv kunnen slagen", geeft echter aan dat de rechtbank inhoudelijk heeft getoetst of in het onderhavige geval sprake was van bedrog in de zin van artikel 382 Rv. Zij heeft deze vraag vervolgens ontkennend beantwoord, op grond waarvan zij niet tot heropening van de procedure is overgegaan. Dit betekent dat de bestreden beslissing een beslissing betreft als bedoeld in artikel 388, lid 2 Rv en geen beslissing is die betrekking heeft op een voorvraag. De enkele omstandigheid dat de rechtbank – gelet op HR 19-12-2003, LJN: AN7890 – bij haar beslissing een te beperkt begrip van bedrog in de zin van artikel 382, aanhef en onder a Rv heeft gehanteerd, doet hieraan niet af.

2.3 Dit betekent dat – daargelaten of niet de beperkte cassatiemogelijkheid van artikel 80 Rv in de weg staat aan doorbreking van het appelverbod – het hoger beroep van Oosterberg strandt.

2.4 Ten overvloede en ter voorlichting van partijen overweegt het hof, dat de door de rechtbank gedane suggestie van vernietiging van de minnelijke regeling (daargelaten dat vernietiging al buitengerechtelijk had plaatsgevonden), niet tot het gewenste resultaat kan leiden, nu het gesloten stelsel van in de wet geregelde rechtsmiddelen meebrengt dat een onjuiste rechterlijke uitspraak niet anders dan door het aanwenden van een rechtsmiddel kan worden aangetast en dat ook indien geen rechtsmiddel beschikbaar is, de uitspraak tussen partijen rechtskracht heeft (HR 27-1-1989, LNJ: AD0608).

2.5 Het vorenstaande betekent dat het hoger beroep faalt. Oosterberg zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof

- verwerpt het hoger beroep van Oosterberg;

- veroordeelt Oosterberg in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Werknemer] worden bepaald op € 254,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris voor de procureur.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.J. van der Ven, V. Disselkoen en G.H. Bunt en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 juli 2008 in aanwezigheid van de griffier.