Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6339

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
BK-08/00021
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem betaalde bedragen zijn bestemd voor slechts twee van de vijf kinderen. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat de door hem betaalde bedragen feitelijk worden aangewend voor de vijf kinderen gezamenlijk. Alsdan wordt niet voldaan aan de wettelijke vereisten welke de wetgever voor de persoonsgebonden aftrek heeft gesteld, in het bijzonder het minimumbedrag van € 386 dat per ondersteunde per kwartaal dient te zijn betaald (artikel 6.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001). Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1468
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-08/00021

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 27 juni 2008

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 30 november 2007, nr. AWB 07/3121 IB/PVV, betreffende na te noemen aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1 Aan belanghebbende is, met dagtekening 22 december 2006, voor het jaar 2004 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.505, met verrekening van voorheffingen.

1.2 Bij uitspraak van 14 maart 2007 heeft de Inspecteur het bezwaar van belanghebbende tegen de aanslag afgewezen.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 13 juni 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende is geboren op 28 december 1963. Hij is gehuwd met mevrouw P (hierna: de partner).

3.2 Belanghebbende heeft over het jaar 2004 aangifte voor de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.865. In zijn aangifte heeft belanghebbende een bedrag van € 2.640 vermeld als persoonsgebonden aftrek ter zake van levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar voor wie geen recht op kinderbijslag of studiefinanciering bestond.

3.3 De partner is moeder van de hiernavermelde kinderen, die allen woonachtig zijn in de Filippijnen:

- Kind 1, geboren op [dag en maand] 1977

- Kind 2, geboren op [dag en maand] 1980

- Kind 3, geboren op [dag en maand] 1984

- Kind 4, geboren op [dag en maand] 1986

- Kind 5, geboren op [dag en maand] 1987.

Deze kinderen zijn geboren uit een eerdere relatie van de partner.

3.4 Tot de gedingstukken behoort een brief van belanghebbende van 18 oktober 2006, waarin hij, naar aanleiding van een vragenbrief van de Inspecteur, vermeldt dat de gevraagde aftrek betrekking heeft op drie kinderen van zijn partner die woonachtig zijn in de Filippijnen te weten: Kind 1, Kind 3 en Kind 5.

3.5 Belanghebbende heeft bij brief van 21 april 2008 nadere bescheiden uit de Filippijnen overgelegd waarin vermeld dat Kind 4 en Kind 5 geen inkomsten hebben genoten.

3.6 Voorts behoren tot de gedingstukken afschriften van stortingsbewijzen ter zake van overboekingen van geld van de Postbank/Western Union Money Transfer en GWK/Money- Gram Money Transfer aan geadresseerden Q en Kind 2. Blijkens de stortingsbewijzen is een bedrag van € 2.875,50 overgemaakt. Hiervoor is een bedrag van in totaal € 314 aan kosten in rekening gebracht.

3.7 Belanghebbende heeft inkomensgegevens van de hiervoor onder 3.3 vermelde kinderen ingebracht. Een "notary public" heeft daartoe een schriftelijk verklaring met dagtekening 1 april 2008 verstrekt waaruit blijkt dat de hiervoor onder 3.3 vermelde kinderen geen inkomen van enige omvang hebben genoten. De Inspecteur is met belanghebbende van mening dat de voormelde vijf kinderen niet over eigen inkomsten beschikken.

3.8 Bij het beoordelen van de onderwerpelijke aangifte heeft de Inspecteur de gevraagde persoonsgebonden aftrek van € 2.640 geweigerd en heeft hij de aanslag vastgesteld naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.505.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is of belanghebbende recht heeft op de persoonsgebonden aftrek ter zake van uitgaven levensonderhoud van kinderen jonger dan 30 jaar, welke vraag belanghebbende bevestigend en de Inspecteur ontkennend beantwoordt.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen rusten verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1 Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vermindering van de aanslag tot een, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.865.

5.2 De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1 Belanghebbende op wie te dezen de bewijslast rust heeft, gelet, op de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, niet aannemelijk gemaakt dat de door hem betaalde bedragen zijn bestemd voor twee van de vijf kinderen. Belanghebbende heeft ter zitting erkend dat de door hem betaalde bedragen feitelijk worden aangewend voor de vijf kinderen gezamenlijk. Alsdan wordt niet voldaan aan de wettelijke vereisten welke de wetgever voor de persoonsgebonden aftrek heeft gesteld, in het bijzonder het minimumbedrag van € 386 dat per ondersteunde per kwartaal dient te zijn betaald (artikel 6.13, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 in samenhang met artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001).

6.2 Hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd kan niet tot een ander oordeel leiden.

6.3 Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, B. van Walderveen en E.M. Vrouwenvelder, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.