Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6332

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-06-2008
Datum publicatie
04-07-2008
Zaaknummer
BK-07/00222
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2010:BL6447, (Gedeeltelijke) vernietiging met verwijzen
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2010:BL6447
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Inspecteur heeft op grond van een op 9 mei 2003 aan hem gezonden controlerapport geconstateerd dat niet is voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet MRB, zijn gesteld. Op grond hiervan heeft hij, van oordeel zijnde dat de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor taxivervoer zodat ten onrechte een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is verleend, met toepassing van artikel 76, onderscheidenlijk artikel 77 van de Wet, aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en boete opgelegd.

Het Hof oordeelt dat artikel 76 van de Wet MRB een van artikel 20 van de Awr afwijkende regeling is voor een specifieke situatie als de onderhavige. Mitsdien kan de Inspecteur op grond van dat artikel in beginsel een naheffingsaanslag opleggen.

Het Hof oordeelt voorts dat de regeling van artikel 76 meebrengt dat de periode waarover motorrijtuigenbelasting kan worden nageheven, anders dan indien de onderhavige naheffingsaanslag met toepassing van artikel 20 van de Awr had kunnen worden opgelegd, eindigt met het tijdvak van drie maanden waarin de waarneming (constatering) van het tot naheffing aanleiding gevende feit heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het naheffingstijdvak in het onderhavige geval niet eerder kan aanvangen dan met 10 mei 2002.

De bewoordingen van het eerste en het tweede lid van artikel 76 van de Wet geven naar het oordeel van het hof te weinig ruimte voor de door de Inspecteur in zijn pleitnota weergegeven uitleg die er in resulteert dat de naheffingsaanslag, zoals deze ambtshalve is verminderd tot een die ziet op de periode van 8 november 1999 tot en met 10 april 2000, op dat artikel kan berusten.

De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. Hetzelfde geldt dan voor de boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1478
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector belasting

Nummer BK-07/00222

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer d.d. 27 juni 2008

op het hoger beroep van X te Z tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 30 januari 2007, nr. AWB 06/8254, betreffende na te noemen naheffingsaanslag en boetebeschikking.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding voor de rechtbank

1.1 De Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst Centrale administratie, heeft aan belanghebbende een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting over het tijdvak van 8 november 1999 tot en met 10 oktober 2000 opgelegd ten bedrage van € 1.008.

1.2 Tegelijk met de naheffingsaanslag heeft de Inspecteur bij beschikking op de voet van de artikelen 67c en 67g, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), aan belanghebbende een boete opgelegd ten belope van € 1.008 (100 percent van de nageheven belasting).

1.3 Het aanslagbiljet waaruit van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking blijkt, is gedagtekend 21 juli 2003.

1.4 Bij twee in één geschrift verenigde uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot op € 504 (50 percent van de nageheven belasting).

1.5 Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep bij de rechtbank ingesteld. Het beroepschrift is op 12 september 2006 bij de rechtbank ingekomen.

1.6 Blijkens een brief van 4 december 2006 heeft de Inspecteur het tijdvak waarop de naheffing ziet beperkt tot de periode van 8 november 1999 tot en met 10 april 2000. In dit verband heeft hij ambtshalve de naheffingsaanslag verminderd tot op € 435 en de boete tot op € 217.

1.7 Bij de in de aanhef vermelde uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag gehandhaafd op het door de Inspecteur bij beschikking van 4 december 2006 vastgestelde bedrag van € 435, de verzuimboete gehandhaafd op het door de Inspecteur bij beschikking van 4 december 2006 vastgestelde bedrag van € 217, en de Staat gelast het griffierecht van € 38 aan belanghebbende te vergoeden.

Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 106. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 juni 2008, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, in hoger beroep het volgende komen vast te staan:

3.1 Volgens het kentekenregister was belanghebbende van 11 april 1997 tot en met 1 april 2001 houder van de personenauto, merk Mercedes, type 220 E sedan, met het kenteken AA-BB-00 (hierna: de personenauto). Belanghebbende gebruikte de personenauto voor zijn werkzaamheden als taxichauffeur, welke werkzaamheden hij voor eigen rekening en risico verrichtte. Op verzoek van belanghebbende is, met toepassing van artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet), hem voor de personenauto vrijstelling van motorrijtuigenbelasting verleend.

3.2 Op 10 september 2002 heeft de Belastingdienst Amsterdam bij belanghebbende een onderzoek ingesteld. Het rapport van dit onderzoek, gedateerd 9 mei 2003, behoort tot de gedingstukken. Blijkens het rapport is onderzocht of de verzoeken om teruggave van belasting op personenauto’s en motorrijwielen over de periode van 11 april 1997 tot en met 10 april 2000 betreffende de personenauto terecht zijn gehonoreerd. Wat betreft de inkomstenbelasting, de omzetbelasting en de premie voor de wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen is ook beoordeeld of aanleiding bestond voor correcties wegens privégebruik van de personenauto. De gevolgen voor andere belastingen zijn niet gecontroleerd. Het rapport is in afschrift gezonden aan de gemachtigde van belanghebbende en aan de Inspecteur.

3.3 De Inspecteur heeft op grond van het controlerapport geconstateerd dat niet is voldaan aan de eisen die bij of krachtens artikel 72, eerste lid, aanhef en onderdeel n, van de Wet, zijn gesteld. Op grond hiervan heeft hij, van oordeel zijnde dat de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor taxivervoer zodat ten onrechte een vrijstelling van motorrijtuigenbelasting is verleend, met toepassing van artikel 76, onderscheidenlijk artikel 77 van de Wet, aan belanghebbende de onderhavige naheffingsaanslag en boete opgelegd.

Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is of de naheffingsaanslag en de boete, zoals deze na ambtshalve vermindering door de Inspecteur door de rechtbank zijn gehandhaafd, terecht zijn opgelegd. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

5.1 Artikel 76 van de Wet komt er in essentie op neer dat de naheffingsaanslag wordt berekend over een tijdsduur van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin het tot naheffing aanleiding gevende feit is geconstateerd, behoudens voorzover de belastingplichtige overtuigend aantoont dat zich een van de in de Wet vermelde situaties heeft voorgedaan waarin evident is dat naheffing over de voorgeschreven periode onjuist zou zijn. Het betreft hier een praktische regeling voor de bewijsmoeilijkheden waarvoor de inspecteur zich ziet gesteld indien hij wil naheffen in situaties waarin op enig moment wordt geconstateerd dat in verband met de aard of het gebruik van een motorrijtuig geen of te weinig belasting is betaald, zonder dat kan worden vastgesteld sinds wanneer dat het geval is.

5.2 Artikel 76 van de Wet is een van artikel 20 van de Awr afwijkende regeling voor een specifieke situatie als de onderhavige. Mitsdien kan de Inspecteur, indien zijn in 3.3 vermelde oordeel juist is, met toepassing van artikel 76 van de Wet in beginsel een naheffingsaanslag opleggen.

5.3 Belanghebbende stelt – naar het Hof verstaat – primair dat de Inspecteur eerst op 9 mei 2003 bekend was met de inhoud van het controlerapport en baseert hierop zijn standpunt dat de naheffingsaanslag niet ziet op de door artikel 76, tweede lid, van de Wet, bedoelde periode van vier aaneensluitende tijdvakken van drie maanden met als laatste tijdvak dat waarin de Inspecteur heeft geconstateerd dat de personenauto niet geheel of nagenoeg geheel is gebruikt voor taxivervoer (welke constatering volgens belanghebbende overigens onjuist is).

5.4 De Inspecteur heeft te kennen gegeven dat de onderwerpelijke naheffingsaanslag berust op de inhoud van het controlerapport. Hij heeft niet bestreden dat hij daarvan niet eerder dan 9 mei 2003 kennis heeft genomen.

5.5 Naar het oordeel van het Hof brengt de regeling van artikel 76 mee dat de periode waarover motorrijtuigenbelasting kan worden nageheven, anders dan indien de onderhavige naheffingsaanslag met toepassing van artikel 20 van de Awr had kunnen worden opgelegd, eindigt met het tijdvak van drie maanden waarin de waarneming (constatering) van het tot naheffing aanleiding gevende feit heeft plaatsgevonden. Dit betekent dat het naheffingstijdvak in het onderhavige geval niet eerder kan aanvangen dan met 10 mei 2002.

5.6 De bewoordingen van het eerste en het tweede lid van artikel 76 van de Wet geven naar het oordeel van het hof te weinig ruimte voor de door de Inspecteur in zijn pleitnota weergegeven uitleg die er in resulteert dat de naheffingsaanslag, zoals deze ambtshalve is verminderd tot een die ziet op de periode van 8 november 1999 tot en met 10 april 2000, op dat artikel kan berusten.

5.7 Het vorenoverwogene betekent – daargelaten dat belanghebbende na 1 april 2001 geen houder meer was van de personenauto – dat de onderwerpelijke naheffingsaanslag niet ziet op een periode waarover ingevolge artikel 76, tweede lid, van de Wet een naheffingsaanslag aan belanghebbende kan worden opgelegd.

5.8 De naheffingsaanslag is derhalve ten onrechte opgelegd. Hetzelfde geldt alsdan voor de boete. Mitsdien kan de uitspraak van de rechtbank niet in stand blijven en moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende in hoger beroep heeft gemaakte. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op € 644 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (2 punten à € 322 x 1 (gewicht van de zaak)). Voor een hogere vergoeding of voor vergoeding van proceskosten die belanghebbende bij de rechtbank heeft gemaakt, acht het Hof geen termen aanwezig. Hierbij neemt het Hof in aanmerking hetgeen in de uitspraak van de rechtbank onder 2.17 is overwogen en het feit dat de gronden waarop het Hof de naheffingsaanslag en de boetebeschikking zal vernietigen door belanghebbende eerst in hoger beroep zijn voorgedragen.

6.2 Voorts dienen de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep gestorte griffierechten van € 38 respectievelijk € 106, in totaal € 144, aan belanghebbende te worden vergoed.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank,

- vernietigt de uitspraken op bezwaar,

- vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast de Staat de voor deze zaak in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van in totaal € 144 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. J.T. Sanders, U.E. Tromp en B. van Walderveen, in tegenwoordigheid van de griffier mr. R.W. Otto. De beslissing is op 27 juni 2008 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.