Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6136

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-06-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
105.012.074-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kostenveroordeling. Onhoudbare stellingen en stellingen in hoger beroep niet onderbouwd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 11 juni 2008

Rekestnummer : 1510-H-07

Zaaknummer : 105.012.074/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-7457

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. S. de Kluiver,

tegen

[geïntimeerde],

wonende op een geheim adres in het arrondissement [plaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. K. Aantjes.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 23 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 24 juli 2007 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De moeder heeft op 13 november 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 29 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 18 april 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de advocaat van de moeder mr. C.A.Th. Philipsen. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank, met wijziging in zoverre van haar beschikking van 23 april 2003, uitvoerbaar bij voorraad, de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) van de minderjarigen met ingang van 1 maart 2007 bepaald op € 131,-- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de wijziging van de kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarigen:

[kind 1], geboren in 1997 te [geboorteplaats], verder: [kind 1], en

[kind 2], geboren in 1998 te [geboorteplaats], verder: [kind 2], hierna ook gezamenlijk: de kinderen. De kinderen verblijven bij de moeder.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot wijziging (i.c. nihilstelling vanaf de aanvang) alsnog toe te wijzen, onder afwijzing van het verzoek van de moeder, althans een zodanige voorziening te treffen als het hof vermeent te behoren.

3. De moeder bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, dan wel het beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

Wijzigingsgrond

4. De vader stelt zich in hoger beroep op het standpunt, zoals toegelicht ter zitting, dat de echtscheidingsbeschikking van 23 april 2003 van de rechtbank ’s-Gravenhage betreffende een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen dient te worden gewijzigd, omdat deze uitspraak van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord doordat bij die uitspraak van onjuiste en onvolledige gegevens is uitgegaan. De vader voert hiertoe een viertal grieven aan.

5. In zijn eerste grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft gemeend dat hij bekend was met de echtscheiding en dat de echtscheiding niet op juiste wijze tot stand is gekomen, omdat de echtscheidingsbeschikking niet op juiste wijze aan hem is betekend.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de echtscheiding en de inschrijving daarvan in de registers van de burgerlijke stand wel op rechtsgeldige wijze tot stand zijn gekomen. De moeder voert hiertoe aan dat de vader zowel in de eerste als in de tweede echtscheidingsprocedure steeds is bijgestaan door een advocaat en dat de vader reeds eerder op de hoogte was van het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie. Daarnaast voert de moeder aan dat de vader gedurende de echtscheidingsprocedure zelfs expliciet en schriftelijk heeft verklaard dat hij zich neer zou leggen bij het oordeel van de rechter ter zake van de echtscheiding.

6. Het hof overweegt als volgt. De grief van de vader dat de echtscheiding niet op juiste wijze tot stand zou zijn gekomen onderbouwt op geen enkele wijze zijn stelling dat de uitspraak betreffende levensonderhoud van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Het maken van bezwaar tegen de wijze waarop de echtscheiding tot stand is gekomen, betreft een gepasseerd station en het voeren van een wijzigingsprocedure is daarvoor niet de aangewezen weg. Zoals het hof ook ter zitting aan de vader heeft medegedeeld, had de vader, indien hij bezwaar had tegen die beschikking, een gewoon rechtsmiddel tegen de beschikking van 23 april 2003 kunnen instellen. Dit heeft de vader nagelaten. Gebleken is dat de echtscheidingsbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan en gezag van gewijsde heeft gekregen. Artikel 1:401 lid 4 Burgerlijk Wetboek beoogt niet alsnog een heroverweging mogelijk te maken van hetgeen reeds bij gewijsde is beslist, voor zover die heroverweging haar grondslag vindt in klachten over de destijds gevoerde procedure. Artikel 1:401 lid 4 Burgerlijk Wetboek ziet op de mogelijkheid om wijziging van een uitspraak betreffende alimentatie te verzoeken, indien bij het vaststellen van de alimentatie is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens waardoor de alimentatie niet voldoet aan de wettelijke maatstaven. De eerste grief van de vader heeft hierop geen betrekking. Dit brengt mee dat de eerste grief van de vader niet slaagt.

7. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte zonder enige motivering zijn stelling dat destijds een onjuist Verdrag is toegepast, kennelijk heeft gepasseerd.

In de bestreden beschikking heeft de rechtbank – impliciet – Nederlands recht toegepast. Daartegen richt de grief van de vader zich niet. Voor zover de vader betoogt dat in de beschikking van 23 april 2003 ten onrechte [land van herkomst] recht is toegepast op de kinderalimentatie faalt deze grief, omdat dit oordeel kracht van gewijsde heeft verkregen. Hetzelfde geldt voor de stelling van de vader dat de rechtbank destijds niet tot een inhoudelijke beoordeling van het [land van herkomst] recht is overgegaan. De vader heeft toen geen verweer gevoerd. De vader zet niet uiteen tot welke beslissing de toepassing van [land van herkomst] recht in de beschikking destijds had moeten leiden, zodat deze grief faalt.

8. Ook de derde grief van de vader, waarin hij stelt dat destijds niet inzichtelijk is gemaakt op welke wijze [land van herkomst] recht is toegepast, aangezien een berekening naar Nederlands recht is gehanteerd, kan geen steun bieden voor zijn stelling. Ook voor deze grief geldt dat in onderhavige procedure Nederlands recht van toepassing is, zodat ook alleen naar Nederlands recht beoordeeld kan worden of sprake is van een situatie als bedoeld in voormeld artikel. Er is in deze procedure dan ook geen ruimte om bezwaar te maken tegen de beslissing en/of de overwegingen daartoe van de rechtbank van 23 april 2003 voor zover die niet zien op het gebruik van de gegevens voor de toepassing van de wettelijke maatstaven. Het hof herhaalt dat, voor zover de vader betoogt dat in de beschikking van 23 april 2003 de wettelijke maatstaven naar [land van herkomst] recht onjuist zijn toegepast, hij nalaat deze stelling te onderbouwen. Deze grief faalt derhalve.

9. In zijn vierde grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de moeder (in eerste aanleg) een zelfstandig verzoek tot verhoging van de alimentatie heeft gedaan en dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd.

De moeder heeft de stellingen van de vader betwist en aangevoerd dat de vader tijdig op de hoogte was van haar zelfstandig verzoek, dat de vader heeft nagelaten de door hem gestelde wijziging van omstandigheden te onderbouwen en dat hij, anders dan hij beweert, over voldoende draagkracht beschikt voor de alimentatie.

10. Het hof overweegt als volgt. Het eerste deel van de grief treft geen doel, aangezien de moeder zowel in het lichaam van haar verweerschrift als in het petitum expliciet een gemotiveerd verzoek tot verhoging van de alimentatie heeft gedaan. Het tweede deel van de grief, waarin de vader stelt dat hij wel een wijziging van omstandigheden heeft aangevoerd, namelijk dat hij van december 2002 tot 2005 zonder inkomen zat en dat hij vanaf 2006 slechts een bijstandsuitkering had, betreft het enige argument van de vader dat wel betrekking heeft op artikel 1:401 BW en dus steun zou kunnen bieden aan zijn stelling dat de alimentatie van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan. Nu de vader deze stelling ook in hoger beroep in het geheel niet, laat staan met bescheiden, heeft onderbouwd, noch heeft onderbouwd dat destijds van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, hetgeen in het licht van zijn stelplicht wel op zijn weg had gelegen, is het hof van oordeel dat ook de vierde grief van de vader ongegrond is.

Conclusie

11. De grieven van de vader treffen geen doel, ofwel hebben geen betrekking op de omstandigheden genoemd in artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek en zijn rechtens niet relevant, nu de echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Nu niet is gebleken dat zich een wijzigingsgrond voordoet als bedoeld in artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek, moet het beroep van de vader worden afgewezen. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden uitspraak dient te worden bekrachtigd.

Proceskosten

12. De moeder heeft verzocht de vader te veroordelen in de kosten van het geding. De vader heeft geen verweer gevoerd. Gelet op de wijze van procederen door de vader is het hof in onderhavig geval van oordeel dat aanleiding bestaat om de vader te veroordelen in de kosten van deze procedure. Daartoe overweegt het hof dat de vader op juridisch evident onhoudbare stellingen zijn verzoekschrift in eerste aanleg heeft ingekleed en in hoger beroep heeft herhaald. Voor zover deze stellingen wel relevant zijn, heeft hij in beide instanties nagelaten deze te onderbouwen.

13. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt de vader in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de moeder gelet op het feit dat zij procedeert op basis van een toevoeging tot deze uitspraak begroot op € 884,-- (€ 64,-- aan in debet gesteld griffierecht en € 820,-- aan salaris procureur), te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Labohm en Bouritius, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 juni 2008.