Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD6051

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-05-2008
Datum publicatie
03-07-2008
Zaaknummer
105.011.153-01 en 105.011.154-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdeling huwelijksgoederengemeenschap. Verknochtheid van schulden. Artikel 1:94 BW en artikel 1:100 BW. Alimentatie. Draagkracht : stelplicht van de man, voorzien van onderbouwing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 28 mei 2008

Rekestnummer. : 577-H-07 en 578-H-07

Zaaknummer : 105.011.153/01 en 105.011.154/01

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-640

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.E. Mielen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.D. Gelderloos.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 26 april 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 26 januari 2007 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

De man heeft op 18 juni 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 26 juni 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 14 maart 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. S.C. Meijler, een kantoorgenote van haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn procureur. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, heeft de rechtbank bepaald dat de man aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal dienen uit te keren een bedrag van € 172,-- per maand en heeft de rechtbank de verdeling van de huwelijksgemeenschap vastgesteld in die zin dat aan ieder der partijen wordt toebedeeld de helft van de gemeenschappelijke schulden.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 18 juli 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de verdeling van de huwelijksgemeenschap, de alimentatie ten behoeve van de vrouw en de gegevensverschaffing met het oog op pensioenverevening.

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, uitvoerbaar bij voorraad, opnieuw beschikkende:

- vast te stellen de verdeling van de schulden, in die zin dat de door de man aangegane schulden bij de Postbank volledig aan hem worden toebedeeld en hij de aflossing voor zijn rekening dient te nemen en de vrouw de schuld aan de Rabobank krijgt toebedeeld, waarvan zij de aflossing voor haar rekening dient te nemen, een en ander onder kwijting en vrijwaring daarvan jegens elkaar, althans voor wat betreft de verdeling van de schulden als peildatum de datum van inschrijving van de echtscheiding te hanteren;

- te bepalen dat de man inzage moet geven in de eventuele spaar- en banksaldi, alsmede in de door hem ontvangen erfenissen;

- te bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag van € 450,-- per maand bij vooruitbetaling dient te voldoen, althans een ander door het hof te bepalen bedrag;

- te bepalen dat de man gegevens dient te overleggen van zijn pensioenfonds(en), zodat partijen deze op de hoogte kunnen stellen van de echtscheiding en de wettelijke verevening.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

Verdeling van de huwelijksgemeenschap

4. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de door de man gemaakte schulden in de huwelijksgoederengemeenschap vallen. De vrouw voert daartoe aan dat deze schulden wegens verknochtheid, dan wel op grond van de redelijkheid en billijkheid, niet bij de verdeling van de gemeenschap moeten worden betrokken, althans in het geheel en zonder nadere verrekening aan de man moeten worden toegedeeld. Daartoe stelt zij als volgt. De vrouw was niet op de hoogte van de schulden en de man is de schulden zonder haar toestemming aangegaan. De vrouw is Cubaanse, beheerste de Nederlandse taal onvoldoende en vertrouwde volledig op de man. De vrouw had geen inzage in de financiële situatie van de man. Voorts stelt de vrouw dat van de door het aangaan van de schulden verkregen gelden niets aan haar of aan de gezamenlijke huishouding van partijen ten goede is gekomen en dat de man kennelijk bewust de gelden buiten de gemeenschappelijke huishouding heeft gehouden.

5. De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht heeft bepaald dat de schulden in de huwelijksgemeenschap vallen. Er is zijns inziens geen sprake van verknochtheid en bijzondere omstandigheden waardoor de hoofdregel van artikel 1:100 Burgerlijk Wetboek niet van toepassing zou zijn, ontbreken. Daarbij stelt de man dat de verkregen gelden zijn besteed aan reizen naar Cuba, telefoongesprekken met Cuba, gezamenlijke vakanties en het huishouden. Voorts voert de man aan dat de vrouw in het begin (in 2002) een aantal maal heeft meegetekend voor een verhoging van een krediet en acht hij het onvoorstelbaar dat de vrouw de consequenties daarvan niet overzag.

6. Het hof overweegt als volgt. Partijen waren gehuwd in gemeenschap van goederen. Dit brengt in beginsel mee dat de gemeenschap alle tegenwoordige en toekomstige goederen en schulden van de echtgenoten omvat (ongeacht door wie verkregen of door wie aangegaan) – artikel 1:94 BW – en dat bij de verdeling van de ontbonden gemeenschap de echtgenoten een gelijk aandeel in die ontbonden gemeenschap hebben – artikel 1:100 BW.

Van een uitzondering op artikel 1:94 BW is onder meer sprake indien een goed of schuld zodanig verknocht is aan een van de echtgenoten dat een dergelijk(e) goed of schuld slechts in de gemeenschap valt voor zover die verknochtheid zich daartegen niet verzet. Of een goed op bijzondere wijze aan een echtgenoot is verknocht en, zo ja, in hoeverre die verknochtheid zich ertegen verzet dat het goed in de gemeenschap valt, hangt af van de aard van dat goed, zoals deze aard mede door de maatschappelijke opvattingen wordt bepaald. Het aantal schulden dat voor een (dergelijke) mate van verknochtheid in aanmerking komt, is zeer beperkt. De schulden waarvan in onderhavig geval sprake is (geldschulden uit hoofde van doorlopende kredieten), worden noch in de literatuur noch in de rechtspraak als verknocht beschouwd. Het hof ziet, op grond van hetgeen de vrouw daaromtrent in dezen naar voren heeft gebracht, geen aanleiding daarover in dit geval anders te beslissen. Het argument van de vrouw dat sprake is van verknochtheid in voormelde zin gaat derhalve naar het oordeel van het hof niet op.

Van een uitzondering op artikel 1:100 BW kan sprake zijn indien de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid daartoe aanleiding geven. Het hof is van oordeel dat de omstandigheden die de vrouw in dat kader heeft aangevoerd, zoals haar stelling dat niets van de gelden aan haar of de gezamenlijke huishouding ten goede is gekomen, het feit dat zij Cubaanse is en de Nederlandse taal niet beheerst of dat zij niet op de hoogte was van de schulden, onvoldoende zijn om een uitzondering op de hoofdregel van artikel 1:100 BW te bewerkstelligen. Immers, de omstandigheden die de vrouw aanvoert, liggen in de risicosfeer van de vrouw en zijn een gevolg van de lotsverbondenheid dat een huwelijk kenmerkt.

Het hof merkt nog op dat niet relevant is of de vrouw toestemming heeft gegeven voor het aangaan van de schulden. Immers, op grond van artikel 1:88 BW is slechts toestemming vereist voor de rechtshandelingen die in dat artikel worden genoemd en niet voor andere rechtshandelingen, ook al kunnen die rechtshandelingen eveneens een bedreiging vormen voor de financiële positie van een echtgenoot.

Het vorenstaande brengt mee dat de eerste grief van de vrouw niet slaagt en dat haar verzoek ter zake van de schulden zal worden afgewezen.

7. In haar tweede grief stelt de vrouw zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte 1 november 2004 als peildatum voor de verdeling van de huwelijksgemeenschap heeft gehanteerd. De vrouw voert daartoe aan dat de datum van de feitelijke verdeling de juiste peildatum is. De vrouw meent dat het niet redelijk is de schulden met terugwerkende kracht te verdelen, aangezien de man inmiddels op de schuld heeft kunnen aflossen, zonder dat hij aan haar alimentatie heeft betaald. De vrouw wenst inzage in het huidige saldo van de schulden.

8. De man stelt zich op het standpunt dat als peildatum dient te gelden de datum waarop partijen feitelijk uiteen zijn gegaan, omdat dit zijns inziens het meest recht doet aan de werkelijkheid.

9. Het hof zal de peildata vaststellen zoals partijen ter zitting na overleg zijn overeengekomen: voor het bepalen van de omvang van de gemeenschap zal als peildatum gelden de datum van de inschrijving van de echtscheiding en voor de waardering van de gemeenschap zal als peildatum gelden de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen. Dit brengt mee dat de tweede grief van de vrouw slaagt, zodat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd.

10. De vrouw betoogt in haar derde grief dat de rechtbank ten onrechte geen verdeling heeft vastgesteld ten aanzien van de overige te verdelen zaken, zoals een aantal erfenissen die de man tijdens het huwelijk heeft ontvangen en de bank- en spaarsaldi van partijen. Deze grief van de vrouw treft doel. Nu partijen echter geen boedelbeschrijving hebben aangeleverd, is het voor het hof niet mogelijk om over te gaan tot verdeling van deze zaken, zodat het hof dit verzoek van de vrouw zal afwijzen. Dit laat overigens onverlet dat partijen onderling verdeling van voormelde zaken kunnen overeenkomen.

11. De vrouw stelt verder dat de rechtbank ten onrechte de beslissing ter zake van de verdeling van de schulden uitvoerbaar bij voorraad heeft verklaard. De vrouw verzoekt deze werking te schorsen. De man verzet zich daartegen. Het hof is van oordeel dat de grief van de vrouw slaagt. Gelet op het feit dat de schulden feitelijk niet kunnen worden verdeeld vanwege de contractuele verhouding tussen de man en de bank is de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de rechtbank onjuist. Het hof zal echter de werking van de uitvoerbaar bij voorraadverklaring niet behoeven te schorsen, aangezien deze feitelijk geen uitvoering heeft gekregen, noch na deze beschikking zou kunnen krijgen.

Alimentatie

12. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de door de man aan haar te betalen uitkering tot levensonderhoud heeft bepaald op € 172,-- per maand met ingang van de datum van de inschrijving van de echtscheiding. De vrouw voert hiertoe aan dat de man meer draagkracht heeft dan de rechtbank heeft vastgesteld en dat de ingangsdatum voor de alimentatie eerder zou moeten zijn. De vrouw betwist de hoogte van het door de man gestelde inkomen en de (hoogte van de) door de man opgevoerde lasten. Zij meent dat de man onvoldoende stukken heeft ingediend ter onderbouwing van zijn stellingen. Op grond van haar berekeningen zou de man in staat moeten zijn om een bedrag van € 450,-- per maand aan haar te betalen.

13. De man stelt zich op het standpunt dat hij naast de aflossing van voormelde schulden ad € 500,-- per maand geen draagkracht over heeft om alimentatie te betalen. De man meent voorts dat hij voldoende inzage heeft gegeven in zijn financiële situatie en stelt dat zijn inkomen ongewijzigd is gebleven.

14. Het hof overweegt als volgt. Nu de vrouw in hoger beroep zowel de hoogte van het door de man gestelde inkomen als de (hoogte van de) door de man opgevoerde lasten gemotiveerd heeft betwist, had het op de weg van de man gelegen om relevante en recente gegevens ter onderbouwing van zijn financiële positie aan het hof over te leggen. Nu de man dit heeft nagelaten, is niet aangetoond dat de man niet in staat is om de door de vrouw verzochte bijdrage van € 450,-- per maand te betalen en zal het hof deze overeenkomstig het standpunt van de vrouw vaststellen. Dit brengt mee dat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden vernietigd. Voor bepaling van een eerdere ingangsdatum van deze uitkering dan de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand bestaat rechtens geen grond.

Pensioen

15. In haar zesde grief betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte niet heeft bepaald dat de man de vrouw dient te informeren over, en inzage te verlenen van de door hem opgebouwde pensioenrechten. De man voert aan dat een beslissing daaromtrent niet noodzakelijk is, aangezien zijn verplichting tot het verstrekken van informatie over zijn pensioenrechten reeds uit het wettelijke systeem voortvloeit.

16. Nu de verplichting van de man tot het verstrekken van zijn pensioengegevens en het informeren van zijn pensioeninstantie reeds volgt uit artikel 9 van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding is een beslissing van het hof niet nodig.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op € 450,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat als peildatum voor de omvang van de gemeenschap zal gelden de datum van de inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand en bepaalt dat als peildatum voor de waardering van de gemeenschap zal gelden de datum van het feitelijk uiteengaan van partijen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Bouritius en Van der Zanden, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 mei 2008.