Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5748

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
105.011.731.01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinder- en partneralimentatie: behoefte, eigen aandeel man/vrouw, draagkrachtvergelijking, draagkracht man en ingangsdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Zaaknummer : 105.011.731/01

Uitspraak : 21 mei 2008

Rekestnummer : 1164-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-5270

[appellant],

wonende te Maasland, gemeente Midden-Delfland,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. R.N.A.M. Kester,

tegen

[verweerster],

wonende te Schipluiden, gemeente Midden-Delfland,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 15 augustus 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 15 mei 2007.

De vrouw heeft op 30 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 13 november 2007 en op 28 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 maart 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.S. Clarenbeek. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Kester onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam. Bij die beschikking is – met wijziging van de beschikking van diezelfde rechtbank van 23 november 2001 en uitvoerbaar bij voorraad – het verzoek van de man tot wijziging van de door hem te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarigen afgewezen en is de door de man te betalen bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw met ingang van 15 mei 2007 bepaald op € 80,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige[ kinderen, geboren 1994 en 1997],

ook gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderen verblijven bij de vrouw.

Voorts is in geschil de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt: voor zover het betreft de afwijzing van zijn verzoek tot wijziging van de kinderalimentatie en de bepaalde partneralimentatie) en, opnieuw beschikkende, en naar het hof begrijpt met wijziging in zoverre van de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 23 november 2001, zijn inleidende verzoek tot wijziging van de alimentatie ten behoeve van de kinderen en de vrouw alsnog toe te wijzen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn grieven, althans zijn verzoeken in appel af te wijzen en de man te veroordelen in de kosten van deze procedure, zowel in hoger beroep als in eerste aanleg.

Algemeen

4. Tussen partijen staat, nu zij daartegen geen grief hebben gericht, vast dat sprake is van een wijziging van omstandigheden op grond waarvan de rechter de behoefte en de draagkracht opnieuw dient vast te stellen.

5. In zijn eerste grief stelt de man dat de door de rechtbank genoemde bedragen aan partner- en kinderalimentatie van € 502,- per maand respectievelijk € 258,- per maand per kind de bedragen zijn zoals die golden per 1 januari 2006 en dat deze bedragen ten tijde van de beschikking van de rechtbank al weer waren geïndexeerd tot € 512,- per maand respectievelijk € 262,- per maand per kind. Daargelaten dat de door de rechtbank gehanteerde bedragen op zichzelf juist zijn, zal het hof in het hiernavolgende met de van toepassing zijnde bedragen rekenen.

Behoefte van de kinderen

6. De behoefte van de kinderen aan een bijdrage in de kosten van hun verzorging en opvoeding staat tussen partijen als niet bestreden vast. Partijen twisten wel over de hoogte van deze behoefte en ieders aandeel in de behoefte van de kinderen.

7. In grief 2 stelt de man dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van de kinderen niet uit had moeten gaan van het netto gezinsinkomen in 2001 maar van het netto gezinsinkomen in 2000, omdat hij de echtelijke woning al vóór januari 2001 had verlaten. Er dient dan ook uitgegaan te worden van een netto gezinsinkomen van € 2.665,- per maand en een eigen aandeel van partijen in de kosten van de kinderen van € 280,- per maand per kind. De vrouw voert verweer en stelt dat door de rechtbank in de echtscheidingsbeschikking van 23 november 2001 helder en duidelijk is vermeld hoe werd gedacht over het inkomen van partijen en daarmee over de behoefte van de kinderen. De rechtbank heeft in die beschikking gerekend met het inkomen van de man in 2001. Nu de man tegen deze beslissing van de rechtbank over de hoogte van het inkomen in 2001, de daarop gebaseerde behoefte van de kinderen en de vastgestelde kinderalimentatie geen hoger beroep heeft ingesteld, staan deze gegevens volgens de vrouw tussen partijen vast.

8. Het hof oordeelt als volgt. In de beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 23 november 2001, welke als productie bij het inleidende verzoek van de man is overgelegd, leest het hof in rechtsoverweging 5 dat de door de vrouw verzochte kinderalimentatie als op de wet gegrond en niet weersproken wordt toegewezen. Het hof leest in de beschikking niet dat de rechtbank de behoefte van de kinderen heeft bepaald noch dat de rechtbank voor de behoefte van de kinderen het netto gezinsinkomen in 2001 heeft gehanteerd. Nu de vrouw niet betwist dat partijen in 2000 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, en zij ook het door de man genoemde netto gezinsinkomen van € 2.665,- per maand niet betwist, neemt het hof dit gezinsinkomen als grondslag voor de bepaling van de behoefte van de kinderen. Het eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen bedraagt derhalve € 280,- per maand per kind.

Bepaling van het aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen

9. Bij de bepaling van het aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen neemt het hof als uitgangspunt de door de vrouw als productie 2 bij haar verweerschrift in hoger beroep overgelegde berekening van haar draagkracht. De man heeft deze berekening, behalve voor wat betreft het daarin ontbreken van de heffingskortingen, niet betwist. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat, zoals door de man in zijn derde grief is gesteld en door de vrouw is erkend, in het door de rechtbank genoemde bedrag van € 514,- per maand aan hypotheekrente een bedrag van € 117,- per maand aan aflossing is begrepen. Voorts houdt het hof, conform de Tremanormen en overeenkomstig hetgeen daaromtrent door de man in grief 3 is gesteld, rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, het bijbehorende draagkrachtpercentage en de voor de vrouw geldende heffingskortingen. Het hof houdt, anders dan de vrouw, in deze berekening geen rekening met de door haar ontvangen kinderalimentatie.

Voor zover de man in zijn derde grief heeft beoogd te stellen dat rekening moet worden gehouden met inkomsten uit vermogen van de vrouw, gaat het hof aan deze stelling voorbij. De man heeft deze stelling op geen enkele wijze onderbouwd.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de beschikbare draagkrachtruimte van de vrouw € 325,- per maand bedraagt.

Bepaling van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen

11. Bij de bepaling van het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen neemt het hof als uitgangspunt de door de man bij brief van 28 februari 2008 overgelegde draagkrachtberekening. De vrouw heeft deze berekening voor wat betreft de daarin genoemde bedragen, behalve het genoemde inkomen, niet betwist. De vrouw betwist wel het deel van de totale woonlasten en kosten kinderopvang dat aan de man moet worden toegerekend als ook de gehanteerde bijstandsnorm en de gehanteerde tarieven 2008.

12. De man stelt in grief 4 dat, nu hij thans de jaarstukken 2006 in het geding heeft kunnen brengen, bij de berekening van zijn draagkracht uitgegaan moet worden van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2004 tot en met 2006, derhalve van € 37.618,- per jaar. De vrouw voert verweer en stelt dat de rechtbank heeft gerekend met de cijfers die beschikbaar waren en dat het voor rekening en risico van de man komt dat de cijfers over 2006 nog niet klaar waren.

13. Uit de door de man overgelegde jaarstukken 2003 tot en met 2006 blijkt van een netto bedrijfsresultaat over die jaren van respectievelijk € 49.720,-, € 38.379,-, € 34.308,- en € 40.166,-. Het hof zal, overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad, met de meest recente gegevens rekenen. Het is gebruikelijk om met het gemiddelde bedrijfsresultaat over de laatste drie jaren te rekenen. Gelet op de fluctuatie in de bedrijfsresultaten en de vermelding bij het jaarstuk 2006 dat het netto bedrijfsresultaat 17% hoger ligt dan het voorgaande jaar, acht het hof het redelijk om in het onderhavige geval het bedrijfsresultaat te middelen over de laatste vier jaren. Bij de bepaling van het inkomen van de man gaat het hof daarom uit van een gemiddeld bedrijfsresultaat van € 40.643,-.

14. In grief 4 stelt de man voorts dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht ten onrechte de woonlasten en de kosten kinderopvang bij helfte tussen hem en zijn partner heeft verdeeld. Gelet op het inkomen van zijn partner, dat onder de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder ligt, en de inkomensverhouding tussen de man en zijn partner, acht de man het redelijk om tweederde van voornoemde kosten voor zijn rekening te laten komen en eenderde voor rekening van zijn partner. De vrouw betwist het vorenstaande.

15. Uit de door de man bij brief van 28 februari 2008 als productie 46 overgelegde jaaropgave 2007 van zijn partner blijkt van een inkomen van € 17.581,- bruto. Uit de bij voornoemde brief overgelegde stukken blijkt voorts van een rente op de hypothecaire lening van € 1.006,- per maand en een totale premie levensverzekering van € 191,- per maand, welke woonlasten door de vrouw als zodanig niet worden betwist. Voorts blijkt uit voornoemde stukken van een bedrag aan kosten kinderopvang in 2007 van € 91,- per maand, waarbij reeds rekening is gehouden met de fiscale kinderopvangtoeslag. Gelet op het inkomen van de partner en de hoogte van de hypotheeklasten en de kosten kinderopvang, is het hof van oordeel dat van de partner verwacht mag worden dat zij de helft van deze lasten voor haar rekening neemt.

16. De man stelt eveneens in grief 4 dat het niet consequent noch redelijk is om, zoals de rechtbank heeft gedaan, bij een gelijke verdeling van de woonlasten tussen hem en zijn partner wel het volledige fiscale voordeel aan de zijde van de man mee te nemen. Het hof verwijst naar de door de man bij brief van 28 februari 2008 als productie 35 overgelegde aangifte IB 2006. Uit deze aangifte blijkt dat de man het belastingvoordeel met betrekking tot de hypothecaire geldlening volledig aan zichzelf toerekent. Gelet hierop faalt de vierde grief van de man in zoverre.

17. In grief 4 stelt de man voorts nog dat de rechtbank ten onrechte de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder heeft gehanteerd. De man is van mening dat de op hem toe te passen bijstandsnorm, gelijk die voor de vrouw, de bijstandsnorm voor een alleenstaande dient te zijn. De vrouw stelt dat de rechtbank klaarblijkelijk is afgeweken van de Tremanormen en in plaats van de normen met betrekking tot co-ouderschap is uitgegaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.

18. De man is gehuwd en heeft met zijn echtgenote op 9 september 2004 een kind gekregen. Volgens de Tremanormen geldt in deze situatie de aanbeveling om de man in het kader van de vaststelling van zijn aandeel in de behoefte van de kinderen te berekenen als ware sprake van co-ouderschap. Het hof ziet geen aanleiding om in het onderhavige geval van deze aanbeveling af te wijken.

19. Uit het vorenstaande volgt dat de beschikbare draagkrachtruimte van de man € 506,- per maand bedraagt.

Draagkrachtvergelijking

20. Het vorenstaande in acht nemend, berekent het hof het aandeel van ieder van partijen in de behoefte van de kinderen aan de hand van een vergelijking van de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw. Alle omstandigheden in aanmerking nemend en gelet op de in het vorengaande vastgestelde draagkracht van de vrouw van € 325,- per maand en draagkracht van de man van € 506,- per maand, bepaalt het hof het aandeel van de vrouw in de behoefte van de kinderen op € 220,- per maand en het aandeel van de man in de behoefte van de kinderen op € 340,- per maand.

De behoefte van de vrouw

21. Het hof neemt bij de bepaling van de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud, evenals de rechtbank heeft gedaan, het door de vrouw bij brief van 14 maart 2007 als productie 8 in het geding gebrachte overzicht van haar lasten tot uitgangspunt. Het hof ziet geen aanleiding om, zoals de man in zijn zesde grief heeft betoogd, de vuistregel te hanteren die bepaalt dat de behoefte van de vrouw 60% van het netto gezinsinkomen, verminderd met de kosten van de kinderen, zou zijn. Nu de man het door de vrouw overgelegde overzicht ook in hoger beroep niet heeft betwist, gaat het hof er vanuit dat de vrouw in totaal maandelijks een bedrag van € 1.991,15 nodig heeft om haar lasten te kunnen voldoen.

De draagkracht van de man

22. Het hof dient thans te bezien of de draagkracht van de man toereikend is om (met zijn aandeel) te kunnen voorzien in voornoemde behoeften van de kinderen en de vrouw. Het hof verwijst naar de berekening van de draagkracht van de man, zoals hiervoor is bepaald. Het hof merkt de man echter thans, onder verwijzing naar hetgeen in de rechtsoverwegingen 15 en 18 is overwogen met betrekking tot zijn echtgenote en huidige gezinssituatie, aan als alleenstaande en houdt rekening met het bijbehorende draagkrachtpercentage.

Uit deze berekening volgt dat de man in staat is om een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te voldoen van € 170,- per maand per kind. Daarnaast laat de draagkracht van de man een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw toe van € 188,- per maand.

De ingangsdatum

23. Hoewel de man zich niet kan verenigen met de door rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum van de alimentatie ten behoeve van de vrouw, ziet het hof geen reden om van deze datum, 15 mei 2007, af te wijken. Gezien het consumptief karakter van de bijdragen is het hof van oordeel dat, voor zover de man over het verleden teveel heeft betaald, of op hem teveel is verhaald, de vrouw dat niet behoeft terug te betalen.

Kostenveroordeling

24. Gelet op al het vorenstaande ziet het hof geen aanleiding om, zoals door de vrouw is verzocht, de man te veroordelen in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hof wijst dit verzoek van de vrouw af.

Overig

25. De grieven 5 en 7 van de man, die geen zelfstandige betekenis hebben, behoeven in het licht van het vorengaande geen nadere bespreking meer.

26. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft naar het oordeel van het hof geen bespreking meer, omdat dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

27. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oor¬deel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 23 november 2001 van de rechtbank te ’s-Gravenhage – met ingang van 15 mei 2007 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen op € 170,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik¬king van 23 november 2001 van de rechtbank te ’s-Gravenhage – met ingang van 15 mei 2007 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud op € 188,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw, voor zover door de man teveel is betaald of op hem is verhaald, dat niet behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Dusamos en Mertens-de Jong, bijgestaan door mr. Buiting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2008.