Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD5187

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-06-2008
Datum publicatie
24-06-2008
Zaaknummer
105.007.976
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSGR:2009:6101
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet politieregisters.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.976/01

Rekestnummer (oud) : R05/313

Rekestnummer rechtbank : R04.84

beschikking van de eerste civiele kamer d.d. 19 juni 2008

inzake

[Naam],

(laatstelijk) verblijvende te Alphen aan den Rijn,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. M. van Stratum,

tegen

de KORPSBEHEERDER VAN DE POLITIE HAAGLANDEN,

zetelende te ‘s-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Korpsbeheerder,

procureur: mr. C.M. Bitter.

Het geding

Voor het procesverloop tot aan ’s hofs beschikking van 8 december 2005 verwijst het hof naar die beschikking. Het College Bescherming Persoonsgegevens (CBP) heeft bij brief van 14 december 2006 zijn advies aan het hof toegezonden. Op dit advies hebben de Korpsbeheerder, [appellant] en vervolgens nogmaals de Korpsbeheerder schriftelijk gereageerd. De Korpsbeheerder heeft bij zijn laatste reactie nog een productie overgelegd.

Verdere beoordeling van het hoger beroep

1.1 De grieven 1, 3 en 4 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. In deze grieven komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank om het verzoek van [appellant] in een aantal gevallen te weigeren in verband met art. 21 lid 1 van de Wet politieregisters (zoals deze tot 1 januari 2008 gold en op grond van art. 48 Wet politiegegevens op het verzoek van [appellant] van toepassing blijft, hierna: Wpolr), waarin is bepaald dat mededeling van in een politieregister opgenomen persoonsgegevens achterwege blijft voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak dan wel indien gewichtige redenen van derden daartoe noodzaken. [appellant] voert in de kern aan dat de rechtbank het (in algemene termen gestelde) beroep van de Korpsbeheerder op deze bepaling niet had mogen honoreren zonder per persoonsgegeven te onderzoeken of de in art. 21 lid 1 Wpolr bedoelde belangen zich in concreto tegen mededeling verzetten. In grief 4 voert [appellant] meer in het bijzonder aan dat beoordeling door de rechter moet plaatsvinden ex nunc, dat wil zeggen aan de hand van de omstandigheden ten tijde van zijn beslissing en niet van die ten tijde van het oorspronkelijke verzoek aan de Korpsbeheerder.

1.2 Deze grieven zijn gegrond. Indien de beheerder van een politieregister mededeling van daarin opgenomen persoonsgegevens weigert met een beroep op een van de weigeringsgronden van art. 21 lid 1 Wpolr, zal de rechter die op de voet van art. 23 Wpolr wordt verzocht daarover te beslissen, aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden en voor elk persoonsgegeven afzonderlijk moeten toetsen of aan de voorwaarden voor een beroep op zo’n weigeringsgrond is voldaan. Het ligt daarbij op de weg van de beheerder om concrete feiten en omstandigheden aan de rechter kenbaar te maken waaruit toepasselijkheid van een van die weigeringsgronden kan worden afgeleid. Dergelijke concrete feiten en omstandigheden heeft de Korpsbeheerder in dit geding tot nu toe niet naar voren gebracht, hetgeen mogelijk verband houdt met zijn opvatting dat dergelijke gegevens – juist in verband met de in art. 21 lid 1 Wpolr genoemde belangen – niet ter kennis van [appellant] behoren te worden gebracht. [appellant] heeft zich echter op voorhand ermee akkoord verklaard dat het hof buiten aanwezigheid van [appellant] en zijn raadsman kennis neemt van de betreffende persoonsgegevens (pleitota mr. Van Stratum in hoger beroep p.7) en van de daarop door de Korpsbeheerder aan het hof te verstrekken toelichting (desgevraagd door mr. Van Stratum bevestigd tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep). Aangezien langs deze weg tegemoet wordt gekomen aan de bezwaren van de Korpsbeheerder en wordt voorkomen dat afbreuk wordt gedaan aan de mogelijk in het geding zijnde belangen bedoeld in art. 21 lid 1 Wpolr, zal het hof de Korpsbeheerder in de gelegenheid stellen zijn standpunt ten aanzien van de toepasselijkheid van art. 21 lid 1 Wpolr nader te onderbouwen.

1.3 Grief 4 is ook gegrond voor zover [appellant] daarin betoogt dat toetsing aan het criterium van art. 21 lid 1 Wpolr ex nunc dient te geschieden. Er is geen goede reden waarom de rechter zich in de procedure ex art. 23 Wpolr zou dienen te beperken tot een historisch onderzoek naar de vraag of het besluit van de beheerder juist was op het tijdstip waarop hij dat besluit nam. De wet gaat er in art. 23 lid 1 Wpolr van uit dat de rechter de beheerder zonodig gelast alsnog aan het verzoek te voldoen en in het algemeen zal de burgerlijke rechter rekening mogen en moeten houden met de omstandigheden zoals deze zich ten tijde van zijn uitspraak voordoen. Dit is dus een andere situatie dan die waarop de Korpsbeheerder een beroep heeft gedaan, te weten de bestuursrechtelijke rechtsgang, waarin bij gegrondbevinding van het beroep in het algemeen zal worden volstaan met vernietiging van het bestreden besluit, waarna bij de hernieuwde beslissing het bestuursorgaan rekening zal moeten houden met nieuwe omstandigheden. Daar komt tenslotte nog bij dat het de belanghebbende steeds vrij staat om een nieuw verzoek bij de beheerder in te dienen, bijvoorbeeld omdat de omstandigheden zich na zijn eerdere verzoek hebben gewijzigd. Ook de proceseconomie is er dan mee gediend dat de rechter met een dergelijke wijziging rekening houdt.

1.4 Tenslotte is ook grief 3 gegrond voorzover [appellant] aanvoert dat de rechtbank hem op ontoereikende gronden kennisneming van de namen van derden en de gegevens die tot derden te herleiden zijn heeft ontzegd. Zoals hiervoor is overwogen moet de vraag of kennisneming van deze gegevens achterwege moet blijven omdat dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak dan wel omdat gewichtige belangen van derden daartoe noodzaken, worden beantwoord aan de hand van een beoordeling van elk persoonsgegeven afzonderlijk aan de hand van de omstandigheden van het concrete geval. De rechtbank heeft een dergelijke toetsing ten onrechte achterwege gelaten.

2.1 In grief 5 bestrijdt [appellant] het oordeel van de rechtbank dat de Wet politieregisters toepassing mist voor de verzochte printgegevens. Volgens [appellant] is dit oordeel onvoldoende gemotiveerd en had de rechtbank zelf ter plaatse een onderzoek dienen in te stellen dan wel het College bescherming persoonsgegevens moeten vragen dat te doen. Aangezien – ook door het CBP (advies p. 2) gesignaleerde – onduidelijkheid bestaat over de vraag wat de rechtbank met haar bestreden overweging, en meer in het bijzonder met de bedoelde ‘printgegevens’ heeft bedoeld, is het nuttig het procesverloop op dit punt te recapituleren.

2.2 In zijn pleitaantekeningen voor de zitting bij de rechtbank van 29 april 2004 heeft mr. Van Stratum namens [appellant] aangevoerd dat het hem niet is toegestaan om tapgesprekken af te luisteren, terwijl cd-roms daarvan zich wel in het tijdelijk register van het Prismateam bevinden en deze persoonsgegevens ook onder het recht op kennisneming vallen. De rechtbank is verzocht om te bepalen dat [appellant] alsnog mag kennisnemen van de inhoud van deze afgeluisterde gesprekken.

2.3 In zijn pleitaantekeningen voor de zitting van de rechtbank van 7 oktober 2004 heeft mr. Van Stratum meegedeeld dat de politie Haaglanden heeft laten weten dat zij bereid is alsnog aan [appellant] kennisgeving (bedoeld zal zijn: kennisneming, hof) te verlenen in (bedoeld zal zijn: van, hof) de prints van uitgewerkte tapgesprekken die in het tijdelijk politieregister Xenon zijn opgeslagen en dat dit aanbod niet wordt afgeslagen.

2.4 In haar pleitnota van 7 oktober 2004 heeft mr. Bitter namens de Korpsbeheerder gesteld dat de Korpsbeheerder besloten heeft [appellant] alsnog kennisneming toe te staan van de tapgesprekken die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn opgenomen van telefoonlijnen van [appellant] en die zich nog in het tijdelijk register bevinden.

2.5 De rechtbank heeft in overweging 1.6 van haar beschikking overwogen dat mr. Van Stratum ter zitting van 9 september 2004 heeft aangegeven dat partijen thans overleg voeren over (de wijze van) inzage in de op [appellant] betrekking hebbende telefoonprints en de daarbij behorende bijlagen. In zijn brief van 24 september 2004 heeft [appellant] bericht dat hij na kennisneming van de hiervoor bedoelde telecomgegevens zijn verzoek niet intrekt omdat hij recht meent te hebben op inzage in een aantal stukken die hij in zijn faxbrief van 5 oktober 2004 aan de wederpartij en de rechtbank heeft gespecificeerd (beschikking overweging 1.7).

2.6 Blijkens de beschikking van de rechtbank (overweging 2.1) heeft het verzoek van [appellant] blijkens zijn faxbrief van 5 oktober 2004 onder meer nog betrekking op inzage in alle gedurende de straf- en ontnemingsprocedure opgemaakte journaals en gespreksverslagen, hetgeen door mr. Van Stratum ter zitting van 7 oktober 2004 aldus nader verduidelijkt is, dat het gaat om kennisneming van de opgemaakte journaals en gespreksverslagen van contacten die hebben plaatsgevonden tussen de politie Amsterdam-Amstelland en andere politieteams en derden.

2.7 In overweging 3.9 van haar beschikking heeft de rechtbank als verweer van de Korpsbeheerder tegen het hiervoor onder 2.6 bedoelde verzoek (samengevat) het volgende weergegeven: (i) kennisneming van de journaals in de ontnemingsprocedure staat aan de goede uitvoering van de politietaak in de weg; (ii) de journaals die in het kader van de strafrechtelijke procedure zijn opgemaakt bevinden zich in het strafdossier en zijn dus aan [appellant] bekend; (iii) indien ten aanzien van in het kader van de in de strafrechtelijke- en ontnemingsprocedure opgemaakte gespreksverslagen wordt gedoeld op de telefoontaps is het zo dat deze niet geclusterd aanwezig zijn en dat deze geen deel uitmaken van een politieregister.

2.8 In overweging 4.6 heeft de rechtbank “ten aanzien van de verzochte kennisneming van de in de strafzaak en in de ontnemingsprocedure opgemaakte gespreksverslagen” het volgende overwogen. De Korpsbeheerder stelt zich op het standpunt dat die gespreksverslagen als zodanig niet aanwezig zijn. Er is slechts sprake van aanwezige printgegevens. Deze printgegevens bevinden zich niet geclusterd bij elkaar en kunnen slechts worden getraceerd door alle via de tapkamer binnengekomen gesprekken te beluisteren, hetgeen ondoenlijk is. Omdat ten aanzien van deze printgegevens iedere structuur ontbreekt is geen sprake van een politieregister in de zin van de Wpolr, aldus nog steeds de Korpsbeheerder. De rechtbank heeft dit verweer gehonoreerd.

2.9 De rechtbank heeft in het dictum het verzoek onder meer toegewezen “voor zover het ziet op kennisneming van de zich in het tijdelijk register bevindende tapgesprekken die in het kader van de strafrechtelijke procedure zijn opgenomen van telefoonlijnen van [appellant]”.

2.10 In zijn verweerschrift in hoger beroep stelt de Korpsbeheerder zich op het standpunt dat in de beschikking van de rechtbank sprake is van een verschrijving ten aanzien van de kennisneming van tapgesprekken. Volgens de Korpsbeheerder bevinden zich in het tijdelijk register geen tapgesprekken, maar slechts printgegevens. De Korpsbeheerder verzet zich niet tegen kennisneming door [appellant] van de printgegevens van de taps op het telefoonnummer van [appellant] en die kennisneming heeft al plaatsgevonden. De Korpsbeheerder, aldus het verweerschrift, verzet zich wel tegen kennisneming door [appellant] van de audiogegevens van deze telefoongesprekken.

2.11 Zoals het hof reeds in zijn beschikking van 8 december 2005 heeft overwogen, kan er geen redelijke twijfel over bestaan dat de rechtbank ten aanzien van dit punt heeft willen toewijzen wat de Korpsbeheerder had aangeboden, te weten kennisneming van de printgegevens (al spreekt de rechtbank in het dictum minder nauwkeurig van “tapgesprekken”). Evenzeer heeft de rechtbank kennelijk het verweer van de Korpsbeheerder, dat de audiogegevens zelf geen onderdeel uitmaken van een politieregister, willen honoreren met haar overwegingen in overweging 4.6 (al spreekt de rechtbank hier abusievelijk van “printgegevens”). Dat verweer van de Korpsbeheerder had immers betrekking op de audiogegevens en niet op de printgegevens (zie overweging 4.6 van de beschikking van de rechtbank, waarin de Korpsbeheerder aanvoert dat het ondoenlijk is alle via de tapkamer binnengekomen gesprekken te beluisteren, hetgeen alleen voor de audiogegevens kan gelden, al vermeldt de rechtbank ook hier weer per abuis de “printgegevens”).

2.12 Het voorgaande betekent dat het hof grief 5 aldus leest dat [appellant] betoogt dat hij alsnog kennis wil nemen van de audiogegevens, dat wil zeggen dat hij alsnog de tapgesprekken wil uitluisteren. De Korpsbeheerder heeft de grief kennelijk ook in die zin begrepen. De vraag is nog wel welke tapgesprekken [appellant] wil beluisteren. De Korpsbeheerder gaat ervan uit dat het gaat om de taps ten aanzien waarvan hem reeds de printgegevens waren verstrekt, dat wil zeggen de taps die in het kader van het strafrechtelijk onderzoek zijn opgenomen van telefoonlijnen van [appellant]. Aangezien [appellant] hierop nadien niet meer is teruggekomen gaat het hof ervan uit dat de Korpsbeheerder het wat dit betreft bij het rechte eind heeft. De vraag die in het kader van grief 5 moet worden beantwoord is dan ook of deze audiogegevens zijn opgenomen in een politieregister. De Korpsbeheerder heeft zich ten aanzien van deze gegevens niet beroepen op een van de weigeringsgronden van art. 21 lid 1 Wpolr.

2.13 Met betrekking tot de audiogegevens heeft het CBP in zijn advies na uitgevoerd feitelijk onderzoek het volgende geconstateerd:

(i) de audiogegevens van het Xenon-onderzoek zijn opgeslagen op magnetical optional disks (MO-disks) die zich bevinden op het hoofdbureau van politie te Den Haag;

(ii) de audiogegevens zijn te beluisteren via een tapsysteem, dat beheerd wordt door het unithoofd;

(iii) zowel via het fysieke dossier als via het geautomatiseerde systeem Octopus kan nagegaan worden welke lijnen onder [appellant] zijn getapt, alsmede op welke datum en op welk tijdstip een gesprek is gevoerd en met wie;

(iv) de MO-disks zijn gemarkeerd met een begin- en einddatum van opnamen; de inhoud van de disk bevat een index van de exacte data waarop gesprekken zijn gearchiveerd en de telefoonlijnen (op numerieke volgorde) waarvan deze zijn opgenomen;

(v) gebleken is dat het op de juiste MO-disk terugvinden van een gesprek waarvan in Octopus de gesprekgegevens waren opgezocht, en vervolgens het uitluisteren daarvan, geen onevenredige inspanning kost, hetgeen volgt uit de mogelijkheid te zoeken op (telefoon)lijn, datum en tijdstip.

2.14 Het hof onderschrijft de conclusie van het CBP dat de audiogegens in het Xenon-onderzoek als onderdeel van het tijdelijk politieregister Xenon beschouwd moeten worden. Het betreft immers een samenhangende verzameling van op verschillende personen betrekking hebbende persoonsgegevens die met het oog op een doeltreffende raadpleging van die gegevens systematisch is aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak. De Korpsbeheerder voert nog aan dat de enkele omstandigheid dat de audiogegevens kunnen worden doorzocht via de ingangen telefoonlijn, datum en tijdstip niet voldoende is, aangezien die ingangen niet zijn gericht op het aantreffen van persoonsgegevens. Het hof verwerpt dit betoog. Niet voorstelbaar is dat de betreffende audiogegevens door de politie worden bewaard indien zij niet zonodig toegang tot opnamen van gesprekken tussen bepaalde personen zou kunnen krijgen. Aangenomen moet dan ook worden dat de politie in een dergelijk geval de gewenste taps zal opzoeken door middel van juist deze ingangen. Die ingangen zijn dan ook wel degelijk gericht op het aantreffen van persoonsgegevens.

2.15 De Korpsbeheerder voert nog aan dat, anders dan het CBP heeft gesteld, het opzoeken van de door [appellant] gevoerde gesprekken een onevenredige inspanning kost. Dit betoog faalt, omdat het feit dat mededeling van een persoonsgegeven onevenredige inspanning kost geen weigeringsgrond vormt onder de Wpolr.

2.16 Anders dan de Korpsbeheerder is het hof voorts van oordeel dat [appellant] recht heeft op het beluisteren van de audiogegevens van de taps die gemaakt zijn van de gesprekken die via zijn telefoonlijnen zijn gevoerd. Zoals uit de wetsgeschiedenis blijkt (TK 1985-1986, 19 589, nr. 3 p. 24) is de wetgever ervan uitgegaan dat de mededeling van de beheerder, welke persoonsgegevens van de betrokkene in de registers is opgenomen, erop neerkomt dat de belanghebbende het recht heeft op kennisneming. Het valt moeilijk in te zien op welke andere wijze [appellant] kennis zou kunnen nemen van de opgenomen gesprekken dan door deze te beluisteren en de Korpsbeheerder noemt die andere wijze ook niet. Indien het [appellant] niet zou worden toegestaan deze audiogegens te beluisteren zal hij ook niet in staat zijn te controleren of deze persoonsgegevens juist zijn (en of zij op juiste wijze schriftelijk zijn weergegeven in de tapverslagen), terwijl dat wel een van de doeleinden van het recht op kennisneming is. Dat aan het beluisteren van die gesprekken mogelijk praktische bezwaren kleven doet in dit verband niet terzake. De Korpsbeheerder zal, indien hij dat wenst, de gesprekken van [appellant] op andere geluidsdragers kunnen overzetten en hem deze laten beluisteren.

3.1 In grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank in r.o. 4.2, dat kennisneming van de coderingen van de (negen) mutaties die voorkomen in het Register Zware Criminaliteit hem terecht is onthouden. Anders dan [appellant] veronderstelt heeft de rechtbank niet – ook niet impliciet – geoordeeld dat de coderingen persoonsgegevens zijn, zodat het hof daarop eerst zal ingaan.

3.2 Het gaat blijkens het advies van het CBP om de volgende coderingen:

(i) afhandelingscoderingen geven aan in hoeverre de informatie operationeel gebruikt mag worden (bijvoorbeeld: de informatie mag operationeel worden gebruikt, de informatie mag slechts onder zware beperkingen worden gebruikt);

(ii) evaluatiecoderingen geven aan in hoeverre de informant betrouwbaar wordt geacht (betrouwbaar, meestal betrouwbaar, minder tot niet betrouwbaar, betrouwbaarheid niet te beoordelen) en op welke wijze de informant aan de informatie is gekomen (door hem zelf waargenomen, gehoord van iemand die erbij geweest is, door hem indirect gehoord).

3.3 Het CBP heeft in zijn advies overwogen dat sprake is van een persoonsgegeven indien een code, al dan niet in samenhang met de criminele inlichting waaraan deze is toegekend, bepalend is voor de wijze waarop verzoeker in het maatschappelijk verkeer wordt bejegend. Aangezien volgens het CBP zowel de afhandelingscodes als de evaluatiecodes rechtstreeks invloed hebben op de bejegening van betrokkene, niet alleen door de politie maar ook door derden, kwalificeert het CBP deze als persoonsgegevens in de zin van de Wpolr.

3.4 De Korpsbeheerder voert hiertegen aan dat de afhandelings- en de evaluatiecodes niet (meer) kenbaar worden gemaakt buiten de CIE-structuur en dat de coderingen slechts iets zeggen over de wijze waarop binnen de CIE met de onder de betreffende coderingen geregistreerde gegevens dient te worden omgegaan. Informatie wordt door de CIE verstrekt door middel van een proces-verbaal en ook wordt wel gebruik gemaakt van kale tekstblokken. In geen van beide gevallen worden de codes verstrekt.

3.5 Het hof oordeelt als volgt. Onder ‘persoonsgegeven’ moet worden verstaan elk gegeven betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon (art. 1 onder a Wet bescherming persoonsgegevens j° art. 1 lid 1 onder i Wpolr). Tussen partijen bestaat er geen geschil over dat de op [appellant] betreffende CIE-mutaties persoonsgegevens in de zojuist genoemde zin zijn. Uit de wetsgeschiedenis van de Wet bescherming persoonsgegevens blijkt dat het (maatschappelijk) gebruik dat van gegevens wordt gemaakt medebepalend is voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een persoonsgegeven. Het hof acht in dit verband van belang dat het bij de CIE-gegevens gaat om gegevens die bestemd zijn om in het kader van de opsporing van strafbare feiten te worden gebruikt en dat dergelijke gegevens dan ook bij uitstek invloed zullen hebben op de wijze waarop degene op wie die informaties betrekking hebben door justitie tegemoet wordt getreden.

3.6 Bij de onderhavige coderingen gaat het niet om administratieve aanduidingen die bestemd zijn om de informatie te ordenen. Het gaat veeleer om toevoegingen die aan de potentiële gebruikers van die informatie kenbaar maken (i) of de informatie al dan niet onder zekere beperkingen mag worden gebruikt en (ii) hoe de betrouwbaarheid van die informatie wordt ingeschat. Het spreekt voor zich dat dergelijke toevoegingen het gebruik dat van deze informatie wordt gemaakt mede bepalen en dat de bejegening van degene op wie die informaties betrekking heeft daar uiteindelijk door wordt beïnvloed. Het hof acht ook niet aannemelijk dat het systeem van coderingen, dat kennelijk met een bepaald doel is opgezet, in feite van geen enkele invloed zou zijn op de opsporing van strafbare feiten en daarmee op de bejegening van verdachte personen.

3.7 Aan het voorgaande doet niet af dat de betreffende coderingen mogelijk niet buiten de CIE worden verstrekt. De Korpsbeheerder erkent ook zelf dat de evaluatiecoderingen wel van invloed kunnen zijn op de inhoud van de informatie die door middel van een proces-verbaal worden verstrekt. Hetzelfde zal naar het oordeel van het hof voor de afhandelingscodes gelden, aangezien aangenomen moet worden dat juist deze codes bepalend zijn voor de vraag of de informatie waarop deze betrekking hebben buiten de CIE mag worden verstrekt.

3.8 Het hof concludeert dat de afhandelingscodes en de evaluatiecodes persoonsgegevens zijn in de zin van de Wpolr, voor zover zij zijn toegevoegd aan de op [appellant] betrekking hebbende persoonsgegevens. Dit betekent echter niet dat [appellant] zonder meer recht heeft op kennisneming van deze codes. Het hof zal eerst dienen na te gaan of kennisneming achterwege dient te blijven in verband met de goede uitoefening van de politietaak dan wel gewichtige belangen van derden. De Korpsbeheerder zal in de gelegenheid worden gesteld zijn opvatting dat deze gegevens niet aan [appellant] behoren te worden verstrekt te motiveren door de persoonsgegevens met de daaraan toegekende coderingen voorzien van een toelichting aan het hof te verstrekken. [appellant] zal overeenkomstig zijn aanbod van deze gegevens geen kennis mogen nemen, totdat het hof eventueeel bij eindbeschikking oordeelt dat kennisneming is toegestaan.

4.1 Het hof zal thans nagaan om welke persoonsgegevens het in hoger beroep nog gaat. Het hof neemt daarbij tot uitgangspunt dat de rechtbank in overweging 2.1 heeft vastgesteld dat het verzoek van [appellant] nog ziet op de aldaar door de rechtbank genoemde gegevens. Tegen die overweging heeft [appellant] (mogelijk met uitzondering van grief 5, waarover het hof hiervoor heeft beslist) geen grief gericht. Voor zover [appellant] dat wel heeft gedaan bij pleidooi in hoger beroep (pleitnota mr. Van Stratum p. 4) is dat ontoelaatbaar, aangezien de Korpsbeheerder er niet ondubbelzinnig mee heeft ingestemd dat in dat stadium van het geding nog een nieuwe grief kon worden aangevoerd. Het hof gaat er dan ook van uit dat het thans nog gaat om de (acht) categorieën van persoonsgegevens die de rechtbank in haar beschikking onder 2.1 heeft weergegeven, voor zover nodig aangevuld met het verzoek de audiogegevens te beluisteren dat besloten ligt in grief 5.

4.2 Het hof zal thans, mede aan de hand van het advies van het CBP, nagaan over welk deel van het verzoek thans reeds kan worden beslist.

(1) De resultaten en de daarbij behorende stukken van monsterneming in het Belgische laboratorium, die conform het verzoek van de Nederlandse autoriteiten zouden zijn verricht.

4.3 In het advies van het CBP wordt aangenomen dat er in België wel monsters zijn genomen maar dat deze daar niet zijn getest, dat het verzoek eerder betrekking lijkt te hebben op het onderzoek door het Nederlands Forensisch Instituut en dat de resultaten van dat onderzoek zich alle in het dossier (het hof neemt aan: het strafdossier van [appellant]) bevinden. Uit niets kan volgen dat dit anders is. Het verzoek van [appellant] voor zover het op deze gegevens betrekking heeft moet worden afgewezen, omdat zijn verzoek uitdrukkelijk niet betrekking heeft op de processtukken van zijn strafzaak (brief van mr. Van Stratum aan de Korpsbeheerder van 3 november 2003).

(2) Stukken waaruit zou kunnen blijken dat [appellant] in Suriname zou hebben geïnvesteerd.

4.4 Voor deze gegevens geldt dat de Korpsbeheerder gemotiveerd zal moeten aangeven waarom [appellant] in verband met het bepaalde in art. 21 lid 1 Wpolr en uitgaande van een toetsing ex nunc geen kennis van deze gegevens zou kunnen nemen.

(3) De in februari 2002 verwerkte CIE-matige mutaties.

4.5 Ook voor deze gegevens geldt dat de Korpsbeheerder gemotiveerd zal moeten aangeven waarom [appellant] in verband met het bepaalde in art. 21 lid 1 Wpolr en uitgaande van een toetsing ex nunc geen kennis van deze gegevens zou kunnen nemen.

(4) De door de politie Amsterdam-Amstelland aan het Xenonteam verstrekte mutaties betreffende de identificatie van [appellant].

4.6 Het CBP heeft in zijn advies aangegeven dat de betreffende gegevens zich bevinden in het daarvoor bestemde politieregister van het korps Amsterdam-Amstelland. Partijen zijn in hun reacties niet meer op dit punt ingegaan, zodat het hof ervan uitgaat dat wat het CBP vermeldt juist is. Dit betekent dat het onderhavige verzoek tegen de Korpsbeheerder Haaglanden moet worden afgewezen.

(5) Alle observatieverslagen, voor zover niet reeds gevoegd bij de processtukken.

4.7 De Korpsbeheerder heeft blijkens de beschikking van de rechtbank (overweging 3.6) aangevoerd dat ‘voor zover hem bekend’ alle observatieverslagen reeds bij de processen-verbaal in het strafdossier zijn gevoegd en dat het ‘ondoenlijk en tijdrovend is om na te gaan of dit daadwerkelijk het geval is’. Het hof acht dit een onvoldoende weerlegging van het verzoek van [appellant], in aanmerking nemend dat de Wpolr niet verlangt dat de betrokkene zijn verzoek specificeert en dat [appellant] vrijwillig zijn verzoek heeft beperkt tot de stukken die niet in het strafdossier zijn gevoegd. De Korpsbeheerder mag op een dergelijk verzoek niet zonder meer reageren met de mededeling dat het ondoenlijk en tijdrovend is om na te gaan of alle aanwezige observatieverslagen zich ook in het strafdossier bevinden. Het hof zal de Korpsbeheerder alsnog in de gelegenheid stellen om dit laatste onderzoek te verrichten en aan het hof en – aangezien geen beroep is gedaan op de weigeringsgrond van art. 21 lid 1 Wpolr – de wederpartij van de uitkomst van dat onderzoek verslag te doen.

(6) Het meldingsformulier MRO.

4.8 Dit punt is in hoger beroep geen onderwerp van geschil.

(7) Alle stukken betreffende de huiszoeking op 19 december 2001.

4.9 De Korpsbeheerder heeft blijkens de beschikking van de rechtbank (overweging 3.8) aangevoerd dat deze stukken in het strafdossier zijn gevoegd. Aangezien niet blijkt dat [appellant] wat dat aangaat een andere mening is toegedaan, gaat het hof er van uit dat zijn verzoek, dat uitdrukkelijk is beperkt tot stukken die niet in de strafdossiers zijn gevoegd, geen betrekking heeft op deze stukken.

(8) Journaals en gespreksverslagen van contacten die hebben plaatsgehad tussen de politie Amsterdam-Amstelland en andere politieteams en derden.

4.10 Ten aanzien van de journaals in de ontnemingsprocedure heeft de Korpsbeheerder aangevoerd (beschikking rechtbank overweging 3.9) dat de goede uitvoering van de politietaak in de weg staat aan kennisneming. Overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen zal de Korpsbeheerder gemotiveerd moeten aangeven waarom [appellant] in verband met het bepaalde in art. 21 lid 1 Wpolr en uitgaande van een toetsing ex nunc geen kennis van deze gegevens zou kunnen nemen.

4.11 Wat betreft de journaals in de strafrechtelijke procedure stelt de Korpsbeheerder zich op het standpunt dat deze zich alle in het strafdossier bevinden. Aangezien niet blijkt dat [appellant] wat dat aangaat een andere mening is toegedaan gaat het hof er van uit dat zijn verzoek, dat uitdrukkelijk is beperkt tot stukken die niet in de strafdossiers zijn gevoegd, geen betrekking heeft op deze stukken.

4.12 Hiervoor (onder 2.12) heeft het hof overwogen dat het grief 5 aldus leest dat [appellant] betoogt dat hij alsnog kennis wil nemen van de audiogegevens, dat wil zeggen dat hij alsnog de tapgesprekken wil uitluisteren die gemaakt zijn van gesprekken die gevoerd werden over op zijn naam staande telefoonlijnen. Hierover heeft het hof hiervoor al beslist.

5.1 Het voorgaande leidt tot de volgende conclusie:

(a) [appellant] mag kennisnemen van de audiogegevens van de taps die gemaakt zijn van de gesprekken die via zijn telefoonlijnen zijn gevoerd (zie hiervoor onder 2.16);

(b) de Korpsbeheerder dient het volgende over te leggen aan het hof:

(i) afschrift van elk [appellant] betreffend persoonsgegeven (waarop het verzoek van [appellant] betrekking heeft, zie hiervoor);

(ii) per persoonsgegeven voorzien van een toelichting waarom mededeling van dat persoonsgegeven aan [appellant], dan wel mededeling daarvan in combinatie met mededeling van een of meer andere persoonsgegevens, uitgaande van een toetsing ex nunc de goede uitvoering van de politietaak zou schaden en/of waarom gewichtige belangen van derden zich daartegen thans verzetten.

In deze toelichting zal de Korpsbeheerder tevens aandacht dienen te besteden aan de vraag of, indien kennisneming door [appellant] van een bepaald persoonsgegeven afbreuk zou doen aan de belangen van art. 21 lid 1 Wpolr, wellicht wel een gedeelte daarvan of een geanonimiseerde versie zou kunnen worden meegedeeld.

(c) de Korpsbeheerder zal aan het hof en aan [appellant] dienen mee te delen welke van de bedoelde observatieverslagen zich in het strafdossier bevinden en welke niet en [appellant] zal hierop mogen reageren (zie hiervoor onder 4.7).

5.2 Het hof zal een raadsheer-commissaris benoemen aan wie de in te dienen stukken rechtstreeks kunnen worden toegezonden en die ervoor zal zorgdragen dat de vertrouwelijkheid wordt gewaarborgd voor zover het betreft de hiervoor onder 5.1 (b) genoemde stukken.

Beslissing

Het hof:

- stelt de Korpsbeheerder in de gelegenheid zich uit te laten overeenkomstig hetgeen hiervoor is overwogen;

- bepaalt dat de door de Korpsbeheerder in te dienen stukken uiterlijk 15 september 2008 moeten worden verzonden aan de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. S.A. Boele (Postbus 20302 2500 EH Den Haag);

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en G. Dulek-Schermers en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 juni 2008.