Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD3374

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-06-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
2200522807
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft in zijn woning slaapruimte geboden aan twee Bulgaren die illegaal in Nederland verbleven en daarvoor van ieder van hen EUR 100,00 per maand ontvangen. Aldus heeft de verdachte winst verkregen uit het verschaffen van verblijf aan illegalen.

Verdachte wordt terzake veroordeeld tot een geldboete van 4000 euro, subsidiair 50 dagen hechtenis en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005228-07

Parketnummer(s): 09-665189-07

Datum uitspraak: 6 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 1 oktober 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1960,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 23 mei 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van EUR 5.000,00, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 55 dagen. Voorts is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging met betrekking tot de feiten 2 en 3 omdat de verdachte voor deze feiten reeds aan de transactievoorwaarde heeft voldaan.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is niet gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep genomen beslissingen ten aanzien van het onder 2 en 3 tenlastegelegde.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen, derhalve enkel feit 1.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het (bij inleidende dagvaarding onder 1) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

het een ander uit winstbejag behulpzaam zijn bij het zich verschaffen van verblijf in Nederland, een andere lidstaat van de Europese Unie, IJsland, Noorwegen of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, of hem daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen verschaft, terwijl hij ernstige redenen heeft te vermoeden dat dat verblijf wederrechtelijk is.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de verdediging is de strafbaarheid van het handelen van de verdachte betwist op twee gronden.

1. Geen kennis omtrent illegaliteit van Bulgaren

In de eerste plaats is betoogd dat de verdachte niet wist of reden had te vermoeden dat de bij hem verblijvende man en vrouw illegaal in Nederland verbleven. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte weliswaar wist dat zij Bulgaars waren, maar niet dat Bulgaren op dat moment illegaal waren in Nederland.

Het hof verwerpt dit verweer. De verdachte was – en is nog steeds, blijkens zijn mededeling ter terechtzitting van 23 mei 2008 - verhuurder van slaapplaatsen en diende zich in die hoedanigheid ervan op de hoogte te stellen aan wie hij slaapplaatsen mag verhuren. In de onderhavige zaak wist de verdachte dat hij slaapplaatsen verhuurde aan personen met de Bulgaarse nationaliteit. Van hem had mogen worden verwacht dat hij informatie zou hebben ingewonnen over de vraag of deze beide personen in Nederland een verblijfsvergunning nodig hadden en zo ja of zij daarover beschikten. Door dit niet te doen heeft de verdachte het risico op de koop toe genomen dat zij niet over een verblijfsvergunning beschikten.

Dit klemt temeer nu begin 2005, dus voorafgaand aan het ogenblik waarop de in de onderhavige zaak gewraakte ingebruikgeving plaatsvond, in zijn huis een controle heeft plaatsgevonden door de afdeling Commerciële Zeden van de politie Haaglanden. In het kader van die controle bleken vier, in dat huis aangetroffen personen, illegaal in Nederland te verblijven. Ook als dat aan de verdachte – zoals hij heeft gesteld – pas na die controle duidelijk is geworden, dan moet hij daardoor toch voor de toekomst doordrongen zijn geworden van het belang om zich deugdelijk te informeren over de verblijfsstatus van personen aan wie hij slaapplaatsen verhuurde en daarmee bijdroeg aan hun verblijf in Nederland.

2. Geen winstbejag

In de tweede plaats is aangevoerd dat de verdachte niet gehandeld heeft uit winstbejag. Enerzijds is daartoe aangevoerd dat hij heeft gehandeld op humanitaire gronden en is een beroep gedaan een rechtvaardigingsgrond/beroep op AVAS/noodtoestand/overmacht. Anderzijds is daartoe aangevoerd dat slechts een vergoeding van EUR 100,00 per maand werd gevraagd, welk bedrag symbolisch was en waarvan de verdachte niet rijk werd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het is niet aannemelijk geworden dat de verdachte gehandeld heeft op humanitaire gronden, te meer niet nu de verdachte wel een vergoeding vroeg voor de door hem verstrekte slaapplaatsen. Voor zover het verweer in die zin dus een beroep betreft op een rechtvaardigings- of schulduitsluitingsgrond faalt het.

Voor zover het verweer inhield dat er geen sprake was van winstbejag omdat de verdachte er niet rijk van werd, faalt het eveneens. Relevant is niet of de verdachte er rijk van werd, maar of er sprake was van verrijking, dat wil zeggen een voor betrokkene economisch gunstiger toestand dan waarin deze bij het achterwege laten van de gewraakte handeling zou komen te verkeren. Dit was in het onderhavige geval wel degelijk aan de orde. De verdachte ontving immers iedere maand – reeds van deze twee huurders - in totaal EUR 200,00, hetgeen een aanzienlijke besparing voor de verdachte opleverde in de kosten voor zijn woning en hetgeen derhalve aangemerkt kan worden als verrijking.

Nu ook voor het overige geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is de verdachte dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte (ter zake van het bij inleidende dagvaarding onder 1 tenlastegelegde) zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaren en een geldboete van EUR 4.000,00 (EUR 2.000,00 per illegaal), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 dagen hechtenis.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft in zijn woning slaapruimte geboden aan twee Bulgaren die illegaal in Nederland verbleven en daarvoor van ieder van hen EUR 100,00 per maand ontvangen. Aldus heeft de verdachte winst verkregen uit het verschaffen van verblijf aan illegalen. Deze handelwijze is laakbaar en ondermijnt bovendien het vreemdelingenbeleid van de Nederlandse regering. Een en ander rechtvaardigt straf, waarbij uit oogpunt van speciale preventie naast een onvoorwaardelijk deel tevens een voorwaardelijk deel geboden is, gelet op het feit dat de verdachte ook thans nog slaapplaatsen verhuurt en aldus in de verleiding zou kunnen komen om wederom slaapplaatsen te verhuren aan illegalen. Het hof is derhalve van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23(oud), 24(oud), 24c(oud) en 197a van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het (bij inleidende dagvaarding onder 1) tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van

EUR 4.000,00 (vierduizend euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 50 (vijftig) dagen.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

2 (twee) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. J.J.I. Verburg, mr. G.J.W. van Oven en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. E.J.M. van der Laan.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 6 juni 2008.