Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD3320

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-06-2008
Datum publicatie
09-06-2008
Zaaknummer
22-002497-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof spreekt groepsleider kinderopvang vrij van ontucht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002497-06

Parketnummer: 09-757294-05

Datum uitspraak: 9 juni 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 11 april 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 21 november 2007, 26 maart 2008 en 26 mei 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, dat de verdachte terzake van het onder 1 en 4 tenlastegelegde zal worden vrijgesproken en dat de verdachte terzake van de eendaadse samenloop van het onder 2 tweede en derde cumulatief tenlastegelegde en de eendaadse samenloop van het onder 3 eerste, tweede en derde cumulatief tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in hoger beroep op vordering van de advocaat-generaal gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 1,

2 eerste en tweede cumulatief en 4 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 derde cumulatief en 3 eerste cumulatief tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1], [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Door de officier van justitie en namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is conform de vordering van de advocaat-generaal niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte onder 1, 2 eerste cumulatief en 4 is tenlastegelegd.

Met betrekking tot het onder 2 tweede en derde cumulatief en het onder 3 tenlastegelegde overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft steeds ontkend zich te hebben schuldig gemaakt aan het onder 2 en 3 tenlastegelegde; met name heeft hij ontkend [kind A] te hebben getongzoend en (op enigerlei wijze) de penis[van kind B] te hebben betast.

De gegevens in het dossier die in een andere richting wijzen zijn met name te herleiden tot

a) de uitlatingen van het driejarige kind [kind A] ten overstaan van haar ouders, naar aanleiding van het feit dat zij verrassenderwijs op een gegeven moment haar moeder een tongzoen gaf;

b) de uitlatingen van het vijfjarige kind [kind B] ten overstaan van zijn moeder en de getuige [getuige 1] omtrent de ontuchtige handelingen (het herhaaldelijk beroeren van zijn penis) die [kind B] zou hebben ervaren van de kant van de verdachte, en het naderhand plaatsgevonden hebbende studioverhoor van [kind B].

Ad a): Uit de uitlatingen van [kind A] zou kunnen worden afgeleid dat de verdachte, die zij “[verdachte]” placht te noemen, haar op school heeft getongzoend en dat dit een “geheimpje” vormde dat [kind A] onder geen beding verder mocht vertellen.

Met het oog op haar nog zeer jeugdige leeftijd is [kind A] niet zelf gehoord. Uit de verklaringen van de beide ouders blijkt dat zij over deze aangelegenheid weliswaar met prijzenswaardige voorzichtigheid vragen aan hun dochter hebben gesteld, maar dat niet ondubbelzinnig is komen vast te staan dat het [kind A] geweest is die de naam van de verdachte spontaan heeft genoemd. Veeleer acht het hof het aannemelijk geworden dat zij op “aangeven” van haar vader de verdachte heeft aangewezen. Deze laatste omstandigheid acht het hof van doorslaggevende betekenis, mede gelet op de nog wel zeer jeugdige leeftijd van het desbetreffende kind en ook op de omstandigheid dat als regel kinderen op die leeftijd “moeilijk in détail en in chronologische volgorde kunnen vertellen” (vgl. de getuige-deskundige Van der Sleen op de terechtzitting in hoger beroep) en ook nog als zeer beïnvloedbaar kunnen worden aangemerkt.

Ad b): De uitlatingen van [kind B] kunnen, zeker in het licht van het later plaatsgevonden hebbende studioverhoor niet als consistent worden beschouwd. Aanvankelijk verklaart hij ook in het openbaar (op het schoolplein en elders in het gebouw) door de verdachte aan zijn ontblote penis te zijn betast. In zijn studioverklaring zou dat betasten alleen hebben plaatsgevonden op de WC, voorafgaande aan de daartoe noodzakelijke door de verdachte uit te voeren verzorgingshandelingen. Het hof hecht, mede gelet op de omstandigheid dat ongeoorloofde seksuele handelingen naar hun aard meestal een heimelijk karakter dragen en zich derhalve niet in de openbaarheid plegen te voltrekken, geen geloof aan [kind B]’s verklaring voorzover deze betrekking heeft op ongeoorloofde handelingen die niet op de WC zouden hebben plaatsgevonden, welke verklaring kennelijk aan zijn jeugdige fantasie is ontsproten.

Voor het overige overweegt het hof het navolgende. De aangifte in deze zaak en de bovenbedoelde uitlatingen van [kind B] zijn tot stand gekomen nadat op [kinderopvang] grote onrust was ontstaan onder de ouders omtrent de aangifte betrekking hebbende op [kind A]. Het hof sluit niet uit dat de uitlatingen van [kind B] rechtstreeks of indirect door deze omstandigheid zijn beïnvloed. Het hof sluit mede in dat verband, gelet ook op diens jeugdige leeftijd, bepaald niet uit dat [kind B] geen deugdelijk onderscheid heeft kunnen maken tussen ontuchtige aanrakingen en op zichzelf geoorloofde verzorgingshandelingen.

Het hof is, bovengenoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, van oordeel dat niet in voldoende overtuigende mate is komen vast te staan dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de hem onder 2 tweede en derde cumulatief en 3 verweten gedragingen en spreekt hem derhalve daarvan vrij.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.000,= (voorschot).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte terzake van het onder 2 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.000,- (voorschot).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in haar vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte terzake van het onder 3 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.025,= (voorschot).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte terzake van het onder 1 eerste cumulatief, tweede cumulatief en derde cumulatief tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.000,- (voorschot).

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in zijn vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte terzake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 eerste, tweede en derde cumulatief, 2 eerste, tweede en derde cumulatief, 3 eerste, tweede en derde cumulatief en 4 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Oosterhof,

mr. F. Heemskerk en mr. L. Bakker-Splinter,

in bijzijn van de griffier mr. L. Hansman.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 juni 2008.