Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD3264

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-05-2008
Datum publicatie
11-06-2008
Zaaknummer
105.011.969/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Draagkrachtruimteverdeling tussen de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 mei 2008

Zaaknummer : 105.011.969/01

Rekestnummer : 1404-D-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-8363

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. R.A. Kaarls,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.M. Menheere.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 4 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 4 juli 2007.

De moeder heeft op 17 december 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 8 januari 2008 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 19 oktober 2007 en 31 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 11 april 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J. van der Stel, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.A. Bos. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, heeft bepaald dat de vader de wettelijke indexering over de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie aan de moeder dient te voldoen vanaf januari 2004 en voorts heeft bepaald dat de vader aan de moeder met terugwerkende kracht met ingang van 1 oktober 2006 ten behoeve van [het kind], geboren op [datum] 1996, hierna te noemen: [het kind], een alimentatie dient te betalen van € 186,- per maand, vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad de moeder in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar verzoeken af te wijzen en zijn verzoeken alsnog toe te wijzen, kosten rechtens.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen met wijziging van deze beschikking op het punt van de behoefte van [het kind], zulks door het door de rechtbank dienaangaande vastgestelde bedrag te verhogen.

4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, het door de moeder in incidenteel appel verzochte af te wijzen, kosten rechtens.

Behoefte van [het kind]

5. De moeder betoogt in incidenteel appel dat de behoefte van [het kind], gelet op het feit dat partijen thans voltijds werken, hoger ligt dan het door de rechtbank bepaalde bedrag van € 200,- per maand. Uitgaande van het toegenomen inkomen van partijen komt de moeder aan de hand van de Nibud-tabellen tot een behoefte van € 290,- per maand.

6. De vader betoogt dat de moeder ten onrechte uitgaat van de huidige inkomens van partijen. De moeder heeft gesteld meer te zijn gaan werken. Dit zou niet het geval zijn geweest indien partijen de relatie hadden voortgezet. Volgens de vader is voor de vaststelling van de behoefte van [het kind] het netto gezinsinkomen van partijen ten tijde van het verbreken van de relatie relevant. De moeder heeft in eerste aanleg geen bewijs overgelegd van het inkomen van partijen destijds. Voor zover het hof uitgaat van de huidige inkomens van partijen, dient het door de moeder gestelde inkomen te worden gebruikt bij de vaststelling van het eigen aandeel van partijen in de behoefte van [het kind]. Dit zou er volgens de vader toe leiden dat hij dan een aandeel van maximaal € 165,- per maand heeft.

7. Het hof overweegt als volgt. Voor de vaststelling van de behoefte van een kind is volgens het rapport ‘Kosten van kinderen’ van de werkgroep alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak de grondslag in beginsel het netto gezinsinkomen ten tijde van de beëindiging van de relatie, dus het inkomen van beide ouders bij elkaar opgeteld. Het hof stelt vast dat de vader en de moeder in eerste aanleg noch in hoger beroep inkomensgegevens hebben overgelegd die betrekking hebben op het moment dat zij hun relatie beëindigden. Gelet hierop zal het hof de behoefte van [het kind] stellen op € 200,- per maand, nu beide partijen in eerste aanleg hebben gesteld, bij gebreke van gegevens, van een behoefte van € 200,- per maand uit te gaan. Het hof passeert de stelling van de vrouw dat de behoefte van [het kind] hoger ligt dan € 200,-, nu haar stelling dat voor de vaststelling daarvan dient te worden uitgegaan van de actuele inkomensgegevens van beide partijen, onjuist is.

Eigen aandeel partijen in de behoefte van [het kind]

8. Het hof zal ter bepaling van ieders aandeel een draagkrachtvergelijking maken, waarbij ook hier zal worden uitgaan van de financiële positie van partijen in 2007.

Draagkracht moeder

9. In grief 6 betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de draagkracht van de moeder € 15,- per maand bedraagt. De vader voert hiertoe aan dat uit de bestreden beschikking niet blijkt dat de rechtbank rekening heeft gehouden met heffingskortingen waarop de moeder een beroep kan doen.

10. De moeder stelt dat met de door de vader genoemde heffingskortingen rekening is gehouden, met uitzondering van de aanvullende kinderkorting, nu deze niet meer bestaat.

11. Het hof zal in het kader van het berekenen van het netto besteedbaar inkomen rekening houden met de heffingskortingen, waarvoor de moeder in aanmerking komt. Het hof neemt bij de lasten de door de rechtbank in aanmerking genomen en in hoger beroep door de vader niet betwiste maandelijkse lasten van de moeder in aanmerking. Voorts zal het hof voor wat betreft de draagkrachtvergelijking – conform het Rapport van de Werkgroep Alimentatienormen – [het kind] buiten beschouwing laten, hetgeen betekent dat in zoverre ook de moeder als alleenstaande wordt beschouwd.

Draagkracht vader

12. De vader stelt dat zijn draagkracht negatief is en verwijst ter onderbouwing van deze stelling naar hetgeen hij heeft aangevoerd in de grieven 2, 3 en 4. In grief 2 betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat voor hem de norm voor een alleenstaande geldt. De vader voert hiertoe aan dat hij de zorg draagt voor zijn partner, nu zij volledig invalide is en derhalve niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Met het oog daarop is het volgens de vader redelijk om op hem de norm voor samenwonenden van toepassing te laten zijn. Voorts dienen de medische kosten van zijn partner op zijn draagkracht in mindering te worden gebracht. De vader voert hiertoe aan dat zijn partner vanwege deze medische kosten niet in haar levensonderhoud kan voorzien en hij derhalve daarvoor zorg dient te dragen. Deze kosten dienen volgens de vader dan ook te prevaleren boven de verplichting tot betaling van kinderalimentatie.

13. De moeder stelt dat de partner van de vader uit hoofde van een WAO-uitkering een inkomen heeft op bijstandsniveau en derhalve in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De rechtbank heeft derhalve terecht de norm voor een alleenstaande toegepast. De moeder betwist voorts de gestelde medische kosten, nu zij nimmer zijn aangetoond. Voor zover er sprake is van medische kosten stelt de moeder dat de partner voor deze kosten is verzekerd en zij de kosten via onder meer fiscale regelingen vergoed krijgt. Zij prevaleren niet boven de verplichting tot betaling van kinderalimentatie.

14. Nu de partner van de vader een WAO-uitkering ontvangt die in hoogte niet lager is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, gaat het hof er van uit dat de partner in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Ook de gestelde andere dan in rechtsoverweging 16 vermelde kosten dienen op die grond voor rekening van de partner zelf komen. Voor de vader geldt de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Het hof zal voorts rekening houden met de helft van de door de vader opgevoerde maandelijkse woonlasten.

15. In grief 3 betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte de maandelijkse aflossing van € 111,- op een lening niet in de berekening van zijn draagkracht heeft betrokken. De vader voert hiertoe aan dat hij en zijn partner de lening hebben moeten aangaan in verband met onder meer de medische kosten die de invaliditeit van zijn partner met zich brengt.

16. De moeder stelt dat uit de door de vader overgelegde ‘verklaring van de schuld’ volgt dat de lening is aangegaan ten behoeve van de aanschaf van een auto, een verhuizing en een nieuw bed. De lening is derhalve, anders dan de vader stelt, niet aangegaan in verband met de medische kosten van de partner van de vader. Bovendien is de noodzaak van het aangaan van deze lening niet aangetoond. De aflossingen op de lening dienen volgens de moeder dan ook niet te prevaleren boven de verplichting tot betaling van kinderalimentatie.

17. Het hof is van oordeel dat de vader de noodzakelijkheid van de aanschaf van een nieuw bed en een auto in verband met de medische toestand van zijn partner voldoende heeft aangetoond. Het hof zal om die reden rekening houden met een maandelijkse aflossing van € 50,-.

18. Dit alles leidt ertoe dat het aandeel van de moeder in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] € 48,- per maand bedraagt en het aandeel van de vader € 152,- per maand bedraagt. Uit de draagkrachtberekeningen volgt dat de vader, rekening houdend met fiscaal voordeel, in staat is zijn aandeel in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] volledig te betalen. Het hof zal deze bijdrage dan ook vaststellen als na te melden.

Ingangsdatum

19. In grief 8 betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij de bij de bestreden beschikking vastgestelde kinderalimentatie met terugwerkende kracht vanaf 1 oktober 2006 dient te voldoen. De vader voert hiertoe aan dat hij niet over de voor de betaling van de achterstand noodzakelijke financiële reserves beschikte en door de betaling van de achterstand in financiële problemen is geraakt.

20. De moeder betoogt dat 1 oktober 2006 geen onredelijke datum is, nu zij de vader reeds op 29 maart 2006 heeft verzocht om gegevens in verband met een gewenste verhoging van de kinderalimentatie.

21. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot de ingangsdatum van 1 oktober 2006 is gekomen. Het hof neemt die gronden geheel over en maakt die tot de zijne. Naar het oordeel van het hof biedt hetgeen de man in hoger beroep heeft aangevoerd onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

Indexering

22. De vader betoogt in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het verzoek van de moeder tot jaarlijkse indexering van de kinderalimentatie met ingang van januari 2004 dient te worden toegewezen. De vader voert hiertoe aan dat de moeder eerst na jaren om indexering heeft verzocht en geen belang heeft bij indexering met terugwerkende kracht, nu zij gedurende de afgelopen jaren een (aanvullende) WWB-uitkering heeft ontvangen.

23. De moeder betoogt dat indexering ingevolge artikel 1:402a BW ook in geval van een tussen partijen overeengekomen alimentatie van rechtswege plaatsheeft en dat de vader daarvan op de hoogte had kunnen en moeten zijn. De moeder stelt dat de wettelijke indexering niet door partijen was uitgesloten. De vader voert volgens de moeder geen enkele (redelijke) grond aan op grond waarvan de indexering zou moeten worden uitgesloten. De moeder stelt dat zij vanwege de executiemogelijkheden belang heeft bij haar verzoek de indexering in een beschikking vast te leggen.

24. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hof neemt die gronden geheel over en maakt die tot de zijne. Het hof voegt hieraan toe dat het stilzitten van de vrouw niet het oordeel rechtvaardigt dat zij daarmee afstand heeft gedaan van haar – wettelijke – recht op indexering.

25. In grief 9 betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zijn zelfstandige verzoek dient te worden afgewezen. Ter onderbouwing verwijst de vader naar het aangevoerde onder de grieven 1 tot en met 8.

26. De moeder betoogt dat de zelfstandige verzoeken van de vader geen bespreking behoeven, nu de rechtbank deze terecht heeft afgewezen.

27. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat, gelet op hetgeen is overwogen met betrekking tot de grieven 1 en 8, de rechtbank de verzoeken van de vader terecht heeft afgewezen.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de vader aan de moeder ten behoeve van [het kind] een alimentatie dient te betalen van € 186,- per maand en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 oktober 2006 op € 152,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Dusamos en Hulsebosch, bijgestaan door mr. van Elden als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 mei 2008.