Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD3205

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-05-2008
Datum publicatie
04-06-2008
Zaaknummer
414-R-08
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep en tussenbeschikking; niet-ontvankelijk; beslissing op verzoek tot verlof om in hoger beroep te mogen niet afgewacht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 14 mei 2008

Rekestnummer : 414-R-08

Rekestnr. rechtbank : 05-1596/06-645

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.D. Drok,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. J.C.M. Berbée-van Koningsbruggen.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 10 maart 2008 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 12 december 2007.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 10 maart 2008 en 27 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 28 maart 2008 is de ontvankelijkheid van de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vrouw, mr. M.H.G. Habets, en de advocaat van de man. De raadslieden van partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De vrouw en de man zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET HOGER BEROEP

1. De advocaat van de vrouw stelt zich op het standpunt dat de beschikking van 12 december 2007 heeft te gelden als deelbeschikking. Daartoe voert zij – kort gezegd – aan dat er in het lichaam van de beschikking, ten aanzien van de uitleg van het inkomensbegrip in het kader van de huwelijkse voorwaarden, een eindbeslissing is gegeven. Voorts heeft de advocaat van de vrouw verklaard dat zij bij de rechtbank te Middelburg een verzoek heeft ingediend teneinde verlof te verkrijgen voor het instellen van hoger beroep tegen vorenbedoelde beschikking.

2. De advocaat van de man stelt dat tegen een tussenbeschikking slechts hoger beroep kan worden ingesteld tegelijk met de eindbeschikking, tenzij de rechter anders heeft bepaald. De advocaat van de man betoogt dat in dit geval de beschikking van 12 december 2007 weliswaar een aantal eindbeslissingen bevat, maar dat er geen sprake is van een eindbeschikking. Voorts stelt de advocaat van de man dat de vrouw het verzoek aan de rechtbank om te mogen appelleren tegen de tussenbeschikking moeten indienen binnen de appeltermijn.

3. Het hof is van oordeel dat, bij afwezigheid van een eindbeslissing in het dictum, de bestreden beschikking een tussenbeschikking is, waarvan op grond van artikel 358 lid 4 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afzonderlijk hoger beroep niet is toegelaten, tenzij de rechter anders bepaalt. Ter zitting is gebleken dat de vrouw op 27 maart 2008 de rechtbank heeft verzocht alsnog te bepalen dat beroep mogelijk is van de beschikking van 12 december 2007. Dit verzoek kan evenwel niet meer tot de beoogde toelating in hoger beroep leiden, aangezien het is gedaan na ommekomst van de beroepstermijn. Het feit dat de vrouw wél tijdig hoger beroep tegen de beschikking van 12 december 2007 heeft ingesteld, doet aan het vorenstaande niet af.

4. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt ertoe dat de vrouw niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar hoger beroep.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vrouw niet-ontvankelijk in haar hoger beroep.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Bos en Milar, bijgestaan door mr. Vermaas-Koetsier als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 mei 2008.