Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD2467

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-05-2008
Datum publicatie
27-05-2008
Zaaknummer
105.006.097
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betaling contributie voor leden van een gelieerde rechtspersoon.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.006.097/01

Rolnummer (oud) : 07/232

Rolnummer rechtbank : 06-235

arrest van de eerste civiele kamer d.d. 22 mei 2008

inzake

SPORT- EN ONTSPANNINGSVERENIGING CLUBGENOTEN WEEST PARAAT,

gevestigd te ’s-Gravenhage,

appellante,

hierna te noemen: CWP,

procureur: mr. G. Janssen,

tegen

DE KONINKLIJKE NEDERLANDSE ZWEMBOND,

gevestigd te Nieuwegein,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de KNZB,

procureur: mr. E. Grabandt.

Het geding

Bij exploot van 9 februari 2007 is CWP in hoger beroep gekomen van het vonnis van 17 januari 2007, door de rechtbank ’s-Gravenhage gewezen tussen de KNZB als eiseres en CWP en de Afdeling Zwemmen van CWP als gedaagden. Bij memorie van grieven (met producties) heeft CWP drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de KNZB bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden. Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1 De KNZB is een overkoepelende vereniging van Nederlandse zwemverenigingen die zich ten doel stelt de beoefening van het zwemmen te bevorderen en meer algemeen te maken en alles te doen wat tot dit doel kan leiden of daartoe bevorderlijk kan zijn.

1.2 CWP is een multisportvereniging en kent diverse afdelingen, waaronder de afdeling Zwemsport (tot 1 januari 1997 genaamd: de afdeling Zwemmen). In 1981 heeft CWP voor deze afdeling Zwemmen het lidmaatschap van de KNZB verworven. Bij deze afdeling waren toen alle aan zwemmen gerelateerde activiteiten van CWP ondergebracht.

1.3 De statuten van de KNZB bepalen onder meer, voorzover in dit geschil van belang:

“6.1 Leden van de KNZB kunnen slechts zijn (…) verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid, die dezelfde of een soortgelijke doelstelling als de KNZB hebben.

6.2 Verenigingen met volledige rechtsbevoegdheid die, naast één of meer afdelingen die zich de beoefening van andere sporten dan zwemmen ten doel stellen, een niet rechtsbevoegdheid bezittende afdeling hebben, waarvan het doel de beoefening van het zwemmen is, kunnen als lid van de KNZB uitsluitend voor die afdeling worden toegelaten, (…).

“13.1 De leden zijn gehouden tot het betalen aan de KNZB van een jaarlijkse ledenbijdrage, bestaande voor ieder lid van de KNZB uit een jaarlijks bedrag, vermeerderd met een jaarlijks bedrag per lid, ondersteunend lid of andere aangeslotene van het lid van de KNZB, zulks genomen in de ruimste zin van het woord (…). Onder andere aangeslotenen worden mede verstaan zij, die op enigerlei wijze min of meer regelmatig van de diensten van een lid gebruikmaken.

(…)

13.3 Onder een aangeslotene als bedoeld in lid 1 van dit artikel wordt tevens begrepen een lid, ondersteunend lid, contribuant of begunstiger, in welke vorm dan ook, dan wel een persoon, die op enigerlei wijze min of meer regelmatig gebruik maakt van de diensten van een rechtspersoon met een doelstelling, die hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk gelijk of gelijksoortig is aan die van de KNZB, indien deze rechtspersoon gelieerd is aan een lid van de KNZB, op welke wijze ook, hetzij bestuurlijk, hetzij financieel, hetzij via zeggenschap op andere wijze.”

1.4 Op 18 februari 1996 heeft penningmeester [naam, hierna: de penningmeester] op briefpapier van CWP aan de KNZB geschreven dat het voor de afdeling Zwemmen van CWP onmogelijk is de door de KNZB gestuurde statuten te accorderen, daar zij als afdeling daar niet toe bevoegd is. Een jaar later heeft [de penningmeester] aan de KNZB bericht geen reactie op voornoemd schrijven te hebben ontvangen en alsnog om een reactie verzocht.

1.5 CWP doet jaarlijks opgave van haar voor de KNZB van belang zijnde ledenaantal. Vanaf 1981 tot 1997 heeft CWP voor alle leden van de afdeling Zwemmen contributie betaald. In het contributiejaar 1994 werd voor 1043 leden contributie betaald, in 1995 voor 1049 leden, in 1996 voor 987 leden en in 1997 voor 1028 leden.

1.6 Sinds 1997 heet de afdeling Zwemmen afdeling Zwemsport. Daarnaast is toen opgericht een nieuwe afdeling, afdeling Aqua Motions, die zich bezig hield met alles wat met zwemmen te maken had zoals snorkelduiken, aquarobics en zwemles. In 1998 is deze afdeling met de afdeling Doelgroepen opgegaan in wat thans de afdeling Select heet.

1.7 CWP is vanaf juni 1997 een samenwerking aangegaan met de zelfstandige zwemvereniging Onder Ons. De vereniging Onder Ons maakt gebruik van faciliteiten van CWP. Tot 23 juli 1999 was de zwemvereniging Onder Ons lid van de KNZB. Per die datum is zij als lid uitgeschreven.

1.8 Na 1997 heeft CWP jaarlijks uitsluitend het aantal leden verbonden aan de afdeling Zwemsport aan de KNVB opgegeven met het oog op contributiebetaling, zijnde vanaf 1998 t/m 2004 tussen de 71 en 187 leden. Aqua Motions had in de periode 1998 t/m 2000 jaarlijks resp. 785, 1066 en 1152 leden.

1.9 Bij brief van 31 december 2001 heeft de KNZB CWP meegedeeld dat met betrekking tot de ledenopgaven artikel 13 van de statuten van de KNZB niet is nageleefd. Daarbij heeft de KNZB de ledenopgaven van 1998 t/m 2001 gecorrigeerd en een naheffing van € 25.491,91 aangekondigd.

1.10 Op 20 september 2005 heeft de Commissie van Beroep van de KNZB op verzoek van het bestuur van de KNZB een bindende uitleg gegeven over de strekking van het begrip “andere aangeslotene” als bedoeld in artikel 13 van de statuten.

2.1 Op 5 januari 2006 heeft de KNZB CWP en haar afdeling Zwemmen (Zwemsport) gedagvaard voor de rechtbank en gevorderd onder meer verklaringen voor recht dat CWP en haar afdeling Zwemmen gebonden zijn aan het bindend advies c.q. de bindende uitleg van de Commissie van Beroep en dat al degenen die lid zijn van een afdeling van de CWP die zich richt op zwemmen, beschouwd moeten worden als lid, ondersteunend lid of andere aangeslotenen van het lid, als bedoeld in artikel A13, eerste lid van de statuten. Voorts heeft zij gevorderd CWP en haar afdeling Zwemmen hoofdelijk te veroordelen tot betaling van € 25.491,91 als nabetaling van de contributie over de jaren 1998 t/m 2001, vermeerderd met rente, en haar te gelasten opnieuw opgave te doen van haar ledenaantallen over de contributiejaren 2002 t/m 2005 onder verbeurte van een dwangsom.

2.2 De rechtbank heeft de KNZB niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering jegens de afdeling Zwemmen, omdat niet deze afdeling, maar CWP destijds lid is geworden van de KNZB (voor haar afdeling Zwemmen) en de bij het lidmaatschap van de KNZB behorende rechten en verplichtingen zien op rechten en verplichtingen van CWP, niet van haar afdeling.

Voorts heeft de rechtbank voor recht verklaard dat degenen die lid zijn van of verbonden zijn aan een afdeling van CWP die zich richt op zwemmen in de breedste zin des woords, beschouwd moeten worden als “lid of andere aangeslotene van het lid” als bedoeld in artikel 13, lid 1, van de statuten, CWP veroordeeld tot betaling van € 25.491,91, met rente, ten titel van nabetaling van contributie en CWP gelast om opnieuw opgave te doen van haar ledenaantallen over de contributiejaren 2002 t/m 2005, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- per dag dat zij daarmee in gebreke blijft, met een maximum van € 25.000,-. De rechtbank overwoog daartoe dat artikel A13 van de statuten op CWP als lid van de KNZB van toepassing is en dat CWP gehouden is aan KNZB een contributie te betalen die mede gebaseerd is op het aantal leden van de afdelingen Aqua Motions en Onder Ons. Daarbij liet de rechtbank in het midden of de afdelingen kunnen worden beschouwd als verenigingen met beperkte rechtsbevoegdheid, want in geval dat niet zo is, moeten de bij haar aangesloten personen worden beschouwd als leden van CWP en in geval dat wel zo is, kunnen de leden van de afdelingen als aangeslotene in de zin van artikel A13, derde lid, worden beschouwd, omdat de afdelingen een doelstelling hebben die gelijk of gelijksoortig is aan de doelstelling van de KNZB en zij gelieerd zijn aan CWP.

2.3 CWP is tijdig van dit vonnis in hoger beroep gekomen.

3.1 De eerste grief van CWP richt zich tegen de vaststelling door de rechtbank dat de afdeling Aqua Motions thans de naam Onder Ons draagt. Zij voert aan dat de afdeling Aqua Motions is ondergebracht in de afdeling Doelgroepen, thans Select genaamd, dat binnen CWP actief zijn de afdeling Zwemsport, de afdeling Select en de afdeling Onder Ons en dat CWP vanaf juni 1997 is gaan samenwerken met de zelfstandige vereniging Onder Ons, waarbij Onder Ons een zelfstandige vereniging is gebleven, met een eigen administratie, een eigen girorekening, eigen leden en een eigen bestuur.

3.2 Deze grief kan CWP niet baten. Ingevolge artikel A13 moet niet alleen contributie worden afgedragen voor iedereen die op enigerlei wijze min of meer regelmatig gebruik maakt van de diensten van CWP (gericht op zwemmen), maar ook voor iedereen die op enigerlei wijze min of meer regelmatig gebruik maakt van de diensten van een aan CWP gelieerde rechtspersoon met een doelstelling die geheel of gedeeltelijk gelijk of gelijksoortig is aan die van de KNZB.

3.3 Dit brengt met zich dat ook leden van c.q. betrokkenen bij Onder Ons “aangeslotenen” kunnen zijn in de zin van artikel 13 van de statuten als Onder Ons een geheel zelfstandige afdeling is (al dan niet samenwerkend met nog een andere zelfstandige vereniging Onder Ons). De rechtbank heeft terecht overwogen dat beoordeeld moet worden (a) of Onder Ons een doelstelling heeft die geheel of gedeeltelijk gelijk of gelijksoortig is aan de doelstelling van de KNZB en (b) of Onder Ons gelieerd is aan het lid van de KNZB (i.c. aan CWP). Zowel in geval Onder Ons een zelfstandige rechtspersoon is (met eigen leden), als in geval Onder Ons als afdeling van CWP geen rechtspersoon is (met leden van CWP) is, moet contributie aan de KNZB worden afgedragen als aan (a) en (b) is voldaan.

4.1 De tweede grief van CWP richt zich tegen de conclusie van de rechtbank dat de afdelingen Aqua Motions/Doelgroepen/Select en Onder Ons als aangeslotene moeten worden beschouwd krachtens artikel A13, lid 3, van de statuten, gezien de samenhang tussen de doelstelling en het feit dat de afdelingen gelieerd zijn aan CWP. CWP voert aan dat zij bij Onder Ons geen enkele invloed heeft op bestuurlijk vlak, financieel gebied of zeggenschap op andere wijze. Voorts heeft Onder Ons haar lidmaatschap van de KNZB opgezegd, welke opzegging door de KNZB is aanvaard. Volgens CWP meet de KNZB met twee maten omdat een vereniging die zich bezig houdt met zwemmen niet altijd lid hoeft te zijn van de KNZB, terwijl een vereniging die zich bezighoudt met zwemsport voor al haar leden (ook van niet-sport-afdelingen) contributie moet afdragen.

4.2 Niet in geschil is dat de Aqua Motions/Doelgroepen/Select en Onder Ons (als afdelingen en/of als zelfstandige vereniging) organisaties zijn met een doelstelling die geheel of gedeeltelijk gelijk of gelijksoortig is aan de doelstelling van de KNZB. Het hof gaat er daarom vanuit dat aan voornoemde voorwaarde (a) is voldaan.

4.3 Naar het oordeel van het hof is ook aan voorwaarde (b) voldaan, omdat de afdelingen Select (Aqua Motions/Doelgroepen) en Onder Ons beide gelieerd zijn aan CWP. Dit volgt uit de volgende omstandigheden tezamen.

- In het Huishoudelijk Reglement van Aqua Motions (dat volgens CWP is opgegaan in de afdeling Select) en het “Aanhangsel huishoudelijk reglement Onder Ons (vh Aqua Motions)” staat dat dit reglement c.q. aanhangsel onverbrekelijk is verbonden aan de statuten en het huishoudelijk reglement van CWP.

- De afdelingen treden naar buiten onder (mede) de naam CWP. Zij hebben met CWP één aanmeldingsformulier, één clubblad en één website.

- In het door de KNZB in eerste aanleg overgelegde clubblad zijn op p.2 vermeld de afdelingen van CWP: Onder Ons, Zwemsport en Select. Daarbij is aangegeven dat de contributiebetalingen plaatsvinden voor Onder Ons t.n.v. CWP op gironummer 181704 en voor Zwemsport en Select eveneens t.n.v. CWP op twee andere gironummers. Op p.11 staat dat mensen lid kunnen worden van CWP voor de specifieke zwemonderdelen en dat zij de contributie daarvoor moeten betalen op rekening 181704 (dus het gironummer van Onder Ons) ten name van Penningmeester CWP.

- CWP maakt één jaarrapport, waarin de jaarverslagen en de begrotingen van de afdelingen Onder Ons, Select en Zwemsport zijn opgenomen en waaruit tevens van een rekening-courantverhouding tussen de afdelingen en CWP blijkt.

- Er is één ledenadministratie voor CWP, Zwemsport, Select en Onder Ons, gevestigd op één adres. Ook de “Chr. Zwemver -Onder Ons-“ zit op dit adres.

- Er is sprake van een personele unie van bestuurders.

4.4 CWP heeft aangevoerd dat Onder Ons een eigen administratie, eigen girorekening, eigen leden en een eigen bestuur heeft. Zij verwijst daartoe naar haar jaarrapport van 1997 en naar een afschrift van de girorekening 745861 van de “Chr. Zwemver -Onder Ons-“.

In het jaarrapport van 1997 worden naast CWP Multi en de afdeling Zwemsport slechts de afdeling Aqua Motions, met de commissie Elementair Zwemmen, en een activiteiten- en PR commissie genoemd. Onder Ons wordt daarin niet genoemd. Uit het jaarrapport van CWP van 2005 blijkt echter wel dat de afdeling Onder Ons (in 2005) een afdeling van CWP is. Als zodanig is zij dus verbonden aan CWP.

Uit het door CWP overgelegde giroafschrift blijkt dat de Christelijke Zwemvereniging Onder Ons een eigen gironummer heeft. Dit neemt echter niet weg dat CWP voor zwemonderdelen waaraan haar leden van CWP willen deelnemen de contributie laat betalen op de girorekening van haar afdeling Onder Ons. Gelet op hetgeen onder 4.3 is overwogen is een eigen gironummer voor de vereniging Onder Ons niet voldoende om aan te kunnen nemen dat de afdeling Onder Ons waarvoor de KNZB contributie en een ledenopgave vraagt, niet met CWP verbonden is in de zin van artikel A13 van de statuten. CWP heeft niet gesteld, althans niet gemotiveerd en met opgave van ledenaantallen, dat er ook contributie gevraagd wordt voor mensen die niet bij haar afdeling Onder Ons horen, maar die (alleen) leden zijn van een andere Onder Ons organisatie die in tegenstelling tot haar afdeling Onder Ons niet met CWP verbonden is.

4.5 Gelet op het voorgaande is de tweede grief ongegrond.

5.1 Met haar derde grief komt CWP op tegen het voorbijgaan door de rechtbank aan haar verweer dat er geen redelijke grond bestaat voor een contributieplicht ten aanzien van de overige (niet-kader) leden nu er geen enkele prestatie zijdens de KNZB tegenover staat. CWP wijst er op dat zij naast de naheffing van € 25.491,91 een naheffingsaanslag van € 62.083,67 over de jaren 2002 t/m 2006 heeft gekregen en dat de berekening van de ledenaantallen conform het vonnis ook gevolgen heeft voor de door CWP aan de plaatselijke ‘Kring’ af te dragen ledenbijdragen. Dit klemt volgens CWP te meer omdat geen rekening wordt gehouden met tussentijds uitgetreden leden en omdat binnen de afdelingen van CWP sprake is van kleine (doel)groepen, met vooral minder draagkrachtigen, zodat afdracht van contributie voor die leden aan de KNZB en de Kring zwaar drukt en tot sterke daling van het aantal leden zal leiden.

5.2 Het hof verwerpt het verweer dat er geen redelijke grond bestaat voor een contributieplicht ten aanzien van degenen die niet in het kader van de afdeling Zwemsport lid zijn. Artikel A13 van de statuten van de KNVB vormt immers de grond voor de contributieplicht. Er is niets naar voren gebracht waaruit kan volgen dat dit artikel nietig, ongeldig of anderszins niet van toepassing is. Daartoe kan niet dienen de opmerking van CWP dat zij lid is geworden op grond van artikel 6 van de statuten en slechts voor haar afdeling Zwemsport en niet voor haar afdelingen Select en Onder Ons. Dit lidmaatschap kreeg zij immers toen de afdelingen Select en Onder Ons nog niet bestonden en alle zwemactiviteiten van CWP plaatsvonden binnen de afdeling Zwemsport. Artikel 6.2 regelt een mogelijkheid voor verenigingen die naast afdeling(en) die zich de beoefening van andere sporten dan zwemmen ten doel stellen, een (één) afdeling hebben waarvan het doel de beoefening van het zwemmen is. In dat geval kan de vereniging als lid voor uitsluitend die afdeling worden toegelaten. Dat neemt echter niet weg dat wanneer binnen de vereniging meerdere afdelingen ontstaan met als doel de beoefening van zwemmen, de leden van deze afdelingen als gelieerd aan het lid voor het betalen van een jaarlijks bedrag aan de KNZB als “aangeslotene” in de zin van artikel A13 moeten worden aangemerkt. Het gegeven dat de vereniging Onder Ons zelf geen lid meer is van de KNZB doet daaraan ook niet af.

5.3 Het hof verwerpt voorts het verweer dat wanneer er geen enkele prestatie zijdens de KNZB tegenover de contributie staat, CWP niet voor de aangeslotene zou hoeven te betalen. De statuten van de KNZB maken geen onderscheid tussen mensen die wel en mensen die niet gebruik maken van de prestaties van de KNZB. Zij regelen immers dat allen die gebruik maken van een zwemorganisatie die met een lid van de KNZB verbonden is, voor de door dat lid te betalen contributie worden meegerekend, dus ongeacht hoeveel profijt een ieder van de KNZB heeft. Het is op zichzelf niet onredelijk om alle betrokkenen bij een organisatie op dezelfde wijze aan een contributieplicht te binden, ongeacht of en hoeveel profijt een ieder van die betrokkenheid heeft. CWP heeft geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld, die het in dit geval wel onredelijk maken dat zij voor alle op zwemmen gerichte leden contributie moet afdragen.

5.4 CWP heeft ook niet aangevoerd dat het contributiebedrag per lid zodanig hoog is, dat het invorderen van die contributie reeds daarom onredelijk is. Er is niets gesteld waaruit kan volgen dat het feit dat sprake is van kleine (doel)groepen, met zich brengt dat per lid onredelijk veel meer betaald moet worden. Het feit dat CWP in totaal een hoog bedrag moet nabetalen, maakt het bedrag nog niet onredelijk, nu dit bedrag kennelijk voor evenzoveel leden is. Evenmin heeft CWP voldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat ten onrechte onvoldoende rekening wordt gehouden met leden die tussentijds uittreden. Het hof heeft uit de stukken begrepen dat CWP een opgave van de ledenaantallen per jaar moet doen, zodat een lid niet langer dan het jaar waarin hij lid was, meegerekend wordt.

5.5 Uit het voorgaande volgt dat ook de derde grief niet kan slagen.

6. Het hoger beroep is ongegrond. Het vonnis wordt bekrachtigd. CWP wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt CWP in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van de KNVB worden bepaald op € 765,- aan verschotten en € 1.158,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. G. Dulek-Schermers, A.H. de Wild en A.V. van den Berg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 mei 2008 in aanwezigheid van de griffier.