Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1803

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
1251-D-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partner- en kinderalimentatie. Draagkrachtruimte in afwijking van rechtbank (90%) en conform Tremanormen bepaald op 60%.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 april 2008

Rekestnummer : 1251-D-07

Rekestnrs. rechtbank : FA RK 06-8862 en FA RK 06-8863

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E.J.P. Nolet.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 september 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 6 juni 2007.

De moeder heeft op 18 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is bij het hof op 8 oktober 2007 als aanvullend stuk ingekomen het proces-verbaal van het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg.

Op 20 maart 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. P.T.M van Diepen, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A. Harent. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij beschikking van 3 maart 2004 heeft de rechtbank te Dordrecht, uitvoerbaar bij voorraad, onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en bepaald dat de vader met ingang van 3 maart 2004 aan de moeder ten behoeve van [kind 1], geboren op [geboortedatum] 2001, en [kind 2], geboren op [geboortedatum] 2002, een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) zal betalen van € 130,- per kind per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, en voorts dat de vader met ingang van de dag waarop deze beschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de moeder een uitkering tot levensonderhoud (hierna ook: partneralimentatie) zal betalen van € 250,- per maand, eveneens bij vooruitbetaling te voldoen. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 maart 2004 – bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2007 ten behoeve van de moeder dient te betalen € 152,- per maand en het mede tot wijziging van de kinderalimentatie strekkende verzoek van de vader voor het overige afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de partner- en kinderalimentatie, de draagkracht van de vader.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de onderhoudsbijdragen ten behoeve van de kinderen met terugwerkende kracht tot 3 maart 2004 op nihil te stellen en de alimentatie ten behoeve van de moeder met terugwerkende kracht tot 22 oktober 2004, de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, op nihil te stellen.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof het beroep van de vader af te wijzen, dan wel de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep.

Grondslag van het verzoek tot wijziging

4. In zijn eerste grief betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij onvoldoende heeft onderbouwd dat de opgelegde alimentatieverplichting van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan en dat derhalve geen aanleiding bestaat om terugwerkende kracht te verlenen tot aan de datum van inschrijving van de echtscheidings-beschikking. De vader voert hiertoe aan dat hij ten tijde van de echtscheiding werkloos was, eerst vanaf 21 september 2004 werk heeft gevonden en voordien geen inkomsten had.

5. De moeder stelt zich op het standpunt dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat hij in 2004 geen andere inkomsten heeft genoten dan uit de overgelegde stukken blijkt.

6. Het hof oordeelt als volgt. Wijziging van de bij de beschikking van 3 maart 2004 vastgestelde alimentatie is op voet van het bepaalde in artikel 1:401 BW uitsluitend mogelijk, indien de vader aannemelijk maakt dat deze beschikking van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan, doordat daarbij van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, dan wel omdat de alimentatie in verband met gewijzigde omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Uit de onderbouwing van grief 1 begrijpt het hof dat de vader beoogt te betogen dat de rechtbank bij de beschikking van 3 maart 2004 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan, nu zij heeft miskend dat hij op dat moment werkloos was en alsmede nadien, na aanvaarding van een dienstbetrekking, derhalve niet beschikte over de draagkracht die noodzakelijk was voor de vastgestelde alimentatie. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de vader een jaaropgave over 2004 en loonstroken vanaf 31 oktober 2004 overgelegd. Uit deze stukken blijkt echter niet dat de vader ten tijde van de beschikking van 3 maart 2004 werkloos was. Evenmin volgt uit deze stukken dat de vader op dat moment niet over loonvervangende inkomsten beschikte. Voorts volgt uit de door de vader overgelegde jaaropgave 2005 dat de vader in dat jaar bij [werkgever] een brutoloon van € 15.437,- had, maar gegeven het feit dat dit inkomen het bijstandsniveau voor een alleenstaande overstijgt, volgt daaruit nog niet dat de vader de benodigde draagkracht miste. Nu de vader met betrekking tot 2004 en 2005 overigens geen financiële gegevens heeft ingebracht, heeft de rechtbank terecht overwogen dat de vader onvoldoende heeft onderbouwd dat de opgelegde alimentatieverplichtingen gedurende voormelde jaren niet aan de wettelijke maatstaven hebben voldaan. Het hof zal in het navolgende aan de hand van de overige grieven bezien of er aanleiding bestaat de vastgestelde alimentatieverplichtingen over de periode met ingang van 1 januari 2006 te wijzigen.

Draagkracht vader

7. In zijn derde grief betoogt de vader dat de rechtbank bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte niet heeft betrokken dat hij opnieuw is gehuwd met een tot voor kort in [land] wonende vrouw en zijn nieuwe echtgenote is bevallen van een kind en behoeftig is. Ter terechtzitting van het hof heeft de vader gesteld dat hij sinds een niet nader gespecificeerde datum in januari 2008 met zijn nieuwe echtgenote en hun kind hier te lande samenwoont.

8. De moeder stelt dat de thans in geschil zijnde kinderalimentatieverplichting prevaleert boven de eventuele verplichtingen van de vader jegens zijn nieuwe echtgenote en hun kind. De moeder stelt zich voorts op het standpunt dat de vader niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn nieuwe echtgenote niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien.

9. De vader heeft zijn stelling dat zijn nieuwe echtgenote behoeftig is slechts gemotiveerd met het gegeven dat zij in [land] geen inkomen heeft. Na gemotiveerde tegenspraak heeft de vader zijn stelling echter niet nader onderbouwd. Gelet hierop gaat het hof ervan uit dat de nieuwe echtgenote van de vader in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Het hof zal de vader derhalve voor de toepasselijke norm van het bestaansminimum met ingang van 1 februari 2008 als alleenstaande ouder aanmerken.

10. In zijn tweede grief betoogt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat 90% van zijn draagkrachtruimte beschikbaar is voor alimentatie, nu zijn oudere broer de kosten van zijn levensonderhoud is blijven betalen. De vader voert hiertoe aan dat zijn oudere broer een aantal kosten voor zijn rekening neemt, maar dat hij zelf in zijn eigen levensonderhoud dient te voorzien en derhalve 60% van zijn draagkrachtruimte beschikbaar is voor alimentatie.

11. De moeder wijst erop dat de vader ter terechtzitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij bij zijn oudere broer woont en geen andere lasten heeft dan een kostgeld van € 200,- per maand.

12. De door de Werkgroep Alimentatienormen geadviseerde draagkrachtpercentages zijn beperkt tot maximaal 70% om aldus de alimentatieplichtige te motiveren om boven het bijstandsniveau aanvullende inkomsten te genereren. Het door de rechtbank gehanteerde percentage doet afbreuk aan dit uitgangspunt. Het hof acht dit niet redelijk en zal overeenkomstig het standpunt van de vader (waarin hij overigens geen wijziging heeft aangebracht in verband met hetgeen is overwogen onder 9), een percentage van 60% in aanmerking nemen.

13. Ten slotte stelt de vader dat hij met ingang van 1 augustus 2007 niet meer inwoont bij familie, maar een huis huurt van zijn broer en daarvoor € 450,- per maand betaalt. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft de vader een ondertekende huurovereenkomst overgelegd.

14. De moeder stelt dat met de gestelde nieuwe huurlast geen rekening dient te worden gehouden. De moeder voert hiertoe aan dat de vader niet is verhuisd en derhalve thans voor dezelfde woonruimte in plaats van kost en inwoning huur is gaan betalen. Voorts voert de moeder aan dat de vader gezien zijn inkomen in aanmerking komt voor huursubsidie.

15. Het hof is van oordeel dat de vader voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij is verhuisd en met ingang van 1 augustus 2007 € 450,- per maand aan huur betaalt. De door de vader opgevoerde huur komt het hof niet onredelijk voor. Het hof zal deze last derhalve met ingang van 1 augustus 2007 in aanmerking nemen.

16. Het hof neemt bij de vaststelling van de draagkracht van de vader de inkomsten en lasten in aanmerking die de rechtbank in aanmerking nam en waartegen niet is gegriefd.

17. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader van 1 januari 2006 tot 1 augustus 2007 de bij beschikking van 3 maart 2004 vastgestelde en inmiddels van rechtswege gewijzigde kinderalimentatie toelaat, met ingang van 1 augustus 2007 tot 1 februari 2008 een kinderalimentatie toelaat van € 40,- per maand per kind, en vanaf 1 februari 2008 geen kinderalimentatie meer toelaat. De draagkracht van de vader laat met ingang van 1 januari 2006 geen partneralimentatie meer toe, zodat deze met ingang van die datum op nihil zal worden gesteld.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover betreffende de wijziging van de partneralimentatie met ingang van 1 januari 2006 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 maart 2004 van de rechtbank te Dordrecht – de door de vader aan de moeder te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2006 op nihil;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover betreffende de wijziging van de kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2007 en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt – met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 3 maart 2004 van de rechtbank te Dordrecht – de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 augustus 2007 tot 1 februari 2008 op € 40,- per maand per kind, en met ingang van 1 februari 2008 op nihil;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Kamminga en Bouritius, bijgestaan door mr. van Elden als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2008.