Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1797

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-01-2008
Datum publicatie
16-05-2008
Zaaknummer
07/00436
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Na verwijzing is in geschil of belanghebbende ter zake van de aankoop van het verkregene recht heeft op toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet). In dat kader is slechts in geschil of in onderhavige situatie sprake is van een verkrijging met de bedoeling te komen tot een redelijkerwijs te verwezenlijken verbetering van de landbouwstructuur. Niet in geschil is dat in casu aan de overige voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling wordt voldaan, zoals de eisen dat het om “landerijen” gaat, het naburigheidsvereiste, de vijf-jaar-be¬zitseis en de proportionaliteitseis (de oppervlakteverhouding tussen het verkregene en het reeds in bezit zijnde).

Indien voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord, is tussen partijen voorts in geschil of de onderhavige vrijstelling kan worden toegepast voor het gedeelte van het verkregene waarvan belanghebbende het vruchtgebruik heeft verkregen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2008/1943
Belastingadvies 2008/19.10
V-N 2008/35.19 met annotatie van Redactie
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

29 januari 2008

nummer BK-07/00436

UITSPRAAK

op het beroep van mevrouw [belanghebbende] te [Z] (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/[P], betreffende na te noemen aanslag.

1. Aanslag en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd ten bedrage van € 9.464.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 29 april 2005, nr. P03/02722, het beroep ongegrond verklaard.

2.2. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam beroep in cassatie ingesteld. Bij arrest van 13 juli 2007, nummer 42.153, LJN: AU9530, heeft de Hoge Raad der Nederlanden de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam vernietigd en het geding ter verdere behandeling en beslissing van de zaak verwezen naar het Gerechtshof te ’s Gravenhage (hierna: het Hof).

2.3. Partijen hebben zich ieder uitgelaten over het arrest van de Hoge Raad, de Inspecteur bij brief van 13 augustus en belanghebbende bij brief van 12 september 2007. Zij zijn in de gelegenheid gesteld van elkaars uitlatingen kennis te nemen.

2.4. Vervolgens heeft een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden ter zitting van het Hof van 18 december 2007, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het Gerechtshof te Amsterdam vastgestelde, in cassatie niet bestreden, feiten. In de verwijzingsprocedure na cassatie zijn nog de volgende feiten vast komen te staan.

3.1. De gebroeders [A en B] (hierna: de verkopers) exploiteerden gezamenlijk, in de vorm van een maatschap, een gemengd agrarisch bedrijf op een totaal van ongeveer 80 hectare landbouwgrond. Van deze grond werd circa 50 hectare gepacht van belanghebbende en haar dochter, [C-X], (hierna: de kopers). De andere circa 30 hectare was gezamenlijk eigendom van de verkopers.

3.2. Binnen het gemengde agrarische bedrijf hadden beide verkopers een eigen specialisatie. [A] exploiteerde op circa 50 hectare een akkerbouwbedrijf en [B] exploiteerde op de resterende grond een melkveehouderij.

3.3. De ondernemingsresultaten van het gemengde agrarische bedrijf waren onvoldoende rendabel en mede om die reden hebben de verkopers mogelijkheden onderzocht om tot een meer rendabele exploitatie te komen. Men is toen tot de conclusie gekomen dat dit mogelijk zou zijn, indien het areaal van het akkerbouwbedrijf kon worden uitgebreid tot 80 hectare en de melkveehouderij elders kon worden gevestigd op een groter areaal dan 30 hectare. De verkopers wilden de onderneming verdelen en vervolgens ieder met een eigen onderneming verder gaan. De kopers zijn bereid gevonden aan een en ander hun medewerking te verlenen. In dat kader hebben de verkopers hun circa 30 hectare aan landerijen aan de kopers verkocht (hierna: het verkregene) en is het verkregene vervolgens verpacht aan [A], die daardoor het areaal van zijn akkerbouwbedrijf kon uitbreiden van circa 50 tot circa 80 hectare.

3.4. De kopers hebben bij de aankoop van het verkregene het oogmerk gehad het als geheel in stand houden van landerijen die zij in hun bezit hadden of zouden krijgen als landbouwgrond. Het verkregene is naburig aan reeds bij hen in bezit zijnde landbouwgronden. De kopers hebben voorts het oogmerk gehad de uitbreiding in de zin van de schaalvergroting van de bedrijven van de verkopers te ondersteunen. Om die reden waren zij bereid om het verkregene als landbouwgrond aan [A] te verpachten en aan [B] elders gelegen landbouwgrond te verpachten.

3.5. Wijlen [Y-X] heeft zijn nalatenschap aldus verdeeld dat aan belanghebbende toekomt het een/tiende onverdeelde aandeel in de volle eigendom daarvan en het vruchtgebruik van het negen/tiende onverdeelde aandeel daarvan, en dat aan zijn dochter, mevrouw [C-X] toekomt het negen/tiende onverdeelde aandeel daarvan, belast met vruchtgebruik ten gunste van belanghebbende.

3.6. Het verkregene is verworven in het kader van herbelegging van vruchtgebruikvermogen. Op het vruchtgebruik daarvan zijn de bepalingen van toepassing, welke van toepassing waren op het oorspronkelijke vruchtgebruikvermogen, zoals vastgelegd in de uiterste wilsbeschikking van wijlen [Y-X].

4. Geschil, standpunten en conclusies van partijen na verwijzing

4.1. Na verwijzing is in geschil of belanghebbende ter zake van de aankoop van het verkregene recht heeft op toepassing van de vrijstelling van overdrachtsbelasting als bedoeld in artikel 15, eerste lid, aanhef en onder q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer (hierna: de Wet). In dat kader is slechts in geschil of in onderhavige situatie sprake is van een verkrijging met de bedoeling te komen tot een redelijkerwijs te verwezenlijken verbetering van de landbouwstructuur. Niet in geschil is dat in casu aan de overige voorwaarden voor toepassing van de vrijstelling wordt voldaan, zoals de eisen dat het om “landerijen” gaat, het naburigheidsvereiste, de vijf-jaar-be¬zitseis en de proportionaliteitseis (de oppervlakteverhouding tussen het verkregene en het reeds in bezit zijnde).

Indien voormelde vraag bevestigend wordt beantwoord, is tussen partijen voorts in geschil of de onderhavige vrijstelling kan worden toegepast voor het gedeelte van het verkregene waarvan belanghebbende het vruchtgebruik heeft verkregen.

4.2. Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.

4.3. Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot vernietiging van de naheffingsaanslag, terwijl de Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

5. Overwegingen omtrent het geschil

5.1. Zoals weergegeven in onderdeel 6.3 en verder van de conclusie van de Advocaat-Generaal Wattel voor het arrest in het onderhavige geschil, volgt uit de jurisprudentie die op het stuk van de verbetering van de landbouwstructuur is gewezen dat het daarbij gaat om de algemene landbouwstructuur in het desbetreffende gebied en dat zowel de positie van verkrijger als die van de vervreemder van de landerijen in de beoordeling betrokken moeten worden. Ook het Hof is zulks van oordeel. Factoren die een rol spelen zijn de bereikbaarheid van de percelen, de eventuele schaalvergroting, de vermindering van het aantal losse percelen, de kavelgrootte, de mogelijkheden tot rendabele exploitatie, de spreiding van de landbouwbedrijven en het duurzaam in stand houden of bevorderen van de agrarische productie. De verbetering van de landbouwstructuur hoeft niet terstond in te treden: het gaat erom of de verkrijging bedoeld is om tot verbetering van de landbouwstructuur te leiden en of redelijkerwijs aannemelijk is dat zij zal kunnen worden verwezenlijkt (HR 30 november 1977, nr. 18 625, BNB 1978/10, PW 18 601, FED Rechtsverkeer Art. 15:43, met aantekening Moltmaker).

5.2. Uit laatstgenoemd arrest en uit de arresten HR 7 april 1982, nr. 21.048, BNB 1982/227, met noot Scheltens, PW 18 973 en HR 28 oktober 1987, nr. 24.754, BNB 1988/16, met conclusie Moltmaker en noot Laeijendecker, PW 19 566, FED 1988/520, met noot Tuinte, volgt dat de vrijstelling niet beperkt is tot verkrijgingen voor eigen (agrarisch; bedrijfsmatig) gebruik, doch dat ook niet-landbouwende verkrijgers die de verkregen landerijen verpachten aan praktiserende boeren onder de vrijstelling kunnen vallen. In de laatste twee genoemde arresten overwoog de Hoge Raad voorts dat verbetering van de landbouwstructuur ook omvat het voorkomen van een (reële) verslechtering van de landbouwstructuur.

5.3. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om verkrijging van landbouwgrond die op het moment van de verkrijging wordt verpacht aan de vervreemder, is een voorwaarde voor het deelachtig worden van de vrijstelling dat de belastingplichtige bij de verkrijging de bedoeling tot verbetering van de landbouwstructuur heeft, van welke alsdan redelijkerwijs aannemelijk is dat zij zal kunnen worden verwezenlijkt.

5.4. Uit de vastgestelde feiten volgt dat [A] het akkerbouwbedrijf, dat aanvankelijk werd geëxploiteerd op circa 50 hectare landbouwgrond, na de sale-and-lease-back, het akkerbouwbedrijf is gaan exploiteren op circa 80 hectare grond. De sale-and-lease-backconstructie maakte voor de verkopers voorts de financiering mogelijk van de overgang van de voorheen gezamenlijk gedreven landbouwonderneming naar twee separate landbouwondernemingen, waarvan één op de verkochte en teruggepachte grond en één op deels met de opbrengst aangekochte en deels van dezelfde verpachters gepachte grond. Vast staat dat één van de verkopers een ander agrarisch bedrijf in eigendom heeft verworven en daarbij ook grond van de kopers heeft gepacht. Vanuit de verkopers bezien wordt het landbouwareaal dus bepaald groter. De sale-and-lease-backconstructie maakte verdeling en continuering mogelijk van het voorheen door de verkopers gezamenlijk gedreven landbouwbedrijf in twee zelfstandige landbouwbedrijven op een grotere oppervlakte. De kopers fungeerden niet alleen als financiers en beleggers/verpachters, maar kennelijk mede als aanvullende verpachters.

5.5. Op grond van de door belanghebbende aangevoerde en door de Inspecteur niet betwiste omstandigheden, te weten dat het doel van de kopers is het in stand houden van de landerijen die zij in hun bezit hebben of zullen krijgen als landbouwgrond, dat zij het verkregene hebben gekocht omdat de daartoe behorende landerijen naburig zijn aan reeds bij hen in bezit zijnde landbouwgronden, dat zij het oogmerk hebben de landerijen als geheel in stand te houden, dat zij de uitbreiding in de zin van de schaalvergroting van de bedrijvigheid van de verkopers wilden ondersteunen en dat zij om die redenen bereid waren om het verkregene aan [A] te verpachten en aan [B] elders gelegen landbouwgrond dat zij in hun bezit hebben te verpachten, is het Hof van oordeel dat aannemelijk is geworden dat sprake is van een verkrijging met de bedoeling tot verbetering van de landbouwstructuur. Daaraan doet niet af dat zulks paste in de financieringsbehoefte van de verkopers doordat zij hun gezamenlijk uitgeoefende bedrijf wensten uit te breiden, in dier voege dat het daardoor [A] mogelijk werd gemaakt zijn activiteiten op het gebied van de akkerbouw voort te zetten op een groter areaal dan waarover hij in het oorspronkelijke bedrijf beschikte en dat het [B] met medewerking van de kopers mogelijk werd gemaakt elders een eigen agrarische onderneming te starten.

5.6. Redelijkerwijs is aannemelijk dat een verbetering van de landbouwstructuur is verwezenlijkt dan wel zich zal verwezenlijken, aangezien de kopers het oogmerk hadden hun reeds in bezit zijnde en het verkregene als geheel als landbouwgrond in stand te houden en zij voorts de uitbreiding in de zin van schaalvergroting van de bedrijven van de verkopers wensten te ondersteunen.

5.7. Aan het vorenstaande wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat het gebruiksrecht van [A] met betrekking tot het verkregene voortkwam uit zijn eerdere aandeel in het (onverdeeld) recht van eigendom daarvan en, na de onderhavige verkrijging, uit het pachtrecht, omdat het Hof van oordeel is, dat zo al geoordeeld moet worden dat daarin uit een oogpunt van landbouwstructuur een verslechterde situatie is gelegen aan die eventuele verslechtering van de landbouwstructuur geen beslissende betekenis toekomt bij de waardering van de bedoeling van kopers om te komen tot verbetering van de landbouwstructuur.

5.8. Al het vorenoverwogene, in onderling verband en samenhang beschouwd, brengt het Hof tot het oordeel dat in het onderhavige geval is voldaan aan het vereiste dat sprake is van een verbetering van de landbouwstructuur.

5.9. Geen rechtsregel, noch de ratio van de onderhavige vrijstelling, staat eraan in de weg dat de vrijstelling ook toepassing vindt bij een verkrijging in de onder 3.5 en 3.6 vermelde situatie, waarin een langstlevende het vruchtgebruik verkrijgt van (een deel van) de nalatenschap van de erflater en de kinderen de blote eigendom daarvan.

5.10. Gelet op het vorenoverwogene is het gelijk aan belanghebbende. Beslist dient te worden als navermeld.

6. Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, welke kosten belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep voor het Gerechtshof te Amsterdam en de procedure na verwijzing naar het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de onderhavige zaak en de zaak met het nummer BK—07/00437 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 1.449 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand (3 punten à € 322 x 1,5 (gewicht van de zaak)), waarvan te dezen de helft, derhalve € 724,50 in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling bij het Gerechtshof te Amsterdam gestorte griffierecht te worden vergoed.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraak waarvan beroep, alsmede de naheffingsaanslag,

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het beroep, aan de zijde van belanghebbende gevallen en vastgesteld op € 724,50, onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden,

- gelast de Staat het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 31 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Vonk, Savelbergh en Brandsma. De beslissing is op 29 januari 2008 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van den Bogerd) (Vonk)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.