Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1698

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
20-05-2008
Zaaknummer
1345-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Echtscheidingszaak. Voorlopige voorzieningen (niet) bij het hof. In casu wel, want voor het eerst gevraagd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 april 2008

Rekestnummer. : 1345-H-07

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. M.Y.M. Renken.

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.G. Evers.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw heeft het hof op 24 september 2007 in een scheidingszaak, ter zake waarvan door de man hoger beroep aanhangig is gemaakt onder rekestnummer: 1233-H-07 en 1383-H-07, verzocht bij beschikking, gedurende de duur van het geding, voorlopige voorzieningen te treffen.

Op 22 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld, tezamen met voornoemd hoger beroep. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. S. Bergsma. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover van belang - tussen partijen het volgende vast.

De man en de vrouw zijn op 16 september 2003 met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is geboren de minderjarige:

[naam], geboren op [datum 2004], hierna te noemen: de minderjarige. De minderjarige verblijft sinds het uiteengaan van partijen bij de vrouw.

Op 1 maart 2007 heeft de vrouw bij de rechtbank te ’s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend.

Zij heeft onder meer verzocht ten laste van de man een kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige vast te stellen van € 250,- per maand en een partneralimentatie ten behoeve van haarzelf vast te stellen van € 200,- per maand. De man heeft geen verweer gevoerd tegen de verzoeken van de vrouw.

Bij de beschikking van 6 juni 2007 heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld en bepaald dat de man, met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, voor de verzorging en opvoeding van de hierna te noemen minderjarige aan de vrouw, die de minderjarige verzorgt en opvoedt, zal betalen een bedrag van € 250,- per maand en tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 200,- per maand.

De echtscheidingsbeschikking was ten tijde van de mondelinge behandeling nog niet ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK

1. In geschil is de voorlopige alimentatie voor de vrouw en de minderjarige.

2. De vrouw verzoekt bij beschikking, bij wijze van voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, uitvoerbaar bij voorraad:

a. te bepalen dat de man aan de vrouw met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2007 een bedrag van € 250,- per maand ten behoeve van de verzorging en opvoeding van de minderjarige dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling, althans een zodanig bedrag als, het hof leest: het hof, juist acht, te vermeerderen met iedere uitkering die hem op grond van de wet of andere regelgeving toekomt;

b. te bepalen dat de man aan de vrouw met terugwerkende kracht vanaf 1 juni 2007 een bedrag van € 200,- per maand ten behoeve van de kosten van haar levensonderhoud dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling, althans een zodanig bedrag als, het hof leest: het hof, juist acht.

3. De man bestrijdt het verzoek.

Behoefte van de minderjarige en de vrouw

4. De vrouw betoogt dat de behoefte van de minderjarige op basis van een netto gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van de man en de vrouw van € 2250,- € 370,- bedraagt. De man stelt dat het inkomen ten tijde van het uiteengaan € 2400,- was, resulterend in een behoefte aan de zijde van de minderjarige van € 300,-. Het hof is van oordeel dat de vrouw terecht betoogt dat de behoefte van de minderjarige bij het door partijen genoemde inkomen € 370,- bedraagt.

5. Volgens de vrouw dient de behoefte voor eenderde voor haar rekening en voor tweederde voor rekening van de man te komen, de man heeft een verdeling tweevijfde versus drievijfde bepleit. Nu beide partijen voor hun standpunt aansluiting (lijken te) zoeken bij de het netto-inkomen, zal het hof dat ook doen. Dit voert tot een verdeling als door de vrouw voorgestaan.

6. De man heeft eerst ter gelegenheid van de mondelinge behandeling in beroep de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van € 200,- terloops en zonder motivering bestreden.

Het hof is van oordeel dat dit te laat is geschied. Derhalve staat de behoefte van de vrouw vast.

7. Resteert de vraag naar de draagkracht van de man. Het hof oordeelt ter zake als volgt.

Draagkracht van de man

8. De man heeft bij de mondelinge behandeling aangegeven dat hij per 20 juni 2007 in dienst is getreden bij [werkgever], in [plaatsnaam], een sloopbedrijf. De overgelegde jaaropgave 2007 vermeldt een inkomen van € 12.824,-, naar het hof begrijpt zonder vakantiegeld, nu de dienstbetrekking van de man eerst na mei 2007 is aangevangen.

10. Het hof gaat voor wat betreft het inkomen van de man uit van genoemde jaaropgave 2007, doorgerekend naar een jaar. Het hof gaat derhalve uit van een jaarinkomen van € 26.500,-.

11. Ter gelegenheid van de mondelinge behandeling is tevens gebleken dat de man tot 1 januari 2008 geen woonlasten had omdat hij bij zijn ouders woonde en sinds 1 januari 2008 samenwoont met een partner, die zelf in haar levensonderhoud kan voorzien. Het hof zal derhalve bij het bepalen van de alimentatie over de periode juni 2007 tot en met december 2007 aan de zijde van de man uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en aan de lastenzijde geen rekening houden met woonlasten. Het hof houdt wel rekening met € 125,- nominale premie basisverzekering, € 159,- inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en € 20,- kosten omgang. De conclusie van het hof is dat de draagkracht van de man over de periode 1 juni 2007 tot en met 31 december 2007 voldoende is om € 250,- kinderalimentatie te voldoen.

12. Voor de periode na 1 januari 2008 past het hof de bijstandsnorm voor een alleenstaande toe en houdt rekening met € 375,- aan woonlasten, zijnde de helft van de door de man en zijn partner te betalen huur, € 125,- nominale premie basisverzekering, € 159,- inkomens-afhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet en € 20, - kosten omgang. De conclusie is dat de draagkracht van de man ook na 1 januari 2008 voldoende is om € 250,- aan kinderalimentatie te voldoen.

13. Uitgaande van genoemde gegevens en rekening houdende met genoemd bedrag van € 250,- aan kinderalimentatie, de forfetaire aftrek kinderalimentatie en het fiscaal voordeel partneralimentatie, is man in staat een partneralimentatie te voldoen van € 200,- per maand voor de periode 1 juni 2007 tot en met 31 december 2007 en van € 106,- per maand voor de periode van 1 januari 2008 tot de datum waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijk stand.

BESLISSING OP HET VERZOEK

Het hof:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 1 juni 2007 tot de datum waarop de beschikking van echtscheiding zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op € 250, - per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man met ingang van 1 juni 2007 tot en met 31 december 2007 op € 200, - per maand en met ingang van 1 januari 2008 tot de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, op € 106, - per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Dusamos, Kamminga en Burgers-Thomassen, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2008.