Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1600

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
23-04-2008
Datum publicatie
15-05-2008
Zaaknummer
1187-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wijzigingsverzoek kinderalimentatie. Behoeftebepaling van kind dat in geen enkele (wettelijk of feitelijk) familierechtelijke betrekking staat tot verwekker.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 394
Burgerlijk Wetboek Boek 1 401
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2008/105 met annotatie van J.A.E. van Raak-Kuiper
RFR 2008, 93

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 23 april 2008

Rekestnummer : 1187-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 07-825

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur voorheen mr. S. Lodder, thans mr. E.M. Kostense.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 21 augustus 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 13 juli 2007.

De vrouw heeft op 31 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 20 februari 2008, 21 februari 2008 en 3 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 6 maart 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 maart 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. F.M.J.A. Lohuis en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. E.M. Buijs-van Bemmel.

Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Rotterdam. Daarbij is - met wijziging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 5 oktober 1999 en uitvoerbaar bij voorraad - de bijdrage voor verzorging en opvoeding voor na te noemen minderjarige met ingang van 1 februari 2007 bepaald op € 700,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is vast komen te staan dat de Voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam op 18 oktober 2007 de vrouw heeft toegestaan de bestreden beschikking tot een bedrag van € 490,- per maand te executeren.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor de minderjarige [X], geboren [in] 1998, hierna te noemen: [de minderjarige].

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voorzover daarin de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige], met ingang van 1 februari 2007 is vastgesteld op een bedrag van € 700,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering en, opnieuw rechtdoende onder verbetering van rechtsgronden, de kinderbijdrage met ingang van 1 april 2007, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum vast te stellen op € 239,-, althans op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en de grief van de man af te wijzen, althans de bijdrage van verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] met ingang van 1 februari 2007 vast te stellen op een door het hof in goede justitie te bepalen bedrag en de man te veroordelen van de kosten van de procedure bij het hof.

4. In zijn grief stelt de man dat de bestreden beschikking niet in stand kan blijven en gewijzigd dient te worden, omdat de rechtbank is uitgegaan van onjuiste feiten en omstandigheden, althans dat sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden, zodanig dat de vastgestelde kinderalimentatie niet in overeenstemming is met de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. Volgens de man is de bijdrage, zoals deze bij beschikking van 5 oktober 1999 is vastgesteld en per 1 januari 2007 geïndexeerd € 239,- per maand bedraagt, nog steeds behoeftedekkend. Het verzoek van de vrouw is onvoldoende gemotiveerd. De vrouw dient een met bewijsstukken gespecificeerd behoeftelijstje over te leggen waaruit de hogere kosten van [de minderjarige] kunnen blijken. Voorts is de man van mening dat de vrouw informatie dient te verschaffen over haar huidige inkomen en vaste maandelijkse lasten. De vrouw heeft inmiddels zelf draagkracht en kan bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige]. Tenslotte stelt de man over onvoldoende draagkracht te beschikken om de gevraagde kinderalimentatie te betalen.

5. De vrouw stelt dat de bij beschikking van 5 oktober 1999 vastgestelde kinderalimentatie voor [de minderjarige] niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven nu de daadwerkelijke kosten voor [de minderjarige] aanzienlijk zijn gestegen, omdat hij ouder is geworden en hij meerdere hobby’s heeft.

De vrouw is van mening dat bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgegaan dient te worden van de bijstandsnorm van een eenoudergezin, omdat de echtgenote van de man zelf moet kunnen voorzien in haar levensonderhoud. De vrouw stelt dat het inkomen van de man bruto € 79.548,50 per jaar bedraagt. Wat betreft de lasten is de vrouw van mening dat rekening dient te worden gehouden met 75 % van de rente op de hypothecaire geldlening en de daarbij behorende levensverzekering omdat de echtgenote van de man geacht wordt bij te dragen in de woonlasten. Voorts dient met de volgende maandlasten rekening te worden gehouden: € 95,- eigenaarslasten en € 150,- premie ziektekostenverzekering omdat gegevens hieromtrent ontbreken. Geen rekening dient te worden gehouden met de door de man opgevoerde overige kosten, omdat deze in de bijstandsnorm zijn verwerkt en de opgevoerde aflossing schulden, omdat de man heeft nagelaten deze te specificeren. Evenmin dient rekening te worden gehouden met de opgevoerde premie levensverzekering van de echtgenote van de man en de studievoorziening van de dochter van de man. De vrouw is per 1 januari 2008 minder gaan werken zodat zij er meer kan zijn voor [de minderjarige]. Tenslotte verzoekt de vrouw het hof om de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep. Indien de man verweer had gevoerd in eerste aanleg had de vrouw deze kosten niet hoeven maken.

Gronden voor de vordering.

6. De vrouw heeft bij haar inleidend verzoek wijziging van de kinderalimentatie verzocht omdat deze in verband met gewijzigde omstandigheden niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De vrouw heeft aan het verzoek tot wijziging ten grondslag gelegd - kort gezegd - dat de behoefte van [de minderjarige] is gestegen in verband met zijn gevorderde leeftijd en met het gestegen inkomen van de man. Voor wat dat laatste betreft leidt het hof uit hetgeen de vrouw ter zitting in hoger beroep heeft aangevoerd af dat zij zich op het standpunt stelt dat de behoefte van [de minderjarige] niet slechts moet worden gerelateerd aan haar eigen inkomen maar moet worden bepaald mede op basis van het inkomen van de man.

Anders dan de man is het hof, gelet op de gewijzigde inzichten dienaangaande zoals die uit rechtspraak blijken, van oordeel dat er grond is voor wijziging van de kinderalimentatie zoals bedoeld in artikel 1:401, lid 1, BW. Het hof zal de behoefte van [de minderjarige] alsmede de draagkracht van de man en de vrouw opnieuw vaststellen.

Behoefte

7. In zijn grief betoogt de man primair dat de per 1 januari 2007 geldende, jaarlijks geïndexeerde bijdrage van € 239,- gerelateerd aan het inkomen van de vrouw, nog steeds behoeftedekkend is om te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige].

8. De vrouw voert aan dat op basis van de inkomsten van partijen gezamenlijk, volgens de zogenaamde NIBUD norm, de behoefte van [de minderjarige] € 795,- bedraagt, te verhogen met de kosten van naschoolse opvang van € 108,-; in totaal dus € 903,- per maand. Op basis van draagkracht zou de verdeelsleutel moeten zijn dat de man ¾ deel en de vrouw ¼ deel dient bij te dragen in de totale behoefte van [de minderjarige]. Voor de man is dit een bedrag van € 677,- te vermeerderen met het fiscale voordeel. De man heeft een toereikende draagkracht om € 700,- aan kinderalimentatie te betalen.

9. De grief van de man is terecht voorgesteld. Het hof overweegt, op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting, te dien aanzien als volgt. De onderhavige zaak kenmerkt zich hierdoor dat de man en de vrouw - zoals onweersproken door de man is gesteld - nimmer een relatie hebben gehad of hebben samengewoond en dat de man geen kind bij de vrouw heeft willen verwekken. Evenmin is sprake geweest van enig ‘family life’ tussen de man en de minderjarige; sinds zijn geboorte is er zo goed als geen contact geweest tussen [de minderjarige] en de man en ook de intentie daartoe bestaat aan de kant van de man in het geheel niet. De man is [in] 2001 in het huwelijk getreden en daaruit is [in] [geboortedatum] een dochter geboren; van dit gezin draagt de man de financiële lasten.

10. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld welke de kosten van verzorging en opvoeding zijn van een kind in een geval als het onderhavige waarin partijen geen relatie met elkaar hebben gehad, nimmer hebben samengewoond, er kennelijk geen consensus was over de aard van hun seksuele ontmoeting(en), het daaruit geboren kind, in ieder geval, door de man niet is gewenst en er een aanzienlijk verschil is in de mate van welstand waarin partijen leven. Nu de man is gebleven bij zijn opstelling dat hij geen enkel contact wil met het door hem verwekte kind, moet het hof uitgaan van de sociale realiteit dat [de minderjarige] geen deel zal hebben aan de wijze en mate van welstand van leven van de man, maar zal opgroeien in het huishouden, en daarmee de welstand, van de vrouw.

11. Het hof stelt voorop dat aan het wettelijke systeem van de verplichtingen tot verschaffen van levensonderhoud voortvloeiende uit - voor zover thans van belang - bloedverwantschap als uitgangspunt ten grondslag ligt dat de man en de vrouw waaruit het kind is geboren, beiden moeten bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van het kind. Onder kosten van verzorging en opvoeding wordt te dezen verstaan de kosten van levensonderhoud en de overige kosten van lichamelijke en geestelijke opvoeding van het minderjarige kind. In dit specifieke geval acht het hof een kostengeoriënteerde benadering voor de vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] de meest aangewezen methode.

12. Het hof overweegt als volgt. Indien wordt uitgegaan van de richtlijnen zoals neergelegd in het rapport "Kosten van kinderen" van de werkgroep alimentatienormen van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, kan de behoefte van [de minderjarige], gerelateerd aan het netto inkomen van de vrouw in 2007 van € 1.575,- per maand, op € 200,- per maand worden gesteld. Dit bedrag dient te worden vermeerderd met de onvoldoende weersproken kosten van kinderopvang van - na aftrek van de kinderopvangtoeslag en afgerond - € 60,- per maand. Verder houdt het hof rekening met de onvoldoende weersproken kosten van drumlessen van [de minderjarige] ten bedrage van (€ 15,- per les x 40 weken per jaar) € 50,- per maand. De kosten voor de voetbalvereniging moeten worden geacht te zijn begrepen in het bedrag van € 200,-, zodat die verder buiten beschouwing blijven. De minimale behoefte van [de minderjarige] komt daarmee op € 310,- per maand. Voor zover de vrouw heeft gesteld dat de behoefte van [de minderjarige] moet worden bepaald op € 903,- per maand, overweegt het hof dat het zich laat voorzien dat, indien de vast te stellen kinderalimentatie op deze, mede op het gehele inkomen van de man gebaseerde, behoeftebepaling wordt gebaseerd, de bijdrage niet geheel aan het kind zal worden uitgegeven, gelet op de beperkte financiële middelen van de vrouw.

13. Uitgaande van de minimale behoefte van [de minderjarige] en in aanmerking genomen het inkomen uit arbeid van de man in 2007 van € 5.900,- bruto per maand, het inkomen uit arbeid van de vrouw in 2007 van € 2.304,- bruto per maand en overigens het welstandsniveau van het éénoudergezin waarin [de minderjarige] opgroeit, komt het hof in redelijkheid tot een vaststelling van de behoefte van [de minderjarige] van € 400,- per maand.

Aandeel partijen in de behoefte van [de minderjarige]

14. Partijen dienen in beginsel naar draagkracht bij te dragen in de kosten van [de minderjarige]. Nu de man niet heeft weersproken dat volgens de vrouw de verdeelsleutel waarmee partijen hebben bij te dragen in de totale behoefte van [de minderjarige], ¾ deel voor de man en ¼ deel voor de vrouw zou moeten zijn, betekent dit - uitgaande van een behoefte van € 400,- per maand - dat het aandeel van de man daarin € 300,- per maand bedraagt.

15. De vrouw heeft aan het gegeven dat zij per 1 januari 2008 minder is gaan werken, geen rechtsgevolgen verbonden, zodat het hof reeds om die reden daaraan voorbij gaat. Daarenboven heeft te gelden dat deze eigen keuze van de vrouw voor haar rekening moet blijven.

Draagkracht man

16. Gelet op hetgeen hiervoor door het hof is overwogen, zal het hof niet ingaan op het door de vrouw niet geaccepteerde aanbod van de man om € 400,- per maand te betalen. Het hof is van oordeel dat de man voldoende draagkracht heeft om een bedrag van € 300,- als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] te voldoen.

17. Voor zover de vrouw meer alimentatie heeft ontvangen dat haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptieve karakter ervan, bepalen dat zij het eventueel teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

Ingangsdatum

18. Het hof ziet in hetgeen de man ter zake heeft gesteld, geen grond om af te wijken van hetgeen de rechtbank heeft bepaald omtrent de ingangsdatum van de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige].

Proceskosten

19. Het hof ziet onvoldoende aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep en zal - zoals gebruikelijk in zaken van familierechtelijke aard - de kosten compenseren. Het verzoek van de vrouw tot veroordeling van de man in de proceskosten wordt derhalve afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank daarbij heeft bepaald dat de man voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 700,- per maand en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man met ingang van 1 februari 2007 voor de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] aan de vrouw zal betalen een bedrag van € 300,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat de vrouw de eventueel teveel ontvangen kinderalimentatie niet behoeft terug te betalen;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Dusamos en Bos, bijgestaan door mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 23 april 2008.