Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1431

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-05-2008
Datum publicatie
13-05-2008
Zaaknummer
2200022207
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere afpersingen op in de bewezenverklaring genoemde wijze, die naar het oordeel van het hof in alle gevallen een grote impact op de persoonlijke levenssfeer van de respectieve slachtoffers hebben gehad en mogelijk nog kunnen hebben, mede door de wijze waarop de verdachte zich heeft gemanifesteerd.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van facturen en leenovereenkomsten.

Gevangenisstraf 6 jaren en 6 maanden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000222-07

Parketnummers: 13-120116-03 en 13-520028-05

Datum uitspraak: 9 mei 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Amsterdam

zitting houdende te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam zitting houdende te Dordrecht van

6 december 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

Geboren 1965,

Gedetineerd te

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 1 en 25 juni 2007, 14, 17 en 24 september 2007, 16, 21, 23, 26 en 30 november 2007, 21 december 2007, 18 en 23 januari 2008, 8 februari 2008, 28 maart 2008 en 25 april 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding met parketnummer 13-120116-03, zoals in eerste aanleg en in hoger beroep op vordering van respectievelijk de officier van justitie en de advocaat-generaal gewijzigd, alsmede hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding met parketnummer 13-520028-05, zoals in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaardingen en van de vorderingen wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd. Het hof heeft de feiten die in het tenlastegelegde zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder parketnummer 13-120116-03 onder 3, aanhef en onder a, b, c en e tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder parketnummer 13-120116-03 onder 1, 2, 3 aanhef en onder d, 4, 5 en 6 en onder parketnummer 13-520028-05 onder 1 en 2 (doorgenummerd 7 en 8) tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 jaar, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Zoals reeds ter terechtzitting van 25 juni 2007 door het hof is beslist, beperkt de behandeling in hoger beroep zich voor wat betreft het onder 3 tenlastegelegde tot feit 3 aanhef en onder d.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van het hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Feit 3:

De raadsman heeft -samengevat- betoogd dat geen sprake is van witwassen nu het een betaling aan de verdachte betreft van door hem, verdachte, verrichte werkzaamheden in het kader van beveiliging ten behoeve van (een bedrijf of bedrijven van) [SLACHTOFFER 7].

Het hof overweegt daarover als volgt.

Het hof onderzoekt allereerst de vraag of wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht dat het in de tenlastelegging genoemde geldbedrag van € 45.000,-, zoals de wet voorschrijft en als is tenlastegelegd, uit enig misdrijf afkomstig was.

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte1 verklaard, kort weergegeven, dat hij betalingen van zijn (verdachte's) klanten, onder wie [SLACHTOFFER 7], via het bedrijf [BEDRIJF A] liet lopen, zodat [PERSOON 1] (directeur van [BEDRIJF A]) met dat geld zijn operationele kosten kon voldoen, terwijl hij (verdachte) geen facturen op eigen naam kon versturen omdat hij niet bij de Kamer van Koophandel stond ingeschreven. De factuur van ATR Leasing (het hof begrijpt de factuur van € 45.000) is door [PERSOON 2] in kleine porties contant betaald, en betreft salaris voor werkzaamheden welke de verdachte voor [SLACHTOFFER 7] heeft verricht.

Door getuige [PERSOON 2] is ter terechtzitting in hoger beroep2 verklaard dat hij de verdachte weliswaar diverse malen contante betalingen heeft gedaan, echter voor deze specifieke rekening (het hof begrijpt: de factuur van

€ 45.000.-) geen betaling heeft verricht. Daartegenover staat dat hij eerder echter heeft verklaard3 dat de verdachte ten behoeve van het bedrijf van [SLACHTOFFER 7] beveiligingswerkzaamheden verrichtte, zoals het tijdig waarschuwen, en daarvoor een keer een factuur heeft gestuurd, naar aanleiding waarvan hij verdachte een paar keer geld heeft gegeven. Ook [SLACHTOFFER 7]4 heeft verklaard dat de verdachte werkzaamheden voor hem verrichtte en een factuur dienaangaande heeft ingediend op naam van [BEDRIJF A].

Het hof is op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep tot het oordeel gekomen, dat ook al wordt niet inzichtelijk welke werkzaamheden (advies en beveiliging) de verdachte concreet heeft verricht, het niet uit te sluiten is -gelet op bovengenoemde verklaringen- dat de verdachte dergelijke werkzaamheden daadwerkelijk ten behoeve van (het bedrijf/ de bedrijven van) [SLACHTOFFER 7] heeft verricht; het enkele feit dat de betreffende factuur ad € 45.000,- valselijk is opgemaakt, maakt nog niet dat het bedrag dat daarop is vermeld en dat ook - naar het hof aannemelijk voorkomt - is uitbetaald aan de verdachte van misdrijf afkomstig is.

Het hof ziet geen andere omstandigheden, direct of indirect, waaruit iets anders kan worden afgeleid, zodat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Feit 6

Met betrekking tot de onder 6 aan de verdachte tenlastegelegde bedreigingen van [PERSOON 3] overweegt het hof als volgt.

De verdachte heeft vanaf zijn aanhouding op 8 december 2004 tot en met de behandeling van zijn strafzaak in hoger beroep steeds ontkend dat hij degene is geweest die [PERSOON 3] op 3 mei 2004 telefonisch heeft bedreigd met verkrachting, zoals tenlastegelegd.

Wel heeft de verdachte bekend5 de in de tenlastelegging onder 6, achter het tweede gedachtestreepje vermelde woorden tegen [PERSOON 3] te hebben uitgesproken tijdens een (getapt)6 telefoongesprek op 13 juni 2004. Hij heeft daarover - samengevat - verklaard dat hij toen weliswaar erg boos was op [PERSOON 3] omdat deze gemaakte afspraken niet nakwam, maar geenszins de bedoeling heeft gehad [PERSOON 3] met die woorden daadwerkelijk te bedreigen, laat staan die bedreigingen uit te voeren. Volgens de verdachte is het in de communicatie tussen personen van Joodse afkomst, zoals [PERSOON 3] en hemzelf, gebruikelijk dat men zich bij boosheid of ergernis soms van grof taalgebruik bedient. In het verlengde hiervan heeft de raadsman bij pleidooi in hoger beroep betoogd - verkort weergegeven - dat het telefoongesprek van 13 juni 2004 dient te worden geplaatst in de categorie van onbeheerste uitingen van woede en niet in die van strafbare bedreigingen.

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep is het hof van oordeel dat de verdachte niet alleen op 13 juni 2004, maar ook op 3 mei 2004 de in de tenlastelegging vermelde bewoordingen tegen [PERSOON 3] heeft gebezigd. Wat het laatstgenoemde telefoongesprek betreft, baseert het hof zijn oordeel op dezelfde gronden als door de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 maart 2008 in zijn repliek7 genoemd. Gelet op hetgeen hierna zal worden overwogen, kan hier naar het oordeel van het hof met een verwijzing naar die repliek worden volstaan.

In het vorenstaande ligt nog niet besloten dat de verdachte zich met het toevoegen aan [PERSOON 3] van de in de tenlastelegging vermelde woorden heeft schuldig gemaakt aan bedreigingen als bedoeld in artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht.

Voor een bewezenverklaring van deze bedreigingen is niet vereist dat zij op de bedreigde, in casu [PERSOON 3], een zodanige indruk hebben gemaakt dat er werkelijk vrees door is opgewekt en hij zich daardoor in zijn vrijheid belemmerd heeft geacht.

Voor een bewezenverklaring van de bedreigingen is volgens vaste rechtspraak vereist dat die bedreigingen van dien aard zijn en onder zodanige omstandigheden zijn geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kón ontstaan dat de misdrijven waarmee wordt gedreigd, zouden worden uitgevoerd.

Hoewel de door de verdachte gebruikte bewoordingen aan het adres van [PERSOON 3] naar het oordeel van het hof op zichzelf beschouwd van dien aard zijn dat zij bij degene tot wie zij zijn gericht de redelijke vrees kunnen doen ontstaan dat deze zou kunnen worden verkracht, respectievelijk zwaar zou kunnen worden mishandeld, acht het hof niet aannemelijk geworden dat, gelet op de omstandigheden waaronder die bedreigende woorden door de verdachte zijn gesproken, bij [PERSOON 3] de redelijke vrees kon ontstaan, dat de misdrijven waarmee werd gedreigd, zouden worden uitgevoerd.

Geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend aan de enkele omstandigheid dat [PERSOON 3] op 3 mei 2004 bij de politie aangifte heeft gedaan8 van bedreiging (met verkrachting) en daarbij onder meer heeft verklaard dat hij zich zeer bedreigd voelde door het "telefoontje", waarbij de beller volgens [PERSOON 3] op een zeer agressieve toon sprak.

Het hof overweegt daarbij dat [PERSOON 3] blijkens zijn eigen, hierboven reeds genoemde aangifte onmiddellijk na het aanhoren van de telefonische bedreiging met verkrachting als reactie daarop tegen zijn gesprekspartner heeft gezegd dat hij nu meteen langs moest komen "op de zaak", waarmee werd bedoeld de diamanthandel van [PERSOON 3] en dat [PERSOON 3] in aansluiting daarop desgevraagd ook het adres van zijn zaak heeft doorgegeven. Een dergelijke spontane en uitnodigende reactie laat zich naar het oordeel van het hof niet rijmen met beweerdelijk bij [PERSOON 3] opgewekte gevoelens van vrees om te worden verkracht.

Het hof neemt in dit verband verder in aanmerking dat is gesteld, noch gebleken dat [PERSOON 3] naar aanleiding van de tweede tenlastegelegde bedreiging d.d. 13 juni 2004, nogmaals naar de politie is gegaan om ook daarvan aangifte te doen. Het dossier biedt naar het oordeel van het hof geen aanknopingspunten voor het standpunt dat dit achterwege blijven van een tweede aangifte is ingegeven door een bij [PERSOON 3] bestaande vrees voor de verdachte. Uit de stukken komt, integendeel, naar voren dat er na het meergenoemde telefoongesprek van 3 mei 2004 veelvuldig contact is geweest tussen [PERSOON 3] en de verdachte, waarbij laatstgenoemde met kennelijke instemming van [PERSOON 3] - zij het uiteindelijk zonder succes - een bemiddelende rol op zich heeft genomen in het relatieconflict dat [PERSOON 3] had met zijn voormalige vriendin. Vaststaat dat die contacten ook na 13 juni 2004 nog hebben voortgeduurd.

Ten slotte wordt nog overwogen dat ter terechtzitting van het hof van 30 november 2007 een drietal van de getapte telefoongesprekken tussen de verdachte en [PERSOON 3] zijn beluisterd van een cd-rom die deel uitmaakt van het procesdossier. Tot de beluisterde gesprekken behoorde ook het in de tenlastelegging bedoelde gesprek d.d. 13 juni 2004. Het hof heeft waargenomen dat [PERSOON 3] tijdens dat gesprek op een betrekkelijk rustige en beheerste toon is blijven spreken, zodat ook daaruit geen overtuigende aanwijzingen zijn te vinden voor het oordeel dat bij [PERSOON 3] toen de redelijk vrees was opgewekt dat hij het leven zou kunnen verliezen, dan wel zwaar zou kunnen worden mishandeld.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat niet wettig en overtuigend is bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem tenlastegelegde bedreigingen van [PERSOON 3], zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewijsverweren

Ten aanzien van feit 1:

De raadsman heeft -samengevat- betoogd dat het feitelijk gedeelte van het onder 1 tenlastegelegde, indien al bewezen, geen geweld of bedreiging met geweld en daarmee geen afpersing oplevert en de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Het hof overweegt daarover als volgt.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden dat [SLACHTOFFER 1] door geweld van de zijde van de verdachte en/of (een) ander(en) is gedwongen tot de afgifte van een geldbedra

Van "bedreiging met geweld" als tenlastegelegd is volgens de rechtspraak van de Hoge Raad sprake als de bedreiging zodanig is dat normaal te verwachten is dat degene die door de dader tot afgifte van geld wordt gedwongen door die bedreiging daartoe wordt gebracht. Daarvan kan worden gesproken indien een dermate dreigende situatie is gecreëerd dat de vrees van het slachtoffer voor geweld van de zijde van de verdachte gerechtvaardigd is.

Vereist is dat de feitelijkheid zo bedreigend moet zijn, dat wanneer zij niet wordt gebezigd, het slachtoffer niet zou hebben gehandeld of nagelaten, althans niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij thans gehandeld heeft of niet gehandeld heeft.

Het hof is van oordeel dat van een dergelijke bedreiging met geweld in casu sprake is.

Uit de verklaringen in het dossier in verband met de inhoud van de telefoontaps, als hieronder zakelijk weergegeven, komt naar voren dat:

* [PERSOON 4] een vordering claimde te hebben op [SLACHTOFFER 1] van f 10.000,-;

* [PERSOON 4] de verdachte gevraagd heeft of hij wist waar [SLACHTOFFER 1] woonde;

* de verdachte op een gegeven moment van een man genaamd [PERSOON 5] vernam waar [SLACHTOFFER 1] woonde;9

* de verdachte [PERSOON 4] het adres niet wilde geven, maar zei dat hij met [PERSOON 4] mee ging; dat [PERSOON 4] niet wist waarom hij mee wilde;

* de verdachte zich op een maandagavond samen met [PERSOON 4] naar het woonadres van [SLACHTOFFER 1] heeft begeven en dat zij daar rond 18.00 uur hebben aangebeld;

* [SLACHTOFFER 1] de verdachte niet kende en dat hij zag dat het een brede gespierde man betrof;

* [PERSOON 4] tegen [SLACHTOFFER 1] zei dat hij een week de tijd had een bedrag van € 4.500,-, zijnde het omgerekende bedrag van de schuld van f 10.000,-, te betalen;

* De verdachte tegen [SLACHTOFFER 1] zei dat ze over een week op dezelfde dag en tijd met een vrachtwagen zouden terugkeren en dat ze bij niet betaling zijn huis zouden leeghalen;

* In reactie daarop [SLACHTOFFER 1] zei dat hij het geld niet had en dat verdachte en/of zijn mededader net zo goed meteen zijn, [SLACHTOFFER 1]s, botten konden breken;

* De verdachte daarop heeft gezegd: "We zien wel, je krijgt eerst een week de tijd" en heel dicht bij [SLACHTOFFER 1] ging staan;

* [SLACHTOFFER 1] enkele dagen later [PERSOON 4] gebeld heeft en dat [PERSOON 4] zei, dat als [SLACHTOFFER 1] zou betalen, [VERDACHTE] (de verdachte) niet aan zijn deur zou komen;

* [SLACHTOFFER 1] maandag 6 december 2004 contant

€ 4.500,- aan [PERSOON 4] heeft gegeven en een schuldbekentenis had getekend van € 1.500,-;

* [SLACHTOFFER 1] zo bang was dat hij niet durfde te vragen naar een bewijs dat hij moest betalen en hij het geld gewoon betaald heeft;10

* [SLACHTOFFER 1] bang was dat ze zijn kinderen of hem iets aan zouden doen11

* [PERSOON 4] heeft verklaard dat hij wist dat [VERDACHTE](het hof begrijpt: de verdachte)in de beveiliging zat en een forse jongen is; dat zij samen naar de woning van [SLACHTOFFER 1] zijn gereden en [VERDACHTE] heeft aangebeld; dat [SLACHTOFFER 1] zich geïntimideerd voelde omdat [VERDACHTE] en hij ineens voor de deur stonden; dat [VERDACHTE][SLACHTOFFER 1] alleen maar bleef aankijken; dat de aanwezigheid van [VERDACHTE]doorslaggevend was;12

[SLACHTOFFER 1] heeft bij de rechter-commissaris aangegeven13

dat hij het geen normale manier van afhandelen van een financieel dispuut vond, dat hij naar aanleiding van het gesprek in paniek is geraakt en de betaling enkele dagen later enigszins onder druk heeft gedaan omdat hij niet wist of hij het geld nu wel of niet schuldig was.

De hierboven genoemde feiten worden ondersteund door processen-verbaal van afgeluisterde telefoongesprekken tussen de verdachte en [PERSOON 4], waaruit blijkt dat de verdachte [PERSOON 4] belt dat hij voor hem "de man" heeft gevonden (15-10-2004 volgnummer 1184114) en het gesprek van 17 oktober 2004 met een andere vermeende schuldeiser [PERSOON 5], waarin de verdachte een adres, zijnde het woonadres van [SLACHTOFFER 1], noemt. In het gesprek van 30 november 200415 wordt besproken wat het bedrag is dat [PERSOON 4] moet vragen. [VERDACHTE](de verdachte) geeft dan aan dat hij (het hof begrijpt: [SLACHTOFFER 1]) eerst een paar klappen moet krijgen om het te begrijpen. Tevens is onder [PERSOON 4] inbeslaggenomen een ontvangstbewijs, gedateerd 6 december 2004, inhoudende: "ontvangen van de heer [SLACHTOFFER 1]

€ 4.500,- voor de heer [PERSOON 4]16" en een schuldbekentenis d.d. 6 december 2004 van € 1.500,- aan [PERSOON 4]17.

Uit het voorafgaande leidt het hof af dat genoemde feiten en omstandigheden in onderling verband zo bedreigend zijn geweest dat [SLACHTOFFER 1] op 6 december 2004 het gehele bedrag van € 4.500,- heeft betaald en zelfs een schuldbekentenis voor een extra € 1.500,- heeft getekend omdat hij bang was voor de gevolgen als hij niet zou betalen, ook al wist hij niet of hij wel een schuld had en rechtens zou moeten betalen. Uit het proces-verbaal van bevindingen van 9 december 200418 blijkt dat [SLACHTOFFER 1] bedenktijd wilde hebben voor het doen van aangifte en een erg geschrokken en bange indruk op de verbalisanten maakte. Hij gaf tegenover hen aan bij de komst van de verbalisanten doodsbang te zijn geweest en dacht dat hij weer bezoek kreeg van dat soort mannen. Aan die angst heeft bijgedragen dat de verdachte, die een sterk en gespierd postuur had en zich dreigend tot vlakbij [SLACHTOFFER 1] opdrong, samen met zijn mededader [PERSOON 4] onverwacht op het privé-adres van [SLACHTOFFER 1], een gestelde oude schuld kwamen incasseren op een tijdstip in de avond waarop ook de kinderen van [SLACHTOFFER 1] thuis waren.

Het hof acht dan ook wettig en overtuigend bewezen hetgeen in de bewezenverklaring is vermeld en is van oordeel dat dit medeplegen van afpersing oplevert.

Ten aanzien van feit 2:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi gemotiveerd de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 2] betwist.

De raadsman heeft hiertoe aangevoerd dat de getuige[SLACHTOFFER 2] onbetrouwbaar is, immers op diverse thema's/onderdelen als in het pleidooi cursief aangegeven19, wisselend, tegenstrijdig en/of in strijd met zichzelf en anderen heeft verklaard. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het eigen belang dat deze getuige heeft bij het verdraaien van de waarheid en het doen van valse aangifte. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman - onder meer - aangevoerd dat deze getuige, ten overstaan van de rechter-commissaris en het hof, een andere verklaring heeft afgelegd dan bij de politie. De verklaringen van de getuige dienen derhalve van het bewijs te worden uitgesloten.

De raadsman heeft tevens betoogd dat, nu de verklaring van deze getuige het enige bewijs is als bedoeld in artikel 342 lid 2 van het Wetboek van Strafvordering en de overige getuigenverklaringen gebaseerd zijn op hetgeen[SLACHTOFFER 2] aan de getuigen heeft verklaard, vrijspraak dient te volgen.

Het hof overweegt hiertoe als volgt:

De getuige[SLACHTOFFER 2] is verschillende malen uitgebreid door de politie gehoord. Tevens is[SLACHTOFFER 2] twee maal in het bijzijn van de verdediging gehoord door de rechter-commissaris. Ter terechtzitting van het hof is[SLACHTOFFER 2] op 24 september en 21 november 2007 eveneens uitvoerig als getuige gehoord. Zowel de advocaat-generaal, de raadsman als de verdachte hebben daarbij voldoende gelegenheid gehad om deze getuige te ondervragen en desgewenst opmerkingen te maken ten opzichte van de door deze getuige afgelegde verklaring alsmede in te brengen wat tot verdediging kan dienen.

De getuige heeft ter zitting van het hof uitvoerig verklaard over wat zich in het kader van het onder 2 tenlastegelegde feit (kortweg aangeduid als de zaak [BEDRIJF B]) heeft afgespeeld. De getuige had tijdens zijn verhoor bij het hof meerdere keren moeite zich te herinneren wat er ten tijde van dit tenlastegelegde feit precies was voorgevallen.

Met de raadsman is het hof van oordeel dat de getuige, over hetgeen zou zijn voorgevallen voorafgaand aan, tijdens, en na afloop van de gewraakte bespreking op het kantoor van [BEDRIJF C] op 8 augustus 2002, op diverse punten verschillend heeft verklaard. De getuige maakte daarbij ten overstaan van het hof soms een wat warrige, chaotische indruk, welke indruk deels werd versterkt door het feit dat de getuige de Nederlandse taal niet vloeiend beheerst, doch desondanks de Nederlandse taal wenste te gebruiken en slechts zelden de hulp van de tolk in riep.

Gelet op hetgeen diverse getuigen hierover verklaren, wijkt deze indruk niet af van de wijze waarop de getuige zich ook tijdens politieverhoren en bij de rechter-commissaris heeft gemanifesteerd.

Zo verklaart onderzoeksleider [PERSOON 6]20 ter zitting van het hof dat[SLACHTOFFER 2] "een warrige indruk maakte ten aanzien van data, en dat hij bijvoorbeeld geen aantekeningen in een agenda bijhield". Dit zou - volgens [PERSOON 6] - mede een reden zijn waarom het zo lang heeft geduurd voordat de aangifte van[SLACHTOFFER 2] op papier kwam te staan.

Uit de verklaringen van de getuigen [PERSOON 2]21, [PERSOON 7]22 en [PERSOON 8]23 blijkt dat de getuige[SLACHTOFFER 2] als eigenaar van De [BEDRIJF B] ook op organisatorisch en boekhoudkundig niveau ondersteuning behoefde.

Het hof concludeert hieruit dat de wijze waarop de getuige zich tijdens de zitting heeft gemanifesteerd meer zegt over de persoonlijkheidsstructuur van de getuige dan over de betrouwbaarheid van zijn verklaringen.

Het hof betrekt bij de beoordeling voorts dat het tenlastegelegde feit dateert uit het jaar 2002, dat ten tijde van het verhoor ter zitting van het hof ruim vijf jaar zijn verstreken en dat de getuige in de tussentijd vele malen is gehoord zodat voor hem hetgeen zich in 2002 precies heeft afgespeeld en wat hij daarover op onderscheiden tijdstippen heeft verklaard en heeft teruggelezen uit zijn verklaringen, mogelijk niet goed meer te onderscheiden is.

Voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van de getuige[SLACHTOFFER 2] is tevens van belang of de door[SLACHTOFFER 2] afgelegde verklaringen overeenstemmen met hetgeen andere getuigen verklaren of hetgeen overigens uit stukken, die zich in het dossier bevinden, blijkt.

Het hof overweegt in dit verband dat de verklaring van[SLACHTOFFER 2] op het punt van het, onder bedreiging met geweld, uiteindelijk tekenen van de aandelenoverdracht, wordt ondersteund door een aantal verklaringen van andere getuigen.

Getuige [PERSOON 9]24 heeft verklaard dat[SLACHTOFFER 2] (het hof begrijpt:[SLACHTOFFER 2]) "opeens vanaf zijn mobiel in paniek belde; hij had zijn paspoort nodig dat bij haar lag. Hij zette er zo'n druk achter dat ik niet eens kon vragen waarom hij dat nodig had... De dag erna heeft hij mij in grote lijnen verteld wat er gebeurd was, namelijk dat hij werd bedreigd. Een paar dagen tot een paar weken later vertelde hij dat hij onder bedreiging had moeten tekenen, dat [VERDACHTE] en [SLACHTOFFER 7] daar bij waren".

Getuige [PERSOON 2]25 heeft verklaard dat hij met de notaris heeft gebeld om die middag van 8 augustus 2002, na de bespreking op het kantoor van [SLACHTOFFER 7] ([BEDRIJF C]) de aandelenoverdracht te tekenen. Notaris [PERSOON 10]26 heeft dit bevestigd in zijn verklaring bij brief van 20 augustus 2002. Getuige [PERSOON 11] heeft zowel bij de politie27 als bij de rechter-commissaris28 verklaard dat de verdachte ([VERDACHTE]) het gesprek tot zijn verbazing helemaal overnam, want zijn deelname was niet aangekondigd terwijl hij wel de leiding nam. [VERDACHTE] sprak intimiderend. Hij bracht zijn boodschap heel duidelijk op een manier dat je er niet om heen kon. Hij had tijdens het gesprek het idee dat [VERDACHTE] de belangen van [SLACHTOFFER 7] behartigde.

Het onder druk tekenen bij de notaris wordt ook ondersteund door een brief van de advocaat van[SLACHTOFFER 2], mr. [PERSOON 12], van 13 augustus 2002, gericht aan [PERSOON 10], waarin de advocaat namens zijn cliënt met terugwerkende kracht de machtiging intrekt en de notaris verzoekt alle rechtshandelingen die ontleend zijn aan de machtiging ongedaan te maken, aangevende dat zijn cliënt[SLACHTOFFER 2] niet eigener beweging de machtiging/ de documenten op 8 augustus 2002 zou hebben ondertekend. Het hof stelt vast dat deze brief kort na de betreffende bespreking bij [BEDRIJF C] is verstuurd, rekening houdend met het tussenliggende weekend, alsmede het overleg dat daaraan vooraf moet zijn gegaan tussen[SLACHTOFFER 2] en zijn raadsman. Bij opvolgende brieven/faxen van diezelfde raadsman van 19 en 22 augustus wordt dit standpunt gehandhaafd. Ook bij de rechter-commissaris29 heeft mr. [PERSOON 12] verklaard dat zijn cliënt niet uit vrije wil heeft ondertekend.

Het enkele feit dat de advocaat van[SLACHTOFFER 2] in een latere brief/fax aangeeft dat zijn cliënt niet voornemens is de gemaakte afspraken te herroepen, omdat hij zich eerst gedegen wil laten informeren, doet daaraan niet af en is in overeenstemming met hetgeen[SLACHTOFFER 2] eerder heeft verklaard, te weten dat hij eerst zijn raadsman wilde raadplegen alvorens te tekenen.30

Ook medewerkers van [BEDRIJF D]31 bevestigen dat[SLACHTOFFER 2] kort na 8 augustus 2002 bij hen op kantoor kwam en zenuwachtig en bang leek te zijn. "Hij vertelde dat hij op de [BEDRIJF E]was geweest. Aldaar was hij onder druk gezet en meegenomen naar een notaris.[SLACHTOFFER 2] werd bij de notaris aangezet tot het tekenen van een overeenkomst tot de verkoop van een groot deel van zijn aandelen in [BEDRIJF B]". "Hij zei dat hij zich niet echt vrij had gevoeld. Wij hebben hem geadviseerd om met zijn advocaat te overleggen en bezwaar te maken tegen het contract." [PERSOON 13]32 bevestigt dat[SLACHTOFFER 2] tegen haar heeft gezegd dat hij was bedreigd door mensen die door [SLACHTOFFER 7] waren ingeschakeld en dat hij zijn aandelen had moeten afstaan. [PERSOON 14]33 vertelt dat "hij[SLACHTOFFER 2] goed kent en dat[SLACHTOFFER 2] behoorlijk geshockeerd" was. [PERSOON 14] verklaart voorts dat hij van[SLACHTOFFER 2] te horen kreeg dat hij was bedreigd en daardoor het gevoel had dat hij niet anders kon dan te tekenen.

Weliswaar geldt dat een deel van de hiervoor genoemde getuigen verklaart over hetgeen[SLACHTOFFER 2] hen heeft medegedeeld - welke verklaringen naar het oordeel van de raadsman op dezelfde bron berusten, te weten[SLACHTOFFER 2] - doch de waarneming van een aantal van die getuigen betreft mede de door hen bij[SLACHTOFFER 2] in dat verband waargenomen emoties en gevoelens, hetgeen voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van belang is.

De reden om druk op[SLACHTOFFER 2] uit te oefenen blijkt uit de verklaring van [persoon2]34: "[SLACHTOFFER 7] had er zoveel geld ingestopt dat hij een meerderheid (het hof leest: van de aandelen) in handen wilde hebben van de [BEDRIJF B]". "[SLACHTOFFER 2] weigerde om mee te gaan naar de notaris om de aandelenoverdracht naar [SLACHTOFFER 7] te ondertekenen. Op dat moment ontstond er ruzie tussen[SLACHTOFFER 2] en mij." Getuige [PERSOON 15]35 verklaart bij de rechter-commissaris dat zij het vermoeden had dat[SLACHTOFFER 2] stukje bij beetje uit de [BEDRIJF B] werd gewerkt door [PERSOON 2] en [SLACHTOFFER 7] en dat [PERSOON 2] onder meer heeft gezegd dat "die[SLACHTOFFER 2] moest oprotten".

De raadsman heeft nog gewezen op het grote tijdsverloop tussen de bespreking op het kantoor van [BEDRIJF C]

d.d. 8 augustus 2002 en de aangifte van[SLACHTOFFER 2] op

4 september 2002.

Met betrekking tot voornoemde "leemte" heeft het hof kennis genomen van het proces-verbaal van verbalisant [PERSOON 16] d.d. 4 november 2007, het proces-verbaal d.d. 27 november 2007 van verbalisanten [PERSOON 17] en [PERSOON 18], een aanvullend proces-verbaal d.d. 27 november 2007 van dezelfde [PERSOON 17], alsmede een proces-verbaal d.d. 29 november 2007 van verbalisant Metselaar.

Hieruit blijkt dat[SLACHTOFFER 2] zich eerst heeft gemeld bij de politie op het bureau Beursstraat te Amsterdam. Omdat zijn aangifte volgens politiefunctionarissen van dat bureau mogelijk beter door de regionale recherche in behandeling genomen kon worden, is[SLACHTOFFER 2] eerst enige weken ná zijn eerste contact bij het bureau, waar onderzoeksleider [PERSOON 6] werkzaam was, terechtgekomen. Ter zitting van het hof heeft de getuige[SLACHTOFFER 2] nader verklaard over de gang van zaken rond de aangifte. Hieruit blijkt dat hij door verschillende politiefunctionarissen is doorgestuurd, alvorens daadwerkelijk tot zijn aangifte te kunnen komen, iets wat ook aansluit bij hetgeen [PERSOON 16] en [PERSOON 6] hierover verklaren. Volgens verbalisant [PERSOON 16] is de aangifte van[SLACHTOFFER 2] op 4 september 2002 op schrift gesteld. De verklaring van[SLACHTOFFER 2] bij de rechter-commissaris en ter zitting van het hof, dat hij met diverse politiemensen heeft gesproken voordat zijn aangifte werd vastgelegd, komt naar het oordeel van het hof hiermee overeen. Het hof houdt rekening met het feit dat blijkens de verklaring van onderzoeksleider [PERSOON 6]36 ter zitting van het hof,[SLACHTOFFER 2] zijn uitgetypte verklaring bij de politie ter lezing heeft meegekregen en deze eerst later heeft ondertekend.

Hoewel enigszins onduidelijk is gebleven wat zich precies heeft afgespeeld tussen het onder 2 tenlastegelegde feit en de datum van het proces-verbaal van aangifte verbindt het hof hieraan, gelet op voornoemde ambtsedige processen-verbaal, alsmede de verklaringen van de getuige zelf ter zitting van het hof, die daar nog eens benadrukte dat er na 8 augustus 2002 "zoveel informatie in zijn hoofd zat dat het erg chaotisch was", geen consequenties met betrekking tot de betrouwbaarheid van de getuige.

De kern van de verklaringen van[SLACHTOFFER 2] ziet het hof voorts bevestigd in de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting van het hof heeft afgelegd. De verdachte37 heeft ter zitting van het hof verklaard, zakelijk weergegeven dat hij op verzoek van [SLACHTOFFER 7] op 8 augustus 2002 naar [BEDRIJF C] is gekomen. Daar vernam hij in een voorgesprek met [SLACHTOFFER 7] en [PERSOON 2] dat het ging om een probleem met horeca-gelegenheid De [BEDRIJF B]. [SLACHTOFFER 7] zou 3 miljoen gulden hebben geïnvesteerd in De [BEDRIJF B]. [SLACHTOFFER 7] wilde de zaak verkopen. Later die dag gingen [SLACHTOFFER 7], [PERSOON 2], de verdachte, [PERSOON 19], [PERSOON 11] en[SLACHTOFFER 2] om tafel en leidde de verdachte het gesprek. De verdachte heeft samen met[SLACHTOFFER 2] het paspoort van[SLACHTOFFER 2] bij zijn huis opgehaald. Bij de notaris waren aanwezig[SLACHTOFFER 2], [SLACHTOFFER 7], [PERSOON 2] en de verdachte.

Nu de verklaringen van de getuige[SLACHTOFFER 2] als hierboven aangegeven, in de kern waar het de tenlastegelegde gedragingen betreft - kortweg: het onder bedreiging met geweld op 8 augustus 2002 bij de notaris ondertekenen van een overeenkomst waarbij hij een (deel van) de eigendom van De [BEDRIJF B] en aandelen daarin overdraagt -, consistent, authentiek, gedetailleerd, en overtuigend overkomen en bovendien op veel onderdelen overeenstemmen met verklaringen van andere getuigen en - op onderdelen - van de verdachte zelf, acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en kunnen deze dan ook worden gebruikt voor het bewijs.

Getuige [PERSOON 19]

Bij beslissing van 23 november 2007 heeft het hof het verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen op gronden als vermeld in het proces-verbaal van de november zittingen. Bij pleidooi heeft de raadsman hiertoe een hernieuwd verzoek gedaan, indien het hof de verklaringen van de getuige[SLACHTOFFER 2] voor het bewijs zou gebruiken terzake van feit 2.38

Het hof overweegt dat door de raadsman geen nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden naar voren is/zijn gebracht die het hof tot een ander oordeel brengt/brengen. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek wordt derhalve als niet noodzakelijk afgewezen.

Wederrechtelijkheid en dwang

[SLACHTOFFER 2] heeft ter zitting van het hof erkend dat [SLACHTOFFER 7] "natuurlijk recht had op al het geld dat hij in De [BEDRIJF B] had gestoken"39. Hij heeft daarbij echter benadrukt dat hij "de stukken eerst aan zijn advocaat wilde laten zien" en bespreken; bovendien wilde hij begrijpen wát hij zou tekenen. Ook verklaart hij dat hij "de papieren door de mensen van [BEDRIJF D]heeft laten bekijken en hen verteld wat er speelde. Zij adviseerden me niet te tekenen." Dat[SLACHTOFFER 2] bij [BEDRIJF D]is geweest - op dezelfde dag van en - voorafgaand aan de bespreking op het kantoor van [BEDRIJF C] op 8 augustus 2002 en dat hij de medewerkers van [BEDRIJF D]daarbij heeft verteld wat er speelde wordt bevestigd door medewerkers van [BEDRIJF D].40

De verdachte, [PERSOON 2] en [SLACHTOFFER 7] hebben geen verklaring gegeven waarom[SLACHTOFFER 2] niet langs juridische weg tot nakoming is gebracht.

De verdachte noch de getuigen [PERSOON 2] en [SLACHTOFFER 7] hebben voorts kunnen verklaren waarom[SLACHTOFFER 2] juist op

8 augustus 2002 moest nakomen. De slechte financiële situatie van De [BEDRIJF B] duurde immers al meer dan twee jaar voort. Voorts had[SLACHTOFFER 2] volgens de verklaringen van [PERSOON 2] en [SLACHTOFFER 7], afgelegd ter zitting van het hof,41 reeds te kennen gegeven dat hij [SLACHTOFFER 7] deels wilde compenseren. [PERSOON 2] verklaarde zelfs dat de constructie om fiscale redenen reeds in 1999 was overeengekomen.

Het hof overweegt dat het "op zich willen nakomen" van[SLACHTOFFER 2] niet impliceert dat dit de tenlastegelegde afpersing zou uitsluiten. Bij het beoordelen van de onvrijwilligheid dient niet alleen gekeken te worden naar het geïsoleerde gevolg, maar ook naar de omstandigheden waaronder dat gevolg tot stand is gekomen. Van "tegen zijn wil", onvrijwilligheid, is sprake indien het slachtoffer op het beslissende moment niet wilde dat het gevolg onder die omstandigheden en op dat moment tot stand zou komen. Er moet dus een relatie zijn tussen het gebezigde middel en het handelen of nalaten. Uit de wetsgeschiedenis volgt voorts dat dwingen veronderstelt dat iemand zonder het op hem toegepaste dwangmiddel niet zou hebben gehandeld of nagelaten, althans niet op het ogenblik waarop en in de omstandigheden waarin hij thans gehandeld heeft of niet gehandeld heeft, (zie onder meer TK 1989-1990 20930 nr. 8, pag. 8). Dwang is uitgesloten indien het slachtoffer van plan was uit vrije wil en op dat tijdstip het gevolg tot stand te brengen . Gelet op het hiervoor overwogene is van die vrije wil van[SLACHTOFFER 2], zeker op dat geschetste moment en onder de omstandigheden als hiervoor weergegeven, geen sprake geweest.

Ten aanzien van feit 7:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi gemotiveerd de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] (verder te noemen: [SLACHTOFFER 8]) betwist. Hiertoe heeft de raadsman, samengevat, het navolgende aangevoerd.

De raadsman stelt - primair - dat niet kan worden vastgesteld dat er sprake is geweest van afpersing van [SLACHTOFFER 7], doch veeleer van een zakelijk conflict met een onbekend gebleven Israëlisch driemanschap, waarin door [SLACHTOFFER 7] een afkoopsom is betaald. Subsidiair, als het hof zou oordelen dat er wel sprake is geweest van afpersing van [SLACHTOFFER 7], kan naar het oordeel van de raadsman niet bewezen worden dat de verdachte bij die afpersing betrokken is geweest.

Ter onderbouwing van het subsidiaire verweer heeft de raadman aangevoerd dat al het specifiek de verdachte belastende materiaal dat door het openbaar ministerie is aangedragen - naast enkele bij pleidooi bestreden opmerkingen van [SLACHTOFFER 7] in het RTL5 programma "Bureau Misdaad" - in essentie slechts bestaat uit de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] en de zogenoemde geldstromen. Omtrent de getuige [SLACHTOFFER 8] heeft de raadsman aangevoerd - door het hof als volgt samengevat - dat in de door deze getuige afgelegde verklaringen geen enkele feitelijkheid is aangedragen die direct redengevend is voor de verweten afpersing, dat in essentie alle door deze getuige afgelegde uitlatingen telkens te kwalificeren zijn als de-auditu verklaringen waarvan [SLACHTOFFER 8] telkens de bron niet heeft kunnen duiden anders dan door naar de verdachte te wijzen en voorts, dat deze getuige wisselend, ongeloofwaardig en - zowel innerlijk als ten opzichte van verklaringen van andere getuigen - tegenstrijdig heeft verklaard. Daarnaast heeft de raadsman gewezen op het belang dat deze getuige heeft bij het verdraaien van de waarheid.

De raadsman heeft aangevoerd dat op grond van een en ander de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd en de verdachte op grond daarvan dient te worden vrijgesproken van dit feit. Hij wijst er op dat het enige andere specifiek de verdachte belastende bewijs, te weten de geldstromen, op zichzelf onvoldoende is voor bewezenverklaring, terwijl de verdachte voor deze geldstromen bovendien een geloofwaardige verklaring heeft afgelegd. Deze verklaring komt erop neer dat een deel van de 4 miljoen gulden - waarvan de verdachte heeft verklaard te hebben verondersteld dat dat geld was waarmee [SLACHTOFFER 7] de STRAAT-panden van [SLACHTOFFER 8] heeft teruggekocht42 - weliswaar bij hem is terechtgekomen, maar dat dit ging om loon/provisie in verband met voor [SLACHTOFFER 8] verrichte diensten en terugbetalingen van door de verdachte - of door andere onbekend gebleven personen via de verdachte - aan [SLACHTOFFER 8] verstrekte leningen.

Meer subsidiair heeft de raadsman (wederom) verzocht [SLACHTOFFER 8] als getuige te horen.43

Naar het oordeel van het hof is niet alleen komen vast te staan dat er sprake is geweest van afpersing van [SLACHTOFFER 7], maar ook dat de verdachte als medepleger bij deze afpersing betrokken is geweest. Als bewijsmiddelen gebruikt het hof hiervoor onder meer de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] en het proces-verbaal waarin wordt gerelateerd over de geldstromen. Het hof overweegt - met name omtrent de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] - als volgt.

Vast is komen te staan dat op 17 mei 2000 door [SLACHTOFFER 7] opdracht is gegeven tot het overmaken van een bedrag van 4 miljoen gulden van zijn bedrijf [BEDRIJF C] naar de derdengeldrekening van notaris [PERSOON 20], onder vermelding van "[...]". Op 24 mei 2000 heeft notaris [PERSOON 20] vervolgens - na verrekening van kosten - van deze derdengeldrekening een bedrag van 3.999.634,95 gulden overgemaakt aan [BEDRIJF F] BV, waarvan [SLACHTOFFER 8] de directeur was. Voor deze transactie is op grond van het onderzoek ter terechtzitting geen redelijke bedrijfseconomische reden aan te wijzen. Het was juist [SLACHTOFFER 8], die als koper van het pakket panden aan de [STRATEN] te Amsterdam, jegens [SLACHTOFFER 7] dan wel een of meer van diens bedrijven niet aan zijn (betalings)verplichtingen kon voldoen.

[SLACHTOFFER 7] zelf ontkent in zijn verhoren dat er sprake is geweest van afpersing. Wel heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep van 16 november 2007 verklaard dat de betaling van 4 miljoen gulden onder meer gelegen was in de problemen die hij had met een aantal Israëlische mensen. Deze problemen zouden zijn veroorzaakt omdat [SLACHTOFFER 7] de verkoop van de STRAAT-panden aan [SLACHTOFFER 8] had afgeblazen en de voorgenomen doorverkoop van [SLACHTOFFER 8] aan deze Israëlische mensen derhalve evenmin doorging. [SLACHTOFFER 7] heeft verklaard dat hem uit niets is gebleken dat er een link zou bestaan tussen deze Israëlische mensen en de verdachte.

Op grond van hetgeen hierna wordt overwogen - waaronder enkele opmerkingen van [SLACHTOFFER 7] zelf in het RTL5-programma "Bureau Misdaad" - komt het hof niettemin tot het oordeel dat [SLACHTOFFER 7] door onder anderen de verdachte is afgeperst.

[SLACHTOFFER 8] is over onder meer de aard van en de gebeurtenissen rondom - en volgend op - deze transactie veelvuldig gehoord door de politie (als verdachte en als getuige) en de rechter-commissaris. Hij heeft daarbij voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd, samengevat inhoudende:

- dat [SLACHTOFFER 7] de verdachte, in aanwezigheid van hem ([SLACHTOFFER 8]) en anderen heeft beledigd met de opmerking: "die kankerjood die je altijd bij je hebt, die stop ik zo onder de asbak"44;

- dat de verdachte [SLACHTOFFER 7] heeft afgeperst45;

- dat de verdachte hem ([SLACHTOFFER 8]) ook heeft medegedeeld dat deze (de verdachte) samen met anderen [SLACHTOFFER 7] heeft afgeperst46;

- dat het afgeperste geld in eerste instantie door [SLACHTOFFER 7] op een rekening van een bedrijf van [SLACHTOFFER 8] is overgemaakt en dat hij ([SLACHTOFFER 8]) - onder dwang van de verdachte - voor het verdere verloop van de geldstromen bepaalde faciliterende handelingen heeft moeten verrichten, zodanig dat het grootste deel van het geld op verschillende manieren bij de verdachte is terechtgekomen47.

Welke concrete faciliterende handelingen hij allemaal in opdracht van de verdachte heeft verricht en om welke bedragen het daarbij telkens ging, kan hij zich volgens zijn verklaringen niet goed herinneren. Hij verklaart voorts dat van een deel van de 4 miljoen gulden zijn eigen schulden zijn afbetaald, doch dat dit in opdracht van de verdachte geschiedde. Voorts verklaart hij dat een ander deel van de 4 miljoen gulden - bij de politie heeft hij het over 1,4 miljoen gulden48 en bij de rechter-commissaris over 1,5 miljoen gulden49 - "bij hem is gebleven", maar dat ook dit geld op de lange termijn naar de verdachte is gegaan50. Hij, [SLACHTOFFER 8], had er volgens zijn verklaring "niets meer over te zeggen"51.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat de getuige [SLACHTOFFER 8] in overwegende mate op de verdachte belastende onderdelen van zijn verklaringen consistent heeft verklaard.

De raadsman heeft aangevoerd dat de - met name uit het verloop van de geldstromen te reconstrueren - betrokkenheid van [SLACHTOFFER 8] zelf in een eventuele afpersing van [SLACHTOFFER 7] reden is om de betrouwbaarheid van deze getuige - en het gegeven dat hij de verdachte belast - in twijfel te trekken.

Hoewel de vraag naar eventuele betrokkenheid van [SLACHTOFFER 8] in een afpersing van [SLACHTOFFER 7] thans niet ter beoordeling van het hof voorligt, acht het hof het voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze getuige - vanwege het door de raadsman aangevoerde - tevens van belang of de verklaringen waarin hij de verdachte belast, overeenstemmen met hetgeen andere getuigen verklaren of met de inhoud van hetgeen zich overigens in het dossier aan bewijsmiddelen bevindt. Het hof overweegt op dit punt dat de door het hof als bewijsmiddel gebezigde onderdelen van de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] ondersteund worden door de navolgende getuigenverklaringen en dossierstukken.

Getuige [PERSOON 21] - ten tijde van het tenlastegelegde de financiële man van [BEDRIJF C] - heeft bij de politie en de rechter-commissaris diverse verklaringen afgelegd, onder meer over de omstandigheden waaronder de betaling van 4 miljoen gulden is gedaan. Naar 's hofs oordeel zijn deze verklaringen consistent en authentiek. Bij de politie heeft [PERSOON 21] verklaard van [SLACHTOFFER 7] te hebben vernomen dat deze erge ruzie had gekregen met de "kopende partij van de STRAAT" en dat het "om een Israëlische partij zou gaan"52. Gevraagd naar de reden van [SLACHTOFFER 7]s' ruzie met de Israëliërs heeft [PERSOON 21] bij de rechter-commissaris verklaard van [SLACHTOFFER 7] te hebben vernomen dat "hij hen ongelooflijk beledigd had"53. Voorts heeft [PERSOON 21] verklaard van [SLACHTOFFER 7] te hebben vernomen dat deze op enig moment een pistool op zijn hoofd kreeg en in een kofferbak is meegevoerd naar een bemiddelingsafspraak die heeft plaatsgevonden en dat partijen tijdens deze bemiddelingsafspraak waren overeengekomen dat er door [SLACHTOFFER 7] een afkoopsom betaald moest worden van 4 miljoen gulden54.

Deze verklaringen van [PERSOON 21] komen op dat punt overeen met de verklaring van de getuige[SLACHTOFFER 2]. Hij heeft verklaard van [BROER SLACHTOFFER 7; persoon 22] te hebben gehoord dat diens broer, [SLACHTOFFER 7], in een kofferbak was gegooid en een pistool tegen zijn hoofd had gekregen55. Tevens verklaart[SLACHTOFFER 2] dat [SLACHTOFFER 7] hem heeft medegedeeld boos te zijn op zijn broer en het belachelijk te vinden dat deze zoiets aan hem had doorverteld. "[SLACHTOFFER 7] maakte zich zorgen dat die jongens er achter zouden komen dat dit verhaal was uitgelekt", aldus[SLACHTOFFER 2].

De getuige [PERSOON 23] heeft voorts verklaard dat zij [SLACHTOFFER 7] zelf heeft horen zeggen dat hij in een kofferbak is gegooid56.

Gelet op deze verklaringen is het hof van oordeel dat moet worden aangenomen dat [SLACHTOFFER 7] het bedrag van 4 miljoen gulden niet vrijwillig heeft betaald, maar daartoe is gedwongen door geweld en bedreiging met geweld. De verklaring van [SLACHTOFFER 8] hieromtrent wordt ondersteund door de verklaringen van andere getuigen en het hof acht de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] op dit punt dan ook geloofwaardig. Dat de verdachte als medepleger van deze afpersing dient te worden aangemerkt - en dat de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] ook op dat punt ondersteund worden - blijkt niet alleen uit de betrokkenheid van de verdachte bij de aanleiding van de betaling (de belediging van de verdachte door [SLACHTOFFER 7]), maar blijkt voorts uit enkele fragmenten uit de video-opname van het RTL-programma Bureau Misdaad en uit de zogenoemde geldstromen in combinatie met de verklaringen van de getuigen [PERSOON 24] en [PERSOON 25], zoals hierna nader aangegeven.

In de video-opname van Bureau Misdaad heeft [SLACHTOFFER 7] tegen [SLACHTOFFER 8] onder meer gezegd: "We waren echt kwaad op elkaar (...) maar jij waarschuwde mij toen een beetje voor [VERDACHTE]. En ik zei toen: "Wat? Ik heb geïnformeerd...dat is niks!" dat zei ik op de bluf. Nou dat heeft [BROER PERSOON 29] aan [VERDACHTE]verteld en toen begonnen mijn problemen. (...) Ik heb gezegd: hij is onbelangrijk, hij stelt niks voor ik schuif hem zo onder de asbak57." Voorts spreekt [SLACHTOFFER 8] in de uitzending tegen [SLACHTOFFER 7] over "Iemand die over mijn rug jou heeft afgeperst58". Het hof begrijpt dat [SLACHTOFFER 8] - naar ook [SLACHTOFFER 7] moet hebben begrepen - daarbij aan de verdachte refereert, gezien het feit dat zeer kort daarvoor de naam "[VERDACHTE]" was gevallen. Vervolgens zegt [SLACHTOFFER 7]: "Ja, maar hij kon mij niet afpersen...Hij heeft er anderen bij gehaald...Hij heeft er anderen bij gehaald"59. Overigens heeft [SLACHTOFFER 7] tegenover het hof ook min of meer toegegeven dat hij tegen [SLACHTOFFER 8] op dat moment over de verdachte sprak60. Daar heeft [SLACHTOFFER 7] echter aan toegevoegd dat hij met deze opmerking "zomaar wat in de groep gooide om informatie van [SLACHTOFFER 8] los te weken", doch dat hem in feite helemaal geen link bekend is tussen de verdachte en de mensen met wie hij problemen heeft gehad. Gelet op de overige gebezigde bewijsmiddelen acht het hof deze verklaring van [SLACHTOFFER 7] voor het gegeven dat hij tegen [SLACHTOFFER 8] op de hiervoor geciteerde manier in belastende zin over de verdachte spreekt niet aannemelijk.

Even verderop in de video-opname zegt [SLACHTOFFER 7] voorts: "Het is heel verrassend gegaan allemaal...Komen hele grote jongens bij"61. Tevens heeft [SLACHTOFFER 7] verklaard dat hij wel eens een borreltje met hem (het hof begrijpt, gelet op de context van die opmerking: de verdachte) ging drinken om de spanning eraf te houden.

Verdere bevestiging van de betrokkenheid van de verdachte bij de afpersing blijkt uit de geldstromen, waarover met name is gerelateerd in het hierna nader te noemen proces-verbaal bijlage "N". Daaruit kan worden opgemaakt dat een groot deel van het geldbedrag van 4 miljoen gulden bij de verdachte is terechtgekomen. Verbalisant Hienkens noemt in dat verband op pagina 1 van het proces-verbaal bijlage "N" d.d. 6 oktober 2006, een bedrag van fl. 2.281.400,-.62

Zo is vanaf de bankrekening van [BEDRIJF F] (van [SLACHTOFFER 8]) een bedrag van circa fl. 1.400.000,- overgemaakt naar een guldenrekening van [BEDRIJF H] Ltd. op naam van [PERSOON 24]. [PERSOON 24] is gehoord en heeft verklaard over een aantal doorboekingen, waaronder een doorboeking op 1 augustus 2000 van fl. 500.000,- naar [BEDRIJF G] te X ten gunste van [PERSOON 26], zijnde de vrouw van de verdachte63.

Ook heeft [PERSOON 24] even verder in die verklaring gezegd dat op 7 augustus 2000 fl. 495.000,- is overgemaakt naar de rekening van [PERSOON 25]. [PERSOON 24] heeft verklaard dat dit geld was dat [PERSOON 25] aan [SLACHTOFFER 8] had geleend en dat hij ([PERSOON 24]), namens [SLACHTOFFER 8], er op deze manier voor zorgde dat [PERSOON 25] zijn geld terugkreeg. [PERSOON 25] heeft hieromtrent verklaard64:

- dat hij in 1998 fl. 201.000,- aan [SLACHTOFFER 8] had geleend,

- dat [SLACHTOFFER 8] en [VERDACHTE] bij hem kwamen en hem meedeelden dat er geld op zijn rekening was gestort en dat bij dat bedrag ook een bedrag van fl. 201.000,- zat, dat hij eerder aan [SLACHTOFFER 8] had geleend plus wat rente,

- dat hij met [VERDACHTE] mee moest naar Zwitserland,

- dat hij daar hoorde dat er 495.000 gulden op zijn rekening was binnengekomen,

- dat hij met [VERDACHTE] de bank in ging en daar 271.000 gulden cash opnam,

- dat [VERDACHTE] deze in ontvangst nam en

- dat later ook een tweede keer ten behoeve van [VERDACHTE] geld van deze rekening is gehaald ten bedrage van fl. 150.000,-.

Voorts is van de rekening van [BEDRIJF H] een bedrag van circa fl. 299.000,- naar de derdenrekening van "[BEDRIJF I] Advocaten" overgemaakt onder vermelding van "[VERDACHTE]".

Het hof overweegt dat de stellingen van de verdachte met betrekking tot de geldbedragen die bij hem zijn terechtgekomen (zoals geresumeerd weergegeven op pagina 18 en 19 van dit arrest) - en met name de redenen van de aan hem gedane betalingen - niet nader door hem zijn onderbouwd; het hof acht deze stellingen niet geloofwaardig. De verdachte heeft verder niet willen aangeven welke schuldeisers door hem met het door hem ontvangen geld zouden zijn betaald. Verdachte spreekt bijvoorbeeld over de heer X[persoon 27], zonder zijn naam te willen noemen65. Ook heeft de verdachte onvoldoende gepreciseerd, welke werkzaamheden hij voor [SLACHTOFFER 8] heeft verricht en welke loon- en provisiekosten daarmee verbonden waren.

Op grond van vorenstaande is het hof van oordeel dat de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] niet alleen voor wat betreft zijn verklaring dat [SLACHTOFFER 7] is afgeperst, maar ook voor wat betreft zijn verklaring dat de verdachte bij deze afpersing als medepleger betrokken is, voldoende ondersteund worden door overige bewijsmiddelen en dat zijn verklaringen ook op dit onderdeel geloofwaardig zijn. Ten overvloede overweegt het hof dat de vraag of het deel van het geldbedrag van 4 miljoen gulden dat ter beschikking van [SLACHTOFFER 8] is gebleven ook daadwerkelijk ter vrije beschikking van [SLACHTOFFER 8] stond danwel vrijelijk door hem kon worden aangewend - of (deels) ís aangewend -

thans niet in het kader van hetgeen aan de verdachte is tenlastegelegd relevant is. Gelet op het feit dat de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] waarin hij de verdachte belast in voldoende mate steun vinden in overige bewijsmiddelen - zoals hiervoor aangegeven - acht het hof de beantwoording van deze vraag ook niet van belang voor enige in de onderhavige strafzaak door het hof te nemen beslissing.

Het hof merkt op dat uit het dossier onvoldoende naar voren is gekomen met welke andere persoon of personen de verdachte de tenlastegelegde afpersing heeft gepleegd. Het onderdeel van de verklaring van [SLACHTOFFER 8], inhoudende dat de verdachte hem de naam van [PERSOON 28] heeft genoemd als één van de personen met wie hij (verdachte) [SLACHTOFFER 7] heeft afgeperst66, vindt onvoldoende steun in het dossier. Ook het onderdeel van de verklaring van [PERSOON 21] dat hij van [SLACHTOFFER 7] heeft vernomen dat een bemiddelingsafspraak, waarbij door [SLACHTOFFER 7] een afkoopsom betaald moest worden van 4 miljoen gulden67, door [PERSOON 28] zou zijn gearrangeerd, vindt onvoldoende steun in het dossier. Het hof wijst in dit verband naar hetgeen het hof heeft opgemerkt in het proces-verbaal van de zitting van 21 december 2007, pagina's 11 en 12.

Ten aanzien van feit 8:

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bij pleidooi gemotiveerd de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] (verder te noemen: [SLACHTOFFER 8]) inzake feit 8 betwist. Hiertoe heeft de raadsman onder meer verwezen naar hetgeen hij over de betrouwbaarheid van deze getuige heeft aangevoerd ten aanzien van feit 7.

Het hof verwijst voor de verwerping hiervan naar hetgeen hiervoor te dien aanzien is overwogen.

De raadsman heeft aangevoerd dat er voor het bewijs van het onder 8 tenlastegelegde slechts een (1) getuige, te weten [SLACHTOFFER 8] is, die de verdachte direct belast. Alleen al om die reden zou de verdachte moeten worden vrijgesproken. Daarnaast zou [SLACHTOFFER 8] gelogen hebben en wisselend dan wel tegenstrijdig hebben verklaard, zodat op grond van een en ander de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] - naar het hof begrijpt- niet voor het bewijs kunnen worden gebezigd.

De raadsman heeft er daarnaast op gewezen dat de andersluidende lezing van het gebeurde van de verdachte in grote lijnen wordt bevestigd door de verklaring van de getuige [PERSOON 29], afgelegd bij de rechter-commissaris op 3 augustus 2005.

De raadsman betwist dat er voor [SLACHTOFFER 8] sprake was van een dreigende situatie, te meer nu [SLACHTOFFER 8] kort voor de tenlastegelegde gebeurtenis gezien zou zijn met een pistool op de stoel in zijn auto. De raadsman bepleit -primair- vrijspraak en subsidiair verzoekt hij [SLACHTOFFER 8] als getuige nader te horen.68

Naar het oordeel van het hof is komen vast te staan dat er sprake is geweest van afpersing van [SLACHTOFFER 8] door de verdachte. Als bewijsmiddelen gebruikt het hof hiervoor onder meer de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8]. Het hof overweegt hiertoe - met name omtrent de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] - als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting van het hof69 verklaard dat [SLACHTOFFER 8] op 18 april 2002 fl. 200.000,- heeft overgemaakt door tussenkomst van notaris [PERSOON 20].

De verdachte heeft aangegeven dat er van zijn kant geen dwang is gebruikt en dat [SLACHTOFFER 8] uit zichzelf dat bedrag die dag heeft overgemaakt. De verdachte heeft, naar hij ter terechtzitting bij het hof heeft verklaard, vanuit De [BEDRIJF J] in [PLAATS] [SLACHTOFFER 8] gebeld en hem verzocht naar de zaak te komen om te bespreken, waarom hij, [SLACHTOFFER 8], [PERSOON 30] gevraagd had niet aan [VERDACHTE] te vertellen dat er geld bij de notaris was. Ze spraken af voor de volgende ochtend. De verdachte was, naar hij ter eerdergenoemde terechtzitting heeft verklaard, die ochtend enorm boos op [SLACHTOFFER 8] en gooide de deur van de hal zo hard dicht dat het glas brak en op zijn hand viel, waardoor een wond is ontstaan, voor welke verwonding hij naar het ziekenhuis is gegaan. Dit wordt bevestigd door medewerkers van de [BEDRIJF J]70 die verklaren glasscherven/ een kapotte ruit te hebben gezien en bloedsporen. De verdachte heeft ter zitting bij het hof tevens verklaard dat [SLACHTOFFER 8] hem als vriend had teleurgesteld en dat hij [SLACHTOFFER 8] te kennen heeft gegeven, dat hij wilde dat [SLACHTOFFER 8] het geldbedrag van fl.200.000,- naar hem zou overmaken.

[SLACHTOFFER 8] is over onder meer de aard van en de gebeurtenissen rondom - en volgend op - de overmaking van fl.200.000,- veelvuldig gehoord door de politie (als verdachte en als getuige) en de rechter-commissaris. Hij heeft daarbij voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd.

Als verdachte gehoord terzake heling/afpersing van [SLACHTOFFER 7] heeft [SLACHTOFFER 8] op 1 maart 200571 verklaard dat hij onder dwang in de [BEDRIJF J] in [plaats] een geldbedrag van fl. 200.000,- heeft moeten afgeven aan [VERDACHTE]. Op 7 maart 2005 heeft [SLACHTOFFER 8] hiervan aangifte gedaan.72 Daarna is hij nog enkele malen hierover gehoord. De getuige is op 13 oktober 2006 door de rechter-commissaris gehoord, onder meer inzake de aan de verdachte tenlastegelegde afpersing van [SLACHTOFFER 7]. In die verklaring heeft hij aangegeven dat [VERDACHTE] het voor het zeggen had en de lakens uitdeelde, dat [VERDACHTE] je de kans niet liet om nee te zeggen en op gebiedende toon sprak.

In die verklaring73 heeft [SLACHTOFFER 8] ten aanzien van het hem onder 8 tenlastegelegde wederom aangegeven, dat hij de ochtend dat hij naar de [BEDRIJF J] moest komen, niet naar binnen durfde, dat hij - eenmaal binnen - het geluid van brekend glas hoorde, dat [VERDACHTE] met bloed bij zijn pols binnen kwam en dat hij de situatie op dat moment angstig vond. Dat hij al voor het incident van plan was om [VERDACHTE]geld te geven, maar dat geld op dat moment gereserveerd had voor zijn eigen project X.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat [SLACHTOFFER 8], eerst als verdachte en vervolgens als getuige, ook onder ede bij de rechter-commissaris op 13 oktober 2006, in voormelde grote lijnen op de verdachte belastende onderdelen van zijn verklaringen consistent heeft verklaard.

Het hof acht het voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van deze getuige - vanwege het door de raadsman aangevoerde - tevens van belang of de verklaringen, waarin hij de verdachte belast, overeenstemmen met hetgeen andere getuigen verklaren of met de inhoud van hetgeen zich overigens in het dossier bevindt.

Het hof overweegt op dit punt dat de door het hof als bewijsmiddel gebezigde onderdelen van de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] ondersteund worden door de navolgende getuigenverklaringen en overige dossierstukken.

[PERSOON 30] heeft in zijn eerste verklaring hierover, als getuige afgelegd bij de politie op 3 mei 200574 aangegeven dat hij rond april 2002 getuige was van een geschil tussen [SLACHTOFFER 8] (het hof begrijpt: [SLACHTOFFER 8]) en [VERDACHTE](het hof begrijpt: de verdachte [VERDACHTE]) inzake een project in Spanje. Voor de aankoop van dat project moest een restant waarborgsom worden voldaan. [SLACHTOFFER 8] wilde via de notaris [PERSOON 20] een bedrag van fl. 200.000 gaan betalen. [VERDACHTE]claimde dat het zijn geld was. Het geschil strekte zich uit over twee dagen. [PERSOON 29] en [PERSOON 30] probeerden de ruzie te sussen maar dat lukte niet. Door [VERDACHTE]werd een gesprek bedongen voor de daarop volgende dag. Hij zag die volgende ochtend [SLACHTOFFER 8] helemaal overstuur in zijn auto zitten, zwaar gestrest en hevig geëmotioneerd, waaruit de getuige opmaakte dat [SLACHTOFFER 8] bang was voor VERDACHTE. [SLACHTOFFER 8] zei dat hij een pistool had verstopt. Hij reed weg; [SLACHTOFFER 8] kwam later terug waarna een gesprek plaats vond waarbij [PERSOON 29], [PERSOON 30], [SLACHTOFFER 8] en [VERDACHTE]aanwezig waren. [PERSOON 30] beschrijft dat gesprek als grimmig en heel dreigend. Hij hoorde [VERDACHTE][SLACHTOFFER 8] bedreigen. Hij zei op dreigende toon tegen hen "en nu luisteren jullie allemaal: het project Spanje is nu van mij". [VERDACHTE] gaf de getuige vervolgens de opdracht om de notaris [PERSOON 20] te bellen en te zeggen dat de voorgenomen transactie van fl 200.000,- (het hof begrijpt: inzake het restant waarborgsom project X) niet door ging. Dat hij, [PERSOON 30], een schriftelijk verzoek moest typen voor overmaking van fl. 200.000,- van [PERSOON 20] naar [BEDRIJF I]. De getuige verklaart dat hij niet tegen [VERDACHTE] durfde in te gaan. Dat hij om 15.00 uur weg ging omdat de sfeer te dreigend was.

De politie heeft gerelateerd75 dat de getuige [PERSOON 30] tijdens het afleggen van zijn verklaring waar hij bespreekt dat hij van [VERDACHTE]dingen heeft gehoord en gezien, emotioneel wordt en tranen in zijn ogen krijgt. Het hof acht dit van belang voor de waardering van de betrouwbaarheid van de verklaring van deze getuige in relatie tot de sfeer en dreigende situatie van het door hem beschreven gesprek.

Ook in de verklaring van [PERSOON 30] afgelegd bij de rechter-commissaris76 geeft hij aan dat [VERDACHTE] hem die middag vertelde wat hij moest doen, dat [SLACHTOFFER 8] -die in zijn ogen de baas was- het daar niet mee eens was en dat hij, [PERSOON 30], zich daar niet prettig bij voelde.

De verklaringen van [SLACHTOFFER 8] en [PERSOON 30] worden op onderdelen ondersteund door schriftelijke stukken en wel:

* overboeking van [PERSOON 20] naar [BEDRIJF I] (op 19 april 2002 bij de stichting Derdenrekening [BEDRIJF I] bijgeboekt een bedrag van € 90.756,04, afkomstig van Mr. [PERSOON 20] met als omschrijving "advies X", welk bedrag volgens verbalisanten gelijk te stellen is aan fl 200.000,-).

* een getypt faxbericht van notaris [PERSOON 20] aan [BEDRIJF F] B.V., de heer [SLACHTOFFER 8], van 19 april 2002, waarin wordt vermeld dat de gelden naar de door [SLACHTOFFER 8] opgegeven rekening van [BEDRIJF I] advocaten werden overgeboekt77.

* een getypt faxbericht van [BEDRIJF F] BV aan notaris [PERSOON 20] d.d. 19 april 2002, bijgesloten bij de hiervoor genoemde fax van gelijke datum, inhoudende dat in aansluiting op het telefoongesprek van de 18 april 2002 verzocht wordt het thans aanwezige saldo ad € 90.756,04 telefonisch te laten overboeken naar de derdenrekening van Stichting Derdengelden [BEDRIJF I] Advocaten te Amsterdan o.v.v. "X", waarbij als ondertekenaar is vermeld [SLACHTOFFER 8];78

* Betaaloverzicht aangetroffen bij advocatenkantoor [BEDRIJF I] met betrekking tot de inkomsten en uitgaven van [VERDACHTE] waarop vermeld een bedrag van € 90.756,0479

Het hof overweegt, onder verwijzing naar hetgeen reeds eerder is opgemerkt ten aanzien van feit 2 (afpersing[SLACHTOFFER 2]) dat het "op zichzelf willen nakomen" door [SLACHTOFFER 8], indien daar al sprake van zou zijn, niet impliceert dat dit de tenlastegelegde afpersing zou uitsluiten. Bij het beoordelen van de onvrijwilligheid dient niet alleen gekeken te worden naar het geïsoleerde gevolg, maar ook naar de omstandigheden waaronder dat gevolg tot stand is gekomen. Gelet op het hiervoor overwogene is van een vrije wil van [SLACHTOFFER 8], zeker op dat moment en onder die omstandigheden, geen sprake geweest.

Onder verwijzing naar hetgeen is overwogen als reactie op het bewijsverweer ten aanzien van feit 180 en de vraag of sprake is geweest van "bedreiging met geweld" overweegt het hof dat van een dergelijke bedreiging met geweld als onder 8 tenlastegelegd is, in deze sprake is geweest.

Door de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden, zoals de grimmige en dreigende sfeer van het gesprek tussen de verdachte en [SLACHTOFFER 8], het dwingende en krachtige taalgebruik, de enorme boosheid van de verdachte en de verwonding aan zijn hand door gebroken glas, gevoegd bij de angst die [SLACHTOFFER 8] volgens zijn verklaring toen voor de verdachte voelde, is een zodanig dreigende situatie gecreerd dat de vrees van [SLACHTOFFER 8] voor geweld van de zijde van de verdachte gerechtvaardigd was.

Nu de verklaringen van de getuige [SLACHTOFFER 8] als hierboven aangegeven, in de kern waar het de tenlastegelegde gedragingen betreft, consistent, authentiek en overtuigend overkomen, overeenstemmen met verklaringen van de getuige [PERSOON 30] en -op onderdelen- van de verdachte zelf en daarnaast met enkele schriftelijke stukken, acht het hof deze verklaringen betrouwbaar en kunnen deze dan ook worden gebruikt voor het bewijs.

Getuige [SLACHTOFFER 8] (feiten 7 en 8)

Bij beslissing van 25 april 2008 heeft het hof het verzoek tot het horen van deze getuige afgewezen op gronden als vermeld in het proces-verbaal van die zitting.

Bij pleidooi heeft de raadsman hiertoe een hernieuwd verzoek gedaan indien het hof de verklaringen van deze getuige voor de bewijsconstructie zou gebruiken.81

Het hof overweegt hiertoe dat door de raadsman geen nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden naar voren is/zijn gebracht die het hof tot een ander oordeel brengt/brengen. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek wordt derhalve als niet noodzakelijk afgewezen.

Verzoeken met betrekking tot het Y-onderzoek (feiten 7 en 8)

Bij beslissing van 25 juni 2007 heeft het hof het verzoek tot inzage in of voeging bij het onderhavige dossier van stukken uit het Y-dossier, alsmede het verzoek tot het horen van de leider van en de officieren van justitie van het Y-onderzoek, afgewezen op gronden als vermeld in het proces-verbaal van die zitting. Bij pleidooi heeft de raadsman hiertoe een hernieuwd verzoek gedaan indien het hof de verklaringen van [SLACHTOFFER 8] overweegt te bezigen voor het bewijs, naar het hof begrijpt voor feiten 7 en 882.

Het hof overweegt hiertoe dat door de raadsman geen nieuwe informatie of gewijzigde omstandigheden naar voren is/zijn gebracht die het hof tot een ander oordeel brengt/brengen. Voor het overige is het verzoek onvoldoende onderbouwd. Het verzoek wordt derhalve als niet noodzakelijk afgewezen.

Ten aanzien van feit 8 overweegt het hof nog het navolgende. De raadsman heeft bij dupliek aangevoerd dat geen acht mag worden geslagen op de verklaring als aangetroffen in de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot de behandeling aan de wond van de verdachte in het Flevo Ziekenhuis te Almere op 18 april 2002 nu deze gegevens zijn verkregen in strijd met het (afgeleid) verschoningsrecht dat de (secretaresse van de behandelend) geneeskundige heeft.

Het hof overweegt daartoe dat deze gegevens weliswaar niet zijn verkregen door de inzet van enig dwangmiddel of bijzondere opsporingsmethodiek, doch wel op verzoek van de opsporingsambtenaren83. De wetgever heeft door toekenning van het verschoningsrecht als bedoeld in artikel 218 van het Wetboek van Strafvordering, beoogd het belang te beschermen dat ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van hetgeen aan -onder anderen- de arts wordt toevertrouwd tot een arts kan wenden. Ook de secretaresse van de arts heeft in dat opzicht een afgeleid verschoningsrecht, waarvan zij zelfstandig kan bepalen - al dan niet in overleg met de arts- of zij daarvan gebruik maakt. Gelet op de omstandigheden waaronder de gegevens zijn verkregen en nu niet is gebleken dat de secretaresse weloverwogen en in overleg met de behandelend arts heeft besloten af te zien van het gebruik van het verschoningsrecht in dit specifieke geval, zal het hof van deze gegevens geen gebruik maken voor het bewijs.

Het hof wijst er op dat de verdachte ter terechtzitting van het hof zelf heeft aangegeven die dag naar het ziekenhuis te zijn gegaan omdat hij door glas aan zijn hand verwond was.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 15 oktober 2004 tot en met 8 december 2004 te Amsterdam, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk om een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [SLACHTOFFER 1] heeft gedwongen tot de afgifte van euro 4.500,- toebehorende aan die [SLACHTOFFER 1], welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte en/of zijn mededader(s) in vorenomschreven periode:

- naar de woning van die [SLACHTOFFER 1] zijn gegaan en

- tegen die [SLACHTOFFER 1] op dreigende wijze hebben gezegd dat hij nog een week de tijd heeft om het geld te betalen en

- tegen die [SLACHTOFFER 1] op dreigende wijze heeft gezegd dat als hij niet zou betalen zij bij hem terug zouden komen en zijn huis zou(den) leeg halen en

- in reactie op de opmerking van die [SLACHTOFFER 1] dat verdachte en/of zijn mededader zijn, [SLACHTOFFER 1]s, botten maar moest(en) breken, heeft gezegd: "We zien wel, je krijgt eerst een week de tijd" en heel dicht bij die [SLACHTOFFER 1] is gaan staan en

- heeft gezegd dat zij over een week, dezelfde dag en dezelfde tijd terug zouden komen,

2.

hij in de periode van 1 juli 2002 tot en met 8 augustus 2002 te Amsterdam tezamen en in vereniging met anderen met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld[SLACHTOFFER 2] heeft gedwongen tot de afgifte van (een deel van) de eigendom van horeca onderneming '[BEDRIJF B]' en/of aandelen in horeca onderneming '[BEDRIJF B]' toebehorende aan[SLACHTOFFER 2] voornoemd, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte tezamen en in vereniging met anderen:

-op het kantoor van [SLACHTOFFER 7], dan wel [BEDRIJF C] tegen die[SLACHTOFFER 2] (aldaar) met stemverheffing en op dreigende wijze heeft gezegd: "Je moet vandaag gaan tekenen" en "Je hebt niets meer met [SLACHTOFFER 7] te maken, je hebt nu met mij te maken" en "Wij gaan nu tekenen. Wat er ook gebeurt, je gaat nu tekenen." en SLACHTOFFER 7] heeft geld in jouw zaak gestopt en nu wil jij niet tekenen." en "We gaan jouw paspoort halen, want ik weet waar je woont en wie jouw vriendin is, en dan gaan we naar de notaris" en

-(vervolgens) met[SLACHTOFFER 2] in de auto van verdachte naar het huis van die vriendin is gereden en

- het paspoort van[SLACHTOFFER 2] heeft opgehaald en

-die[SLACHTOFFER 2] in de auto van verdachte heeft meegenomen naar een notaris en

-die[SLACHTOFFER 2] onder bovenomschreven dreigende situatie een overeenkomst tot overdracht van aandelen en/of de (gedeeltelijke) eigendom heeft laten tekenen.

4.

hij in de periode van 1 juni 2003 tot en met 8 december 2004 te Amsterdam tezamen en in vereniging met een ander, telkens facturen op naam van BEDRIJF A te weten:

- een factuur (in diverse versies) d.d. 4 juni 2003, factuurnummer B03.384 gericht aan BEDRIJF K ten bedrage van euro 29.750,- en

- een factuur d.d. 11 augustus 2003, factuurnummer B.03 544 gericht aan BEDRIJF K ten bedrage van euro 20.944,- en

- een factuur (in diverse versies) d.d. 29 maart 2004, factuurnummer B 04.186 gericht aan BEDRIJF L ten bedrage van euro 45.000,-,

- zijnde telkens een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers heeft/hebben verdachte en zijn mededader telkens in strijd met de waarheid op voornoemde facturen te betalen bedragen vanwege verrichte diensten vermeld, terwijl er in werkelijkheid geen diensten verricht waren, aan degene aan wie de factuur was gericht, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken;

5.

hij in de periode van 1 maart 2003 tot en met 8 december 2004 te Baarn, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, leenovereenkomsten, elk zijnde een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen - valselijk heeft opgemaakt, immers hebben verdachte en zijn mededaders in strijd met de waarheid op voornoemde leenovereenkomsten een handtekening gezet terwijl er in werkelijkheid geen leningen verstrekt waren, zulks met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

7.

hij in de periode van 18 april 2000 tot en met 17 mei 2000 te Amsterdam, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een ander of anderen, met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en bedreiging met geweld [SLACHTOFFER 7] heeft gedwongen tot de afgifte van (ongeveer) 4 miljoen gulden, geheel of ten dele toebehorende aan [BEDRIJF C], welk geweld en welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte en/of een of meer anderen:

- [SLACHTOFFER 7] voornoemd in de achterbak van een auto heeft/hebben gegooid en/of geduwd en

- [SLACHTOFFER 7] voornoemd heeft/hebben bedreigd met een (vuur)wapen en

- een dermate dreigende situatie heeft/hebben gecreëerd, dat de vrees van voornoemde [SLACHTOFFER 7] voor geweld van de zijde van verdachte en/of zijn mededader(s) gerechtvaardigd was;

8.

hij op 18 en 19 april 2002 te Bussum, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [SLACHTOFFER 8] heeft gedwongen tot de afgifte van NLG 200.000, toebehorende aan [SLACHTOFFER 8] welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij verdachte,

- die [SLACHTOFFER 8] (samen met [PERSOON 29] en [PERSOON 30]) naar ADRES te Bussum heeft laten komen en

- vervolgens aldaar op dreigende wijze heeft gezegd: "En nu luisteren jullie allemaal. Het project in Spanje is nu van mij." en

- die [PERSOON 30] op dreigende wijze opdracht heeft gegeven om een voorgenomen transactie van NLG 200.000 bij notaris [PERSOON 20] te annuleren en een overboekingsopdracht op te stellen om de betreffende NLG 200.000 over te maken naar de derdenrekening van advocatenkantoor [BEDRIJF I] en

- (vervolgens) [PERSOON 29] heeft weggestuurd en

- die [SLACHTOFFER 8] de woorden heeft toegevoegd: "nu maak je godverdomme het geld over naar mijn rekening", en

- die [SLACHTOFFER 8] dreigend heeft gesommeerd voornoemde overboekingsopdracht te ondertekenen en notaris [PERSOON 20] te bellen en te bevestigen dat het geld moest worden overgemaakt naar de derdenrekening van advocatenkantoor [BEDRIJF I].

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Bewijsoverweging

Bij de bewezenverklaring van de feiten 1, 2, 7 en 8 (de afpersingen van respectievelijk [SLACHTOFFER 1],[SLACHTOFFER 2], [SLACHTOFFER 7] en [SLACHTOFFER 8]) heeft het hof mede in zijn oordeel betrokken dat de verdachte blijkens de bewijsmiddelen bij die afpersingen voor een belangrijk deel steeds op dezelfde wijze is opgetreden om zijn of andermans doel te bereiken. Zijn handelwijze komt erop neer dat hij - na door derden/schuldeisers te zijn ingeschakeld om een einde te maken aan een conflict in de financiële sfeer, dan wel voor eigen geldelijke belangen - op intimiderende toon tegen de (latere) slachtoffers - dan wel tegen een ander die nauw bij de kwestie betrokken was - heeft gezegd dat dezen voortaan niets meer te vertellen zouden hebben over hun eigen zaak en/of geld. Daarbij presenteerde hij zich door krachtig taalgebruik en dwingende voorkomen als degene die voortaan het initiatief zou nemen en de verdere gang van zaken zou bepalen.

Zo heeft [SLACHTOFFER 1] , zakelijk weergegeven, verklaard84 dat hij op een avond onverwacht bezoek kreeg van zijn vroegere zakenpartner [PERSOON 4], die pretendeerde een vordering van fl 10.000,- op hem te hebben en die was vergezeld van een brede man die zich voorstelde als [VERDACHTE]. [SLACHTOFFER 1] verklaart daarover verder dat [VERDACHTE] heel dicht bij kwam staan en tegen hem zei dat hij wel moest betalen en dat hij daarvoor een week de tijd zou krijgen. Dit optreden van de verdachte kwam volgens [SLACHTOFFER 1] dreigend op hem over; "Ik had hierdoor het idee dat hij mij wel in elkaar zou slaan".

Voorts heeft hij tegen[SLACHTOFFER 2] volgens diens verklaring in het kader van de afpersing gezegd: "Je hebt nu met mij te maken".85

In verband met de afpersing van [SLACHTOFFER 7] heeft [SLACHTOFFER 8] bij de rechter-commissaris verklaard86 dat hij kort na de door [SLACHTOFFER 7] geuite belediging jegens de verdachte in Vak Zuid werd gebeld door de verdachte die hem gebood naar zijn, verdachte's, huis te komen. Daar aangekomen zei de verdachte tegen [SLACHTOFFER 8]: "Vanaf nu ben jij mijn vriend niet meer. Nu ga je doen wat ik zeg".

Het hof wijst in dit verband ten slotte nog op een verklaring die de getuige [PERSOON 30] bij de politie heeft afgelegd in het kader van de bewezenverklaarde afpersing van [SLACHTOFFER 8] ([BEDRIJF J]). Die verklaring 87 houdt in dat de verdachte op dreigende toon tegen hem, tegen zijn broer en tegen [SLACHTOFFER 8] heeft gezegd: "En nu luisteren jullie allemaal. Het project Spanje is nu van mij". Verder verklaart hij dat [VERDACHTE](het hof begrijpt: de verdachte) duidelijk de baas was en besliste.

De omstandigheid dat de hiervoor genoemde vier getuigen, [SLACHTOFFER 1],[SLACHTOFFER 2], [SLACHTOFFER 8] en [PERSOON 30], onafhankelijk van elkaar hebben verklaard over deze manier van optreden en spreken van de verdachte, wiens woorden naar hun strekking een grote gelijkenis vertonen, terwijl zij betrekking hebben op vier - in tijd en plaats - los van elkaar staande gebeurtenissen, draagt bij aan de overtuiging van het hof dat de verdachte zich aan de onder 1, 2, 7 en 8 tenlastegelegde afpersingen schuldig heeft gemaakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

T.a.v. het onder 1, 2 en 7 tenlastegelegde:

Afpersing, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd

T.a.v. het onder 4 en 5 tenlastegelegde:

Medeplegen van valsheid in geschrift, meermalen gepleegd

T.a.v. het onder 8 tenlastegelegde:

Afpersing.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3 aanhef en onder d, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaar, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere afpersingen op in de bewezenverklaring genoemde wijze, die naar het oordeel van het hof in alle gevallen een grote impact op de persoonlijke levenssfeer van de respectieve slachtoffers hebben gehad en mogelijk nog kunnen hebben, mede door de wijze waarop de verdachte zich heeft gemanifesteerd.

Uit het oogpunt van generale preventie is het noodzakelijk om aan dergelijke praktijken, die zich zoals in dit geval deels in de vastgoedwereld hebben voorgedaan, een halt toe te roepen; door dit soort praktijken wordt het zakendoen door bonafide personen ernstig bemoeilijkt, waardoor tevens gevaar bestaat voor concurrentievervalsing. De omstandigheid dat er bij het onder 1, 2 en 8 bewezenverklaarde door de respectieve slachtoffers is aangegeven dat er weliswaar ten dele sprake was van het nakomen van een eerder gemaakte afspraak/overeenkomst, dan wel een mogelijke verschuldigdheid van een geldbedrag, doet daaraan niet af; dergelijke geschillen in het handelsverkeer dienen op een andere wijze te worden beslecht bijvoorbeeld door onderling overleg of door tussenkomst van een rechter of arbiter.

Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift door het valselijk opmaken van facturen en leenovereenkomsten. Door aldus te handelen heeft de verdachte misbruik gemaakt van het vertrouwen dat in het maatschappelijk verkeer moet kunnen worden gesteld in schriftelijke stukken met bewijsbestemming als de onderhavige.

Het hof rekent het de verdachte zwaar aan dat hij zich bij het plegen van de feiten 1, 2, 7 en 8 uitsluitend heeft laten leiden door zijn verlangen naar eigen of andermans geldelijk gewin, zonder zich ook maar enigszins te bekommeren over de mede door hem middels (bedreiging met) geweld gecreëerde angst bij de slachtoffers, de personen in de directe omgeving van de slachtoffers en de maatschappij in het algemeen. Bij de bepaling van de strafmaat heeft het hof de verdachte met name ernstig aangerekend hetgeen onder 7 is bewezenverklaard, waarbij verdachte en zijn mededader(s) niet hebben geschuwd ernstige vormen van geweld en bedreiging met geweld aan te wenden.

De bewezenverklaarde feiten rechtvaardigen een gevangenisstraf van lange duur. Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Wel heeft het hof in het voordeel van de verdachte acht geslagen op de omstandigheid dat hij blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister, d.d. 7 februari 2008, niet eerder voor soortgelijke feiten met politie of justitie in aanraking is gekomen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57 (oud),

225 (oud), 312 (oud) en 317 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 aanhef en onder d en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 4, 5, 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

6 (ZES) jaren en 6 (ZES) maanden.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht,

mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen en mr. W.F. Groos, in bijzijn van de griffiers mr. B.Y. de Boer en

mr. J.P. Lahr.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 mei 2008.

1 Verdachte, ter terechtzitting hof d.d. 17 september 2007, proces-verbaal september zittingen.

2 [PERSOON 2], ter terechtzitting hof d.d. 24 september 2007, proces-verbaal september zittingen.

3 [PERSOON 2] bij de politie d.d. 9 december 2004, ordner 34, (V14.1) pag. 933.

4 [SLACHTOFFER 7], ter terechtzitting hof d.d. 24 september 2007, proces-verbaal september zittingen, en bij de rechter-commissaris d.d. 29 juni 2005.

5 Verdachte, ter terechtzitting hof d.d. 17 september 2007, proces-verbaal september zittingen.

6 Proces-verbaal 16 juni 2006, weergave telefoongesprek d.d. 13 juni 2004, ordner: "Tap 3 0642295555 map 4".

7 Schriftelijke repliek, pagina 3.

8 Proces-verbaal van aangifte d.d. 3 mei 2004, ordner 20, A.07, pagina 94 tot en met 96.

9 Verdachte, ter terechtzitting hof d.d. 14 september 2007, proces-verbaal september zittingen.

10 Proces-verbaal Regiopolitie Amsterdam Amstelland map 27 G 09 pg 132-135 verhoor [SLACHTOFFER 1] d.d. 21-12-2004.

11 Proces-verbaal Regiopolitie Amsterdam Amstelland map 27 G 09 pg 132-135 verhoor [SLACHTOFFER 1] d.d. 8 (het hof gaat uit van een ander tijdstip van verhoor te weten 15-12-2004.

12 Proces-verbaal Regiopolitie Amsterdam- Amstelland map 32 V02.1 verklaring [PERSOON 4] d.d. 14 december 2004 pg 33- 36 en V02-2 verklaring [PERSOON 4] d.d. 16 december 2004 37-41).

13 [SLACHTOFFER 1] bij de rc op 13 december 2005

14 Proces-verbaal van opgenomen telefoongesprekken m.b.t. [SLACHTOFFER 1] d.d. 9 december 2004 TAP 3 06422955555 map 6 volgnummer 11841

15 30 november 2004 12.58 uur

16 map 15, pg 156.13

17 map 15. pg 156.12

18 dossier pg 156.1 en 2

19 Pg 72-175 van de pleitnota.

20 [PERSOON 6], ttz hof 26 november 2007, zie proces-verbaal november zittingen

21 [PERSOON 2], onder meer ttz hof 24 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen

22 Proces-verbaal van C. de Jong en M. Metselaar relaterend een gesprek met de heren [PERSOON 7] en [PERSOON 1] op 30-1-2003

23 [PERSOON 8] bij de rc op 15 mei 2006

24 [PERSOON 9], bij de rc op 6 maart 2006

25 [PERSOON 2], ttz hof, zie proces verbaal september zittingen.

26 Brief notaris [PERSOON 10] aan [PERSOON 12], d.d. 20 augustus 2002, zie (dossier) map 12

27 [PERSOON 11] bij de politie, d.d. 6 juni 2005, G 83

28 [PERSOON 11] bij de rc op 12 december 2005

29 [PERSOON 12] bij de rc op 18 mei 2006

30 [SLACHTOFFER 2] ttz hof, zie proces-verbaal november zittingen

31 Proces-verbaal van C. de Jong en M. Metselaar relaterend een gesprek met de heren [PERSOON 7] en [PERSOON 1] op 30 januari 2003, zie (dossier) map 11

32 [PERSOON 13] bij de rc op 13 december 2005

33 [PERSOON 14] bij de rc op 15 juni 2006

34 [PERSOON 2] bij de politie op 8 december 2004 (V14 pg. 923- 929)

35 [PERSOON 15] bij de rc op 25 oktober 2005

36 [PERSOON 6], ttz hof 26 november 2007, zie proces-verbaal november zittingen

37 Verdachte ttz hof, 14 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen

38 Pleitnota pg. 171

39 [SLACHTOFFER 2], ter terechtzitting hof op 24 september 2007, proces-verbaal september zittingen.

40 Proces-verbaal van C. de Jong en M. Metselaar d.d. 30 januari 2003, relaterend een door hen gevoerd gesprek met [PERSOON 7] en [PERSOON 1] op 21 januari 2003, zie (dossier) map 11, pagina 2.

41 Respectievelijk 24 september 2007 en 16 november 2007

42 Verdachte ttz hof, 14 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen.

43 Pg. 175-267 pleitnota

44 [SLACHTOFFER 8] bij de rc op 14 juni 2005, p. 5.

45 [SLACHTOFFER 8] bij de politie als getuige op 26 april 2006, p. 2.

46 [SLACHTOFFER 8] bij de rc op 15 juni 2005, p. 12.

47 [SLACHTOFFER 8] bij de rc op 13 oktober 2006, p. 5.

48 [SLACHTOFFER 8] bij de politie als verdachte op 26 april 2006, map 32.

49 [SLACHTOFFER 8] bij de rc, 14 juni 2005, p. 8.

50 [SLACHTOFFER 8] bij de politie, als verdachte op 26 april 2006, map 32

51 [SLACHTOFFER 8] bij de rc, 14 juni 2005, p.8.

52 [PERSOON 21] bij de rc op 6 oktober 2005, p. 4

53 [PERSOON 21] bij de politie, 27 maart 2006, p. 3

54 [PERSOON 21] bij de politie, 26 september 2005, p. 1 en 2.

55[SLACHTOFFER 2] bij de rc, 9 maart 2006, pagina's 5 en 10.

56 [PERSOON 23], ttz hof, 21 december 2007, zie proces-verbaal 21 december 2007 en 18 januari 2008.

57 Transcript van Bureau Misdaad, pagina 4.

58 Transcript van Bureau Misdaad, pagina 6.

59 Transcript van Bureau Misdaad, pagina 6.

60 [SLACHTOFFER 7], ttz hof, 24 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen.

61 Transcript van Bureau Misdaad, pagina 7

62 op de terechtzitting van 16 november 2007 aan het dossier toegevoegd

63 [PERSOON 24] bij de rc op 29 augustus 2005. Zie in dit verband ook het pv Hienkens d.d. 10 oktober 2007, zoals op de terechtzitting van 16 november 2007 (pagina 5 proces-verbaal) aan het dossier toegevoegd, pagina 2.

64 [PERSOON 25] bij de politie op 28 september 2005 map 29.

65 Verdachte ttz hof, 17 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen.

66 [SLACHTOFFER 8] bij de rechter-commissaris op 15 juni 2006, p. 12.

67 [PERSOON 21] bij de politie op 26 september 2005, map 27

68 Zie pleitnota pag. 267-279

69 Verdachte ttz hof van 14 september 2007, zie proces-verbaal september zittingen

70 [PERSOON 31] van 24 maart 2005 (G 22) en [PERSOON 32] d.d. 25 maart 2005 (G 89)

71 Verklaring van 1 maart 2005 V 11 pg 361 en 366

72 Verklaring van 7 maart 2005 V 11.2 pg 89-91

73 Verklaring [SLACHTOFFER 8] bij de rc op 13 oktober 2006 pg 8 en 9 bovenste alinea

74 Verklaring [PERSOON 30] bij de politie, G.68 pg 1399 ev

75 Zie noot 64, pag. 1402 van die verklaring

76 Verklaring [PERSOON 30] bij de rc op 30 januari 2006, pag 3 van die verklaring

77 Map 15 pg 268

78 Map 15 pg 269

79 Proces-verbaal van 13 juli 2005 met rekeningafschrift, map 15 pg 270-272 (pand.6.)

80 Zie vanaf pag.7 arrest

81 Pleitnota pg. 200

82 Pleitnota p. 24.

83 Proces-verbaal van bevindingen Flevo Ziekenhuis d.d. 17 mei 2005 pand.3 Map 15, pg 261 en proces- verbaal van bevindingen omtrent gegevens hechtingen van verdachte I.[VERDACHTE] in Flevo Ziekenhuis d.d. 17 mei 2005 Map 15 pg 262-263.

84 [SLACHTOFFER 1] bij de politie, map 27, blz. 00132 e.v.

85[SLACHTOFFER 2] bij de rc d.d. 9 maart 2006; blz. 4,5,7.

86 [SLACHTOFFER 8] bij de rc d.d. 14/15 juni 2006

87 Map 30, G.68, p. 01399-1409.