Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1324

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-05-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
C 07/1289 (oud), 105.007.154/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

concurrentiebeding art. 7:653 lid 2 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 653
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2008-0302
JAR 2008, 143
JAR 2008/143
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Zaaknummer : 105.007.154/01

Rolnummer (oud) : C07/01289

Nummer rechtbank : 823301 VV EXPL 07-25

arrest van de derde civiele kamer d.d. 8 mei 2008

inzake

H.W. TECHNICS B.V.,

gevestigd te Brielle,

appellante,

hierna te noemen: HW,

procureur: mr. E.A.C. van Kempen,

tegen

1. [DE WERKNEMER],

wonende te [Plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de werknemer],

procureur: mr. L.S.J. de Korte,

2. DELTA HEAT SERVICES B.V.,

gevestigd te Nieuwegein,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Delta,

procureur: mr. P.J.M. von Scmidt auf Altenstadt.

1. Het geding

Bij exploten van 22 oktober 2007 is HW in hoger beroep gekomen van het door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Brielle, tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 2 oktober 2007. In de appeldagvaarding - met producties - heeft HW zeven grieven aangevoerd, die door [de werknemer] en HW bij afzonderlijke memories van antwoord, die van [de werknemer] met producties, zijn bestreden. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten. Vervolgens hebben zij de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1-2.3 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2.2 Het gaat in deze zaak om de vraag het volgende:

- [de werknemer] is op 1 juli 2006 voor de bepaalde tijd van één jaar bij HW in dienst getreden in de functie van (leerling-)gloeitechnicus.

- In de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is een concurrentiebeding opgenomen, dat - kort gezegd - [de werknemer] gedurende de periode van een jaar na beëindiging van het dienstverband verbood om bij een onderneming als die van HW werkzaam te zijn, zulks op straffe van een boete.

- [de werknemer] is, nadat de arbeidsovereenkomst met HW door tijdsverloop was beëindigd, in dienst getreden van Delta, in de functie van gloeier. Delta en HW zijn elkaars voornaamste concurrenten.

2.3 HW stelt zich op het standpunt dat [de werknemer] het concurrentiebeding schendt en dat Delta van die wanprestatie profiteert. Op die gronden vorderde HW in de eerste instantie in wezen [de werknemer] en Delta op straffe van een dwangsom te gebieden dat [de werknemer] zijn werkzaamheden voor Delta staakt, en [de werknemer] en Delta hoofdelijk te veroordelen tot betaling aan HW van € 98.000,- als voorschot op de schadevergoeding/boete.

[de werknemer] en Delta hebben verweer gevoerd. In voorwaardelijke reconventie heeft [de werknemer] onder meer verzocht het concurrentiebeding te schorsen.

2.4 De rechtbank heeft de vordering van HW afgewezen, op de grond dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat het concurrentiebeding in de bodemprocedure geheel of gedeeltelijk wordt vernietigd. Aldus kwam de rechtbank aan de beoordeling van de reconventionele vordering niet toe.

2.5 HW beoogt in hoger beroep dat haar - deels gewijzigde - vordering alsnog wordt toegewezen. [de werknemer] en Delta handhaven hun verweer daartegen.

2.6 De grieven 1 tot en met 5 stellen de vraag aan de orde of in dit kort geding, in aanmerking nemende alle van belang zijnde feiten en omstandigheden, geoordeeld kan worden dat in de bodemprocedure naar verwachting het concurrentiebeding vernietigd zal worden op grond dat, in verhouding tot het te beschermen belang van de werkgever (HW), de werknemer ([de werknemer]) door dat beding onbillijk wordt benadeeld (artikel 7:653, lid 2, BW).

2.7 Voor de beantwoording van deze vraag is het volgende van belang.

a. [de werknemer] - geboren in 1981, die een LTS-opleiding heeft genoten en een divers arbeidsverleden heeft - had bij HW een uitvoerende technische functie. Hij beschikte niet over specifieke kennis of concurrentiegevoelige informatie, welke, als die ter beschikking kwam van Delta, de concurrentiepositie van Delta ten nadele van HW zou versterken.

b. [de werknemer] had gedurende één jaar ervaring bij HW opgedaan en was in de praktijk door HW opgeleid. Bovendien had hij op kosten van HW een summiere introductiecursus gevolgd. In die zin heeft HW in [de werknemer] geïnvesteerd. Dat HW van deze investering door het vertrek van [de werknemer] niet ten volle kan profiteren, komt op zich zelf geen betekenis toe, aangezien het concurrentiebeding [de werknemer] niet verbood om zijn dienstverband bij HW niet te verlengen en vervolgens bij een andere werkgever, niet-zijnde een concurrent van HW, in dienst te treden. Als [de werknemer] in een andere branche was gaan werken zou de bedoelde investering in hem ook niet de bedoelde verdere vruchten voor HW hebben afgeworpen.

Hetzelfde geldt voor de kosten die HW naar zij stelt moet maken om een [de werknemer] vervangend personeelslid te werven.

c. Door het in dienst treden bij Delta profiteerde Delta in zekere mate van de hiervoor besproken investering van HW in [de werknemer]. Delta kreeg immers een werknemer die in de periode dat deze bij HW in dienst was geweest vaardigheden had verworven waarvan Delta profijt had.

d. Los van de investering van HW in [de werknemer] werd Delta door de overstap van [de werknemer] in die zin bevoordeeld dat zij in een krappe arbeidsmarkt een persoon aan haar personeelsbestand kon toevoegen waardoor haar concurrentiepositie ten opzicht van HW werd versterkt.

e. De vraag of de onder c en d vermelde aspecten in het voordeel van HW betekenis toekomen laat het hof onbeantwoord, nu ook als de desbetreffende belangen worden meegewogen het belang van [de werknemer] in die mate prevaleert dat er sprak is van onbillijke benadeling van [de werknemer] door het concurrentiebeding.

f. Het sub c vermelde aspect vertegenwoordigt immers bovendien naar voorlopig oordeel geen groot belang, omdat vast staat dat [de werknemer] niet alleen in opleiding bij HW was, maar tenminste mede voor HW nuttige en aan haar klanten door te berekenen werkzaamheden heeft uitgevoerd. Dat dit nut zodanig gering was dat de opleidingskosten als onevenredig hoog moeten worden gekwalificeerd volgt in onvoldoende concrete mate uit de stellingen van HW.

g. Omtrent het sub d vermelde aspect overweegt het hof dat het ondernemingen in beginsel vrij staat om personeel aan te trekken dat bij concurrenten werkzaam is. Het bieden van goede arbeidsvoorwaarden en ook een goede werksfeer zijn niet alleen toelaatbare maar ook deugdelijke middelen om dergelijk personeel te werven. HW komt dan ook geen beroep toe op de omstandigheid dat eerder personeelsleden van haar, die niet aan enig concurrentiebeding gebonden waren naar Delta zijn overgestapt. Hetzelfde geldt voor de door HW gestelde betrokkenheid van haar oud personeelslid [oud-werknemer 1]. bij de leiding van Delta. De stelling dat Delta doende is om stelselmatig personeel van HW dat aan een concurrentiebeding gebonden is in dienst te nemen, is door Delta gemotiveerd betwist. Zo stelt zij ook dat zij bij het aannemen van [de werknemer] mocht menen dat er voor [de werknemer] geen concurrentiebeding (meer) gold. Het door HW genoemde andere geval ([oud-werknemer 2]; [oud-werknemer 3] was niet aan een concurrentiebeding gebonden) is te weinig en vertoont onvoldoende overeenkomsten met deze zaak om van een relevant (als onrechtmatig te kwalificeren) beleid als hiervoor bedoeld te kunnen spreken.

h. [de werknemer] heeft er een zwaarwichtig belang bij om bij een werkgever van zijn keuze in dienst te treden. Eveneens heeft hij er belang bij om min of meer het zelfde werk te blijven doen als het werk waarin hij bij HW ervaring heeft opgedaan. Los van niet onbelangrijke doch moeilijk meetbare immateriële aspecten speelt daarbij in dit geval een rol dat [de werknemer] bij Delta een hoger loon krijgt dan het loon dat hij feitelijk van HW ontving. Dat HW als werkgever bij de bepaling van het loon dat [de werknemer] toekwam ten nadele van hem een steek heeft laten vallen vormt ook een objectieve reden voor [de werknemer] om aan Delta als werkgever de voorkeur te geven. Dat HW nadat het onderhavige geschil was gerezen aan [de werknemer] heeft aangeboden om het salaris voor de toekomst te corrigeren doet daaraan niet af. Dat geldt ook voor de gestelde omstandigheid dat [de werknemer] tijdens zijn dienstverband niet omtrent zij inschaling heeft geklaagd.

i. De periode gedurende welke HW zich jegens [de werknemer] als werknemer verbond, aanvankelijk één jaar, waarbij aan het eind van die periode de mogelijkheid van nog één jaar is geboden, is gering in verhouding tot de duur (12 maanden) van de belemmeringen die [de werknemer] bij onverkorte handhaving van het concurrentiebeding ondervindt.

2.8 Op deze gronden oordeelt het hof dat de grieven 1-5 falen en in dit kort geding moet worden aangenomen dat [de werknemer] in de in artikel 7:653, lid, 2 BW bedoelde zin onbillijk door het concurrentiebeding wordt benadeeld. Zulks staat aan toewijzing van al de onderdelen van de vordering - die alle zijn gebaseerd op de stelling dat [de werknemer] een geldig en onaantastbaar concurrentiebeding schendt - in de weg. Aldus falen ook de overige grieven.

2.9 Het hof passeert het bewijsaanbod van HW reeds op de grond dat een procedure in kort geding zich niet voor een dergelijk feitenonderzoek leent.

2.10 Het vonnis zal worden bekrachtigd, met veroordeling van HW als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het geding in hoger beroep.

3. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

wijst af het door HW in hoger beroep meer of anders dan in eerste aanleg gevorderde;

veroordeelt HW in de kosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [de werknemer] en Delta worden bepaald op elk € 251,- aan verschotten en elk € 4.893,- (tarief IV, 3 punten) aan salaris voor de procureur;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, M.A.F. Tan-de Sonnaville en A.G. Beets, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2008 in aanwezigheid van de griffier.