Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1313

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
612-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatiekwestie en convenant; grove miskenning wettelijke maatstaven; wijziging omstandigheden; termijn voor het verstrekken van nadere inlichtingen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 16 april 2008

Rekestnummer : 612-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-2882

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. J.I.M. van Ede-Pas,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. I.H. van Hall.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 4 mei 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 13 februari 2007.

De man heeft geen verweerschrift ingediend. Hij heeft het hof op voorhand een pleitnota doen toekomen, die is ingekomen bij het hof op 18 januari 2008.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 11 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 25 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn procureur. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage. Bij die beschikking heeft de rechtbank de verzoeken van de man en de vrouw afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING HOGER BEROEP

1. In geschil is de alimentatie voor de vrouw.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen waar het betreft de afwijzing van haar verzoeken en, in zoverre opnieuw beschikkende, het convenant, deel uitmakend van de echtscheidingsbeschikking van 14 augustus 2002, voor wat betreft de overeengekomen partneralimentatie te wijzigen in dier voege dat met ingang van de inschrijving van de echtscheiding, zijnde 22 augustus 2002, de vrouw van de man zal ontvangen met terugwerkende kracht een bedrag van € 2.000,- per maand en vanaf het moment dat hij directeur is geworden van [de onderneming] dan wel andere bedrijven een bedrag van € 3.000,- per maand dan wel een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof meent te behoren.

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven

3. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld (het hof begrijpt: geoordeeld) dat er geen grond is voor het oordeel dat de overeenkomst betreffende het levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Ten onrechte is het verzoek van de vrouw gestoeld op deze grondslag afgewezen. Volgens de vrouw is de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant en de indiening daarvan bij de rechtbank volledig buiten haar om geschied.

4. De vrouw betwist dat zij, zoals de rechtbank heeft overwogen, zou hebben erkend dat partijen de lastenlijst (bijlage I van het convenant) zouden hebben besproken en dat zij de lasten met elkaar zouden zijn overeengekomen. De vrouw is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte met gebruikmaking van de gegevens uit bijlage I van het convenant de draagkracht van de man heeft beoordeeld.

5. De man stelt dat partijen gezamenlijk tot de vaststelling van de partneralimentatie voor de vrouw zijn gekomen. Zij zijn volgens hem ook gezamenlijk tot de inventarisatie van de inkomsten en lasten van ieder van hen gekomen, zoals vermeld in bijlage I van het echtscheidingsconvenant. Volgens de man zijn partijen doelbewust afgeweken van de wettelijke maatstaven. Dat man stelt dat van een wijziging van het echtscheidingsconvenant op basis van artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek geen sprake kan zijn.

6. Het hof van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat partijen de overeenkomst, meer in het bijzonder ten aanzien van de bijdrage in haar levensonderhoud, zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, als bedoeld in artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek. Daartoe overweegt het hof als volgt.

7. Het echtscheidingsconvenant van partijen bevat als bijlage I: de opsomming van de tot de huwelijksgemeenschap van partijen behorende activa en passiva. De rechtbank heeft in eerste aanleg, ter beantwoording van de vraag of partijen de overeenkomst zijn aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, de draagkracht van de man berekend met gebruikmaking van de gegevens uit die bijlage. Het hof is van oordeel dat de rechtbank dit terecht en op goede gronden heeft gedaan. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat zij de lasten, zoals die zijn opgesomd in de voormelde bijlage, niet heeft erkend, onvoldoende onderbouwd. Het hof neemt daarbij in aanmerking het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg. Daaruit leidt het hof niet af dat de vrouw de lasten van de man, anders dan de rechtbank heeft overwogen, niet zou hebben erkend.

8. Het hof neemt voorts in aanmerking dat de lasten van de man, zoals die zijn opgesomd in bijlage I van het echtscheidingsconvenant, het hof niet onaannemelijk voor komen. Naar het oordeel van het hof mocht de rechtbank deze lasten dan ook in redelijkheid betrekken bij het berekenen van de draagkracht van de man. Bovendien ziet de schuldenlast van de man op huwelijkse schulden en heeft de man het bestaan van deze schulden met bewijsstukken onderbouwd.

9. De vrouw heeft nog gesteld dat tegenover de schulden aan de zijde van de man aanzienlijke zwartgeldinkomsten staan. Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, niet aannemelijk heeft gemaakt.

10. De stelling van de vrouw dat de premies levensverzekering en inboedelverzekering niet meegenomen dienen te worden, heeft de vrouw niet onderbouwd, zodat het hof daaraan voorbij gaat.

11. Aan de stelling van de vrouw dat de man al snel is gaan samenwonen met een verdienende partner en dat hij de woonlasten zou kunnen delen, gaat het hof eveneens voorbij, nu die stelling ziet op een wijziging van omstandigheden.

12. Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank terecht het verzoek van de vrouw, voor zover dat berust op de grondslag dat de overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, heeft afgewezen. De bestreden beschikking dient in zoverre te worden bekrachtigd.

13. Hetgeen partijen, ter zake van de door de vrouw gestelde grove miskenning van de wettelijke maatstaven, verder nog naar voren hebben gebracht, behoeft geen nadere bespreking, aangezien dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Wijziging van omstandigheden

14. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft gesteld (het hof begrijpt: geoordeeld) dat ter terechtzitting is gebleken dat partijen bedoeld hebben een niet-wijzigingsbeding in het convenant op te nemen. Volgens de vrouw is de rechtbank ten onrechte voorbij gegaan aan haar stelling dat er geen sprake is van een niet-wijzigingsbeding en dat derhalve de wijziging van omstandigheden ex artikel 1:401 lid 1 in beschouwing dient te worden genomen.

15. De vrouw herhaalt haar stelling dat zij destijds niet betrokken is geweest bij de totstandkoming van het convenant. Zij stelt dat zij niet wist, en nog steeds niet weet, wat de complicaties van het niet-wijzigingsbeding zijn. Ook de man was volgens de vrouw niet op de hoogte van de implicaties van dit beding.

16. De man is van mening dat partijen rechtsgeldig een niet-wijzigingsbeding zijn overeengekomen.

17. Het hof is van oordeel dat het niet-wijzigingsbeding niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en overweegt daartoe als volgt. De man heeft destijds, toen hij het echtscheidingsconvenant opstelde, gebruik gemaakt van een modelconvenant van internet. Hij heeft verklaard dat hij alle bepalingen uit dit modelconvenant heeft laten staan. Het niet-wijzigingsbeding is derhalve ook blijven staan. Het hof heeft niet de indruk dat dit laatste een bewuste keuze van partijen is geweest, gelet op onder meer het feit dat de aanduiding ‘Facultatief/Optioneel’ in het echtscheidingsconvenant is blijven staan en derhalve niet is aangepast aan de ‘keuze’ van partijen. De vrouw stelt dat zij zich niet bewust was van de implicaties van het niet-wijzigingsbeding. Het hof stelt vast dat het de man is geweest die het echtscheidingsconvenant heeft opgesteld. De vrouw stelt dat zij het echtscheidingsconvenant wel heeft gelezen, maar in de veronderstelling verkeerde dat een rechter of een advocaat de juistheid van het convenant zou toetsen. Het hof acht het aannemelijk dat de vrouw niet, althans onvoldoende op de hoogte was van de vergaande strekking van het niet-wijzigingsbeding. Daartoe overweegt het hof, naast het voorgaande, dat de vrouw niet afzonderlijk is bijgestaan door een advocaat. Partijen hadden één gezamenlijke advocaat. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting leidt het hof af dat de rol van deze advocaat bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant zeer beperkt is geweest. Partijen hebben vervolgens het echtscheidingsconvenant ten overstaan van een notaris getekend. Volgens de man heeft de notaris de inhoud van het echtscheidingsconvenant voorgelezen, samengevat en gevraagd of partijen begrepen wat er in stond. Ook heeft de notaris volgens de man het niet-wijzigingsbeding uitgelegd. De vrouw heeft deze gang van zaken bij de notaris bestreden.

18. Nu op de notaris – voorafgaande aan het verlijden van de akte – een inlichtingenplicht rust met betrekking tot de inhoud van de akte, moet het er voor gehouden worden dat de notaris daaraan heeft voldaan. Evenwel, gelet op de beperkte rol die de advocaat van partijen in deze echtscheiding heeft gespeeld in het bijzonder bij de totstandkoming van het echtscheidingsconvenant, de rol van de man als opsteller, althans initiator van het echtscheidingsconvenant en de ondertekening daarvan door beide partijen, is het hof van oordeel dat ondanks deze tussenkomst van de notaris, de vrouw zich desondanks niet, althans onvoldoende heeft gerealiseerd welke de gevolgen – in het bijzonder voor haar – van het opnemen van dit niet-wijzigingsbeding zouden zijn. Daarbij is voorts van belang dat het hof het niet aannemelijk acht dat er tussen partijen voldoende overleg is geweest over het opnemen van een niet-wijzigingsbeding en de consequenties daarvan. De man heeft het hof niet van het tegendeel kunnen overtuigen, met betrekking tot dit door hem gestelde en de vrouw ontkende gezamenlijk overleg

19. Het vorenstaande brengt met zich dat de tussen partijen gesloten overeenkomst betreffende levensonderhoud kan worden gewijzigd, wanneer zij nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt aan de wettelijke maatstaven te voldoen, als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek.

20. Het hof is van oordeel dat er aan de zijde van man sprake is van wijziging van omstandigheden, als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek. Door de vrouw zijn verschillende gronden aangevoerd om tot wijziging van omstandigheden te komen, zoals het directeurschap van de man met een daarmee verbonden inkomensverhoging, het samenwonen van de man met een nieuwe partner, het sedert 2003 niet meer betalen door de man van een bijdrage aan de zoon van partijen, alsmede wijzigingen op grond van het afbetalen door de man van schulden. De man heeft deze gronden – kort gezegd – bestreden.

21. Naar het oordeel van het hof zijn de door de vrouw aangevoerde gronden voorshands niet, althans onvoldoende om te concluderen tot wijziging van omstandigheden, met uitzondering van de grond dat de man is opgehouden een bijdrage te voldoen aan de zoon van partijen. Daartoe overweegt het hof dat ter zitting vast is komen te staan dat de zoon van partijen (het hof begrijpt:) in februari 2003 zijn studie heeft afgerond en is gaan werken. De man behoeft derhalve geen bijdrage meer in de kosten van de studie van de zoon te voldoen. Ter zitting heeft de man evenwel verklaard dat hij nog steeds bepaalde kosten voor de zoon van partijen voldoet. Echter, het hof is van oordeel dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw zwaarder weegt dan het voldoen van deze kosten aan de zoon, nu de vrouw behoeftig is. Daartoe overweegt het hof dat de zoon van partijen ouder is dan 21 jaar, niet meer studeert, en eigen inkomsten geniet. Het hof acht derhalve een hernieuwde beoordeling van de hoogte van de bijdrage in het levensonderhoud voor de vrouw gerechtvaardigd. Voor wat betreft de draagkracht van de man overweegt het hof het navolgende.

22. Het hof acht zich overigens onvoldoende voorgelicht over de financiële situatie van de man om een beslissing te kunnen nemen. Het hof zal - in het kader van een goede procesorde - de man alsnog de gelegenheid geven om binnen zes weken na de datum van deze beschikking (in vijfvoud) aan het hof en de vrouw gegevens met betrekking tot zijn inkomen en draagkracht sedert februari 2003 over te leggen, en bovendien:

- in geval van een werknemer, de laatste drie loonstroken, alle jaaropgaven en de aangiften en aanslagen voor de inkomstenbelasting;

- in geval van een werkgever, de jaarrekening, de belastingaangiften en de aanslagen;

- specificaties en betalingsbewijzen van: huur- of hypothecaire rentelasten, ziektekosten- verzekeringen, reis- en andere verwervingskosten, rente en aflossing van leningen (met reden van aangaan) en andere relevante lasten;

- schriftelijke stukken waaruit blijkt dat de man zich ‘directeur’, althans ‘technical director’ van [het bedrijf] mag noemen en welke inkomensgevolgen dit voor de man heeft gehad, met de datum van ingang van een en ander;

- draagkrachtberekeningen.

De vrouw heeft daarna vier weken de tijd om daar schriftelijk op te reageren.

23. Voor wat betreft de behoefte van de vrouw overweegt het hof als volgt. Uit het petitum van de vrouw volgt (zo begrijpt het hof:) dat zij zich op het standpunt stelt dat haar behoefte aan een bijdrage ten laste van de man tenminste € 2.000,- per maand bedraagt. De man heeft de behoefte van de vrouw aan een deze bijdrage gemotiveerd betwist.

24. Het hof stelt vast dat de vrouw haar behoefte niet door middel van het overleggen van bewijsstukken heeft gestaafd. Het hof verzoekt de vrouw dit alsnog te doen en binnen zes weken na de datum van deze beschikking (in vijfvoud) aan het hof en de man een behoefteberekening gestaafd met bewijsstukken te doen toekomen.

De man heeft daarna vier weken de tijd om daar schriftelijk op te reageren.

25. Gelet op het vorenstaande wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover de rechtbank het verzoek van de vrouw, dat berustte op de grondslag dat de overeenkomst betreffende levensonderhoud is aangegaan met grove miskenning van de wettelijke maatstaven, heeft afgewezen;

stelt de man in de gelegenheid om aan het hof en de vrouw binnen zes weken na heden over te leggen de hiervoor onder rechtsoverweging 22 gemelde bescheiden;

stelt de vrouw in de gelegenheid om aan het hof en de man binnen zes weken na heden over te leggen de hiervoor onder rechtsoverweging gemelde 24 bescheiden;

stelt de man respectievelijk de vrouw in de gelegenheid op de stukken van de wederpartij binnen vier weken na ontvangst schriftelijk te reageren;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Stille en Burgers, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier en uit gesproken ter openbare terechtzitting van 16 april 2008.