Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD1269

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-04-2008
Datum publicatie
09-05-2008
Zaaknummer
1700-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek ondertoezichtstelling afgewezen. Onvoldoende gebleken dat de bedreigingen van de minderjarige niet op andere wijze kunnen worden afgewend dan middels ondertoezichtstelling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 april 2008

Rekestnummer. : 1700-H-07

Rekestnr. rechtbank : JE RK 07-1887

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. C.R.D. Kommer,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging [vestigingsplaats],

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. de Stichting Bureau Jeugdzorg Haaglanden,

kantoor houdende te [plaats],

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 27 november 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van 28 augustus 2007 van de kinderrechter in de rechtbank ’s-Gravenhage.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 5 februari 2008 en op 19 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 27 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, de vader, namens Jeugdzorg: [gemachtigden] en namens de raad: [gemachtigde]. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de kinderrechter de hierna nader aan te duiden minderjarige onder toezicht gesteld van Jeugdzorg van 28 augustus 2007 tot 28 augustus 2008.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de ondertoezichtstelling van de [minderjarige], geboren te [geboorteplaats] op [geboren in 1999], verder ook te noemen: [de minderjarige], voor de periode van 28 augustus 2007 tot en met 28 augustus 2008.

2. De moeder verzoekt -zakelijk weergegeven- de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] af te wijzen, kosten rechtens. De raad bestrijdt het beroep.

3. Met de beide grieven keert de moeder zich tegen het oordeel van de kinderrechter dat de in artikel 1:254 lid 1 BW genoemde gronden voor ondertoezichtstelling van [de minderjarige] aanwezig zijn. Daartoe voert zij - zakelijk weergegeven - allereerst aan dat er geen sprake van is dat zij bij de minderjarige persoonlijke problemen zoals sombere gevoelens niet zou hebben onderkend. Integendeel: zij heeft vrijwillig hulpverlening gezocht. Zo heeft zij Bureau Jeugdzorg benaderd voor een assertiviteitstraining voor [de minderjarige] en heeft zij na verwijzing door de huisarts terstond een afspraak gemaakt met de Jutters. Een daaropvolgende afspraak voor een gezamenlijk gesprek met de Jutters en de school is door laatste afgezegd; dat kan de moeder niet worden verweten. Voorts voert de moeder aan dat de aan het inleidend verzoek van de raad ten grondslag liggende melding bij het AMK ten onrechte is gebaseerd op herhaaldelijke wisseling van school. Voor alle wisselingen van school bestond immers een goede reden. Uiteindelijk heeft [de minderjarige] het naar haar zin, nu zij op de [de huidige basisschool] zit, waar zij niet wordt gepest en haar leerprestaties goed zijn. Ook overigens was de melding bij het AMK ongegrond, daar de moeder aan [de minderjarige] tot op heden een opvoedingsklimaat met de nodige structuur en continuïteit heeft geboden. De moeder is dan ook van mening dat noch sprake is van de voor toepassing van de maatregel van ondertoezichtstelling vereiste bedreiging, noch van falen of te voorzien falen van andere middelen ter afwending daarvan. Namens de moeder is ter zitting bij een en ander gepersisteerd.

4. De raad heeft zich ter zitting tegen het hoger beroep verweerd. De Raad stelt dat er wel degelijk zorgen over de situatie van [de minderjarige] bestonden en meent dat die zorgen nog niet zijn weggenomen. De raad heeft ter zitting daartoe geput uit de inhoud van het onderzoeksrapport dat aan het inleidend verzoek tot ondertoezichtstelling ten grondslag is gelegd en welk rapport zich bij de stukken bevindt. De raad heeft benadrukt dat hij met alle betrokkenen wil bereiken dat het goed gaat met [de minderjarige] en daaraan toegevoegd dat als het goed gaat, de ondertoezichtstelling kan worden beëindigd. De raad is nog steeds van mening dat de ondertoezichtstelling ernstig nodig is en heeft er vertrouwen in dat de gezinsvoogd op het juiste moment het initiatief tot beëindiging van de ondertoezichtstelling zal nemen.

5. Namens Jeugdzorg heeft de [gemachtigde] verklaard de mening van de raad te onderschrijven. Daaraan heeft hij toegevoegd dat niet bekend is hoe de thuissituatie is en dat Jeugdzorg zich zorgen maakt over de overbescherming door moeder. Voorts heeft hij verklaard dat hij in een gesprek met moeder heeft vernomen dat zij graag hulp wil hebben. Hij acht de ondertoezichtstelling gerechtvaardigd om zicht te krijgen op de situatie op langere termijn. [gemachtigde] heeft zich hierbij aangesloten.

6. De vader stelt zich op het standpunt dat het een schoolprobleem is en dat de ondertoezichtstelling niet terecht is. Het gaat nu goed met [de minderjarige]. Desgevraagd heeft de vader nog verklaard dat hij sinds twee jaar nauwer betrokken is bij [de minderjarige], dat hij dagelijks bij haar thuiskomt en veel inbreng in de opvoeding heeft. Hij vindt de moeder te beschermend, maar dat is volgens hem geen reden voor ondertoezichtstelling.

7. Het hof overweegt als volgt.

Vooropstaat dat de beperking die de ondertoezichtstelling op de vrije ouderlijke gezagsuitoefening aanbrengt als inbreuk op het recht op gezinsleven kan worden gerechtvaardigd indien de minderjarige zodanig opgroeit dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

Dit betekent dat voor de toepassing van deze jeugdbeschermingsmaatregel niet kan worden volstaan met de vaststelling van een ernstige bedreiging, maar dat evenzeer dient te worden vastgesteld dat de vrije ouderlijke gezagsuitoefening ontoereikend is of zal zijn om die bedreiging af te wenden.

In de onderhavige zaak is het hof van oordeel dat niet is gebleken dat met hulpverlening in vrijwillig kader niet kan worden volstaan. Zelfs al zou op grond van de conclusies van de raad uit zijn onderzoek, zoals weergegeven in het rapport van 7 augustus 2007, moeten worden aangenomen dat [de minderjarige] wordt belast door sombere en depressieve gevoelens alsmede angsten, dat zij moeite heeft met het aangaan van sociale contacten, dat haar moeder overbeschermend is en dat zij zich persoonlijke problematiek van haar ouders te veel aantrekt, een en ander in zodanige mate dat daardoor kan worden gesproken van een ernstige bedreiging van haar belangen als kind, dan ligt het in de rede, althans kan niet worden uitgesloten dat de concrete initiatieven die de moeder heeft genomen teneinde hulp voor [de minderjarige] te verkrijgen en haar situatie te verbeteren, effect zouden hebben gesorteerd indien daarop door de aangezochte instanties adequaat zou zijn gereageerd.

Uit het onderzoek van de raad kan niet worden geconcludeerd dat van een dergelijke adequate reactie steeds sprake is geweest, althans dat daadwerkelijke hulpverlening door toedoen of nalatigheid van de moeder niet of niet dadelijk van de grond is gekomen. Zo blijkt uit het rapport van de raad dat Bureau Jeugdzorg niet is ingegaan op het verzoek van de moeder om assertiviteitstraining op grond van de indruk dat het probleem niet bij de minderjarige ligt maar bij de moeder en heeft Bureau Jeugdzorg vanwege het optreden van het AMK “het dossier bij de toegang afgesloten”. Voorts biedt het rapport bevestiging voor de stelling van de moeder omtrent de beëindiging van de hulpverlening van de Jutters. Wat betreft de veelvuldige wisseling van school heeft de moeder gespecificeerd per school aangeduid welke reden zij daarvoor had. Ter zitting heeft de raad uit een en ander afgeleid dat de moeder de schuld buiten zichzelf ziet, maar desgevraagd verklaard dat men de gang van zaken niet voor iedere school heeft onderzocht. Tijdens het onderzoek van de raad heeft de moeder de informatie van de leerplichtambtenaar tegengesproken dat zij begeleiding van de psychische zorginstelling Parnassia zou hebben ontvangen, maar desgevraagd ter zitting heeft de raad verklaard dat men dit niet heeft opgehelderd. Het hof is dan ook van oordeel dat het rapport van de raad noch de overige stukken voldoende steun bieden voor de kennelijk bij de raad bestaande visie dat de persoonlijke problematiek van de moeder, wat daarvan ook zij, reden vormt om hulpverlening aan [de minderjarige] in vrijwillig kader op te schorten.

8. Het vorenoverwogene brengt mee dat het hoger beroep gegrond is, dat de bestreden beschikking zal worden vernietigd en dat het inleidend verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling van [de minderjarige] behoort te worden afgewezen.

9. Mede gelet op de aard van de zaak ziet het hof geen aanleiding om een proceskostenveroordeling uit te spreken.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beslissing;

wijst af het verzoek tot ondertoezichtstelling;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, van den Wildenberg en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. de Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2008.