Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD0539

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
25-04-2008
Zaaknummer
710-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie WLA. Vrouw thans 73 jaar. Doorbetaling gedurende 11 jaar. Verlenging na ommekomst van deze termijn mogelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 maart 2008

Rekestnummer : 710-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-1346

[appellant],

wonende te [woonplaats], [woonland],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.A.E.G.J. Libosan,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens inciden¬teel verzoe¬kster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.D.A. Geleijns.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 25 mei 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 27 februari 2007.

De vrouw heeft op 12 juli 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 28 augustus 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 6 juli 2007 en 23 november 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 24 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de man, mr. C.T.B.J. Libosan-Besjes, en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. De man is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij die beschikking is het verzoek van de man tot wijziging met ingang van 1 april 2005 van de door de man te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw afgewezen. Voorts is het verzoek van de man zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw met ingang van 1 oktober 2006 te beëindigen, afgewezen. Vervolgens is bepaald dat de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw eindigt op 1 oktober 2011, welke termijn voor verlenging vatbaar is. Tevens is bepaald dat de man met ingang van 27 februari 2007 tegen kwijting aan de vrouw tot haar levensonderhoud zal uitkeren een bedrag van € 285,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen. De beschikking is tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de ingangsdatum van de gewijzigde alimentatie, de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man, alsmede het tijdstip van beëindiging van de alimentatieverplichting.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

I. Het alimentatiebedrag dat de man aan de vrouw dient te voldoen met terugwerkende kracht te wijzigen als volgt:

a. voor de periode van 1 april 2005 tot en met 31 augustus 2005 op nihil te stellen;

voor de maand september 2005 vast te stellen op € 437,-;

voor de periode vanaf 1 oktober 2005 vast te stellen op € 236,- per maand;

b. althans, vanaf januari 2006 vast te stellen op € 236,- per maand;

c. althans, de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw te verminderen per datum en tot een bedrag als het hof in goede justitie vermeent te behoren;

II. De alimentatieverplichting van de man per 1 oktober 2006 op grond van het bepaalde in artikel II lid 2 van de Wet Limitering Alimentatieduur na scheiding te beëindigen, althans te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man binnen een door het hof in redelijkheid vast te stellen termijn definitief zal eindigen.

III. Te bepalen dat de man over de periode voorafgaand aan het moment van wijziging van de alimentatieverplichting niet meer aan de vrouw verschuldigd is dan de bedragen die door hem op dat moment reeds zijn voldaan.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de daarin vastgestelde partneralimentatie en alimentatieduur, en de man met ingang van 27 februari 2007 te veroordelen tot het betalen van een partneralimentatie van € 1.682,37 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanig bedrag aan partneralimentatie op te leggen en met ingang van die datum als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, te bepalen dat de onderhoudsverplichting van de man eindigt op 1 oktober 2017 en voor verlenging vatbaar is en de man te veroordelen in de kosten van de procedure . De man verzet zich daartegen.

Ingangsdatum gewijzigde alimentatie

4. De man stelt in zijn eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het redelijk is de ingangsdatum voor de verzochte alimentatiewijziging te bepalen op datum van de beschikking en het verzoek van de man om de wijziging met terugwerkende kracht te laten ingaan, af te wijzen. Volgens de man zijn de overwegingen van de rechtbank innerlijk tegenstrijdig nu zij enerzijds overweegt dat de vrouw vanaf januari 2006 op de hoogte was en rekening heeft kunnen houden met de inkomenswijziging bij de man, terwijl de rechtbank het vervolgens redelijk oordeelt de ingangsdatum te bepalen op 27 februari 2007, ofwel meer dan een jaar later. De man is van mening dat de wijziging derhalve in ieder geval in januari 2006 dient in te gaan. Volgens hem was de vrouw bovendien bekend met het feit dat hij op 13 september 2005 de vijfenzestigjarige leeftijd zou bereiken en dat dientengevolge zijn inkomen zou dalen. De man klaagt voorts dat - gelet op bepaalde, bij de rechtbank bekende feiten betreffende zijn financiële situatie - de rechtbank heeft miskend dat de man, gelet op zijn gewijzigde inkomenssituatie, niet over de mogelijkheid beschikt over de periode voorafgaand aan de datum van de beschikking een extra bijdrage te leveren op hetgeen hij reeds heeft betaald. De rechtbank had ten aanzien van die periode in ieder geval dienen te bepalen dat de man niet meer aan de vrouw verschuldigd is dan de bedragen die reeds door hem zijn voldaan, aldus de man.

5. De vrouw stelt dat de rechtbank de ingangsdatum van de alimentatiewijziging terecht op de datum van de bestreden beschikking heeft gesteld. Volgens de vrouw heeft de man al een achterstand in de alimentatiebetalingen opgebouwd in de periode gelegen vóór 6 maart 2006, de datum met ingang waarvan zij beslag heeft laten leggen op zijn pensioen. De vrouw stelt dat zij nog immer behoefte heeft aan alimentatie aangezien zij met haar eigen inkomen, bestaande uit een AOW-uitkering en een klein ABP-pensioen niet in haar levensonderhoud kan voorzien. Volgens de vrouw is de reeds door haar ontvangen alimentatie inmiddels geconsumeerd en is zij financieel niet in staat deze terug te betalen. De vrouw is voorts van mening dat het niet op haar weg lag vanaf 13 september 2005 rekening te houden met een mogelijk verzoek tot alimentatieverlaging van de man. Bovendien bezat zij geen wetenschap van zijn vermogens- en inkomenspositie op dat moment. Ook het feit dat zij vanwege de indiening van het inleidende verzoek van de man bekend was met mogelijke alimentatieverlaging verandert haar standpunt niet, aldus de vrouw.

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal de ingangsdatum van de alimentatiewijziging in redelijkheid stellen op de datum van het inleidende verzoek van de man, te weten 28 februari 2006. Gelet op de omstandigheid dat de vrouw weliswaar vermogen bezit in de vorm van de eigen woning, maar dat dit vermogen illiquide is, ziet het hof aanleiding hierbij te bepalen dat de vrouw het eventueel te veel betaalde niet behoeft terug te betalen. Ten aanzien van het verzoek van de man te bepalen dat de man over de periode voorafgaand aan het moment van wijziging van de alimentatieverplichting niet meer aan de vrouw verschuldigd is dan de bedragen die door hem op dat moment reeds zijn voldaan, overweegt het hof evenals de rechtbank dat het voor risico van de man dient te komen dat hij niet direct na de wijziging van zijn inkomen een wijzigingsverzoek heeft ingediend. Voormeld verzoek van de man dient derhalve te worden afgewezen.

7. Gelet op het vorenstaande dient het hof de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man per 28 februari 2006 opnieuw te boordelen.

Behoefte

8. De man stelt in zijn derde grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man de behoefte van de vrouw aan een onderhoudsbijdrage niet heeft betwist. Volgens de man heeft hij dienaangaande gesteld dat de vrouw sinds 1999 zelf over een AOW-uitkering beschikt en dat zij daarnaast in de kosten van haar levensonderhoud zou kunnen voorzien door haar woning te verkopen of (gedeeltelijk) te verhuren. Aan de zijde van de vrouw is in ieder geval sprake van een sterke vermindering van haar behoefte aan een onderhoudsbijdrage, aldus de man.

9. De vrouw stelt dat de man haar behoefte niet, althans onvoldoende heeft betwist. Naar haar mening is het duidelijk dat zij met haar eigen inkomen niet volledig in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw stelt dat zij nog steeds een behoefte heeft van € 1.682,37 per maand. Volgens de vrouw kan niet van haar worden verlangd dat zij een of meer kamers van de haar toebehorende woning verhuurt. Zij voert daartoe aan dat zij samenwoont met een kind dat onder psychiatrische behandeling is, dat de woning zich niet leent voor kamerverhuur en dat zij gezien haar leeftijd van 73 jaar niet meer in staat is tot kamerverhuur. Tevens kan van haar niet worden verlangd dat zij de woning waarin zij al 23 jaar woont, verkoopt om van de verkoopopbrengst te leven, aldus de vrouw. De vrouw betwist voorts de door de man in de toelichting op zijn hierna te bespreken derde grief gestelde waarde van de woning en is van mening dat de man ten tijde van de echtscheiding na de verdeling een vermogen bezat dat minstens gelijk was aan dat van de vrouw en vermoedelijk hoger.

10. Het hof overweegt als volgt. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw is vastgesteld in 1994. Daarop dient conform de stelling van de man in mindering te worden gebracht het bedrag aan AOW-uitkering dat de vrouw ontvangt. Tevens dient hierop in mindering te worden gebracht het bedrag dat de vrouw aan pensioen ontvangt van het ABP. Het hof is voorts van oordeel dat, mede gezien de leeftijd van de vrouw, de aanzienlijke tijd gedurende welke zij de woning reeds bewoont, het feit dat de woning destijds krachtens overeenkomst tussen partijen aan haar is toegedeeld en de zorg die zij - gelet op hetgeen hieromtrent in rechtsoverweging 23 wordt overwogen - nog heeft voor een van de kinderen van partijen, van de vrouw in redelijkheid niet kan worden gevergd dat zij haar woning verkoopt teneinde met de opbrengst daarvan in haar levensonderhoud te voorzien. Evenmin en op dezelfde gronden kan naar het oordeel van het hof de vrouw het genot van de woning worden ontzegd door van haar te vergen dat zij de woning al dan niet gedeeltelijk verhuurt. Gelet op het vorenstaande en de overige onder rechtsoverweging 5 weergegeven door de vrouw naar voren gebrachte financiële omstandigheden die door de man niet zijn bestreden, heeft de vrouw nog immer behoefte aan een aanvullende bijdrage in haar levensonderhoud van de man.

Draagkracht

11. Het hof houdt rekening met een jaarinkomen van de man van € 19.879,-, bruto per jaar aan ABP-pensioen en € 5.388,- bruto per jaar aan AOW, zoals blijkt uit de door de man in hoger beroep overgelegde specificaties van de uitkeringsinstanties. Het hof zal conform het verzoek van de vrouw tevens rekening houden met het vakantiegeld dat de man over zijn AOW-uitkering ontvangt. De vrouw heeft in hoger beroep wederom gesteld dat de man over meer inkomen en vermogen beschikt dan hij heeft opgegeven. Het hof acht voormelde stelling ongegrond nu deze door de man wordt betwist en door de vrouw onvoldoende is onderbouwd. Het hof acht het aannemelijk dat de man, die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, zijn werkzaamheden heeft beëindigd. De bewijslast hieromtrent ligt, anders dan de vrouw meent, bij de vrouw. De vrouw heeft voorts nog naar voren gebracht dat uit een door de man overgelegde belastingaangifte 2005 valt af te leiden dat de man wellicht een pensioen van [een voormalige werkgever] ontvangt. De man stelt dat er sprake is van een vergissing, immers de aanduiding “vestiging [vestigingsplaats]” verwijst naar de desbetreffende vestiging van de Sociale Verzekerings Bank aldaar, die de AOW aan de man uitkeert. Nu de vrouw deze stelling eveneens niet nader heeft onderbouwd, zal het hof deze passeren.

12. Ten aanzien van de lasten overweegt het hof als volgt.

13. Het hof acht de door de man opgegeven huur, zoals die blijkt uit de in hoger beroep overgelegde brief gedateerd 5 november 2007 redelijk. Niet is gebleken dat de huur door derden wordt voldaan, zoals de vrouw in haar incidenteel appel heeft gesteld. Het enkele feit dat de woning klaarblijkelijk door tussenkomst van [de voormalige werkgever van de man] te [woonland van de man], is geregeld, brengt niet mee dat deze instelling ook de huur voldoet, zoals de vrouw vermoedt. Het hof zal - rekening houdend met het feit dat de huidige partner van de man zelfstandig in haar levensonderhoud voorziet - de helft van de door de man opgevoerde woonlasten derhalve in de berekening betrekken.

14. De man heeft in zijn vierde grief gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft nagelaten de kosten van zijn tweede, aanvullende ziektekostenverzekering in [woonland van de man] bij haar draagkrachtberekening te betrekken. Ter terechtzitting is gebleken dat de zorgverzekeringspolis van de man in Nederland inmiddels door de zorgverzekeraar is opgezegd, zodat geen sprake meer is van de door de vrouw gestelde dubbele verzekering. Het hof is van oordeel dat, gelet op de opheffing van de polis, de kosten van de Nederlandse zorgverzekering kennelijk geen noodzakelijke kosten betroffen. De man heeft eveneens niet onderbouwd waarom deze kosten in het verleden wel noodzakelijk waren. Het hof zal de kosten van de Nederlandse polis derhalve buiten beschouwing laten. De vrouw heeft in dit kader nog gesteld dat [de voormalige werkgever van de man] de houder van de zorgverzekeringspolis in [woonland van de man] is en dat deze instelling de premie geheel of gedeeltelijk voldoet. Het hof overweegt als volgt. Het enkele feit dat de verzekering door tussenkomst van [de voormalige werkgever van de man] te [woonland van de man], is geregeld, brengt niet mee dat deze instelling ook de premie voldoet. Het hof zal de desbetreffende door de man opgevoerde premie derhalve in de berekening betrekken.

15. De vrouw heeft in haar incidenteel appel gesteld dat slechts met de helft van de bijstandsnorm voor een alleenstaande rekening gehouden moet worden omdat het leven in [woonland van de man] aanzienlijk goedkoper is dan in Nederland. Echter, zij heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd, zodat het hof bij de berekening van de draagkracht derhalve uitgaat van de volledige bijstandsnorm voor een alleenstaande. Ten aanzien van de klacht van de vrouw dat haar stelling niet in de bestreden beschikking is vermeld en door de rechtbank zonder enige motivering terzijde is geschoven, overweegt het hof dat, zo er al sprake is geweest van een omissie in eerste aanleg, deze in hoger beroep is hersteld.

16. De vrouw stelt zich voorts op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte haar stelling dat de man in Nederland recht heeft op belastingsaftrek van de partneralimentatie en in aanmerking komt voor bepaalde heffingskortingen terzijde heeft geschoven. Volgens de man heeft de rechtbank wel rekening gehouden met de fiscale gevolgen. Het hof overweegt als volgt. Daargelaten hoe de rechtbank heeft geoordeeld, zal het hof de fiscale consequenties in de berekening betrekken.

17. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw toelaat van € 415,- per maand, zodat de bestreden uitspraak in zoverre moet worden vernietigd.

Alimentatieduur

18. De man stelt in zijn tweede grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat beëindiging van de alimentatieplicht van de man per 1 oktober 2006 als te ingrijpend voor de vrouw is aan te merken en voorts dat de rechtbank de alimentatieplicht van de man ten onrechte met een periode van 5 jaren heeft verlengd met de mogelijkheid van verlenging van die termijn. De man betwist dat er binnen het huwelijk van partijen sprake was van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw niet in staat is geweest om zich een inkomen uit arbeid te verwerven en verwijst naar hetgeen hij hieromtrent in eerste aanleg heeft aangevoerd. Volgens de man werd de vrouw destijds in 1987, toen partijen uiteengingen, door niets weerhouden om weer actief te gaan deelnemen aan het arbeidsproces. Immers, zij was pas 52 jaar oud, de man betaalde de vaste lasten en de kinderen waren reeds volwassen. De man is tevens van mening dat de vrouw met haar eigen woning ter waarde van circa € 550.000,- over een onevenredig groot vermogen beschikt dat zij eenvoudig voor de kosten van haar levensonderhoud kan aanwenden, door de woning te verkopen of al dan niet gedeeltelijk te verhuren. De man betwist dat de vrouw nog belast is met de mantelzorg voor een van de kinderen van partijen en dat zij in verband hiermee de woning dient aan te houden. De vrouw heeft dit niet aangetoond, aldus de man.

19. De vrouw erkent dat de man per 1 oktober 2006 gedurende vijftien jaar alimentatieplichtig is geweest. Zij is echter van mening dat de rechtbank - gelet op de beoordelingscriteria - terecht heeft geoordeeld dat beëindiging van de alimentatie te ingrijpend is. Zij voert hiertoe onder meer aan dat zij ten tijde van de aanname van het wetsvoorstel Wet Limitering Alimentatie na scheiding, hierna: WLA, in 1994 al 60 jaar oud was. Op dat moment was het voor haar niet meer mogelijk haar leven dusdanig in te richten dat zij op enig moment in de toekomst voldoende eigen inkomsten zou kunnen verwerven. Ook daarvoor was dit vanwege de zorg en opvoeding van de kinderen niet mogelijk, aldus de vrouw. Volgens de vrouw zal zij bij beëindiging van de alimentatie niet langer in staat zijn haar huidige koopwoning te blijven bewonen. Beëindiging van de alimentatie is volgens haar derhalve te ingrijpend. De vrouw bestrijdt dat de man na de echtscheiding haar vaste lasten heeft betaald. Verder verwijst zij naar haar schriftelijke reactie op de pleitnota van de man in eerste aanleg. In incidenteel appel stelt de vrouw dat de alimentatieverplichting dient voort te duren tot 1 oktober 2017 en voor verlenging vatbaar dient te zijn, nu niet valt in te zien dat de financiële omstandigheden van partijen zich de komende vier jaar nog ingrijpend zullen wijzigen.

20. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de toepasselijke overgangsbepalingen van de WLA is in het onderhavige geval uitgangspunt dat de alimentatieverplichting eindigt na verloop van vijftien of meer jaren, tenzij de beëindiging van de uitkering van zo ingrijpende aard is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de alimentatiegerechtigde gevergd kan worden. Vaststaat dat de man inmiddels zestien jaar alimentatieplichtig is geweest, zodat in beginsel de beëindiging van de verplichting gegeven is. Het hof dient thans te onderzoeken of de uitzondering op de hoofdregel zich voordoet. Ter beantwoording van die vraag dienen alle relevante omstandigheden van het geval, zowel die aan de zijde van de tot alimentatiegerechtigde als die aan de zijde van de alimentatieplichtige, in onderling verband te worden gewogen. De afwegingen betreffen de behoefte en draagkracht, alsmede de omstandigheden die draagkracht en behoefte kunnen beïnvloeden.

21. Allereerst dient beoordeeld te worden of de inkomensachteruitgang, indien de alimentatieverplichting van de man (definitief) beëindigd zou worden, als ingrijpend moet worden aangemerkt. Daarbij gaat het om een vergelijking van de situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert op het moment voor de (eventuele) beëindiging van de bijdrage tot levensonderhoud met die waarin zij als gevolg van die beëindiging zal komen te verkeren.

22. Aan de orde is de vergelijking van de inkomenssituatie van de vrouw voor 1 oktober 2006 -met ingang van welke datum de onderhoudsverplichting van de man, behoudens verlenging, is geëindigd - en de situatie na 1 oktober 2006. Blijkens de door de vrouw in hoger beroep overgelegde en door de man niet weersproken financiële gegevens over het jaar 2006 bestaat haar bruto jaar inkomen uit een bedrag van € 10.150,- aan partneralimentatie, een bedrag van € 585,- aan ouderdomspensioen ABP en een bedrag van € 9.327,- aan AOW-uitkering, ofwel tezamen een bedrag van € 20.062,-. Beëindiging van de partneralimentatie zou voor de vrouw een inkomensachteruitgang van € 20.062,- naar € 9.912,- betekenen. Het hof is van oordeel dat een dergelijke inkomensachteruitgang als ingrijpend kan worden aangemerkt.

23. Vervolgens dient het hof te beoordelen of de beëindiging van de alimentatie zo ingrijpend is dat deze naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Het hof is van oordeel dat de rechtbank in dezen terecht heeft overwogen zoals zij heeft gedaan en het neemt de overwegingen van de rechtbank inzake de leeftijd van de vrouw, de omstandigheid dat uit het huwelijk kinderen zijn geboren, de datum en de duur van het huwelijk en de mate waarin zulks de verdiencapaciteit van de vrouw heeft beïnvloed, alsmede de omstandigheid dat de vrouw geen recht heeft op uitbetaling van een deel van het ouderdomspensioen van de man over en maakt deze tot de zijne. Het hof overweegt voorts dat de man in hoger beroep weliswaar heeft betwist dat de vrouw nog belast is met de mantelzorg voor een van de kinderen van partijen en dat zij in verband hiermee de woning dient aan te houden, maar deze stelling niet heeft onderbouwd, zodat het hof hieraan voorbij gaat.

24. De voormelde omstandigheden aan de zijde van de vrouw laat het hof zwaarder wegen dan de omstandigheid aan de zijde van de man dat hij reeds zestien jaar alimentatie heeft betaald, zodat het hof tot het oordeel komt dat beëindiging van de alimentatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de vrouw kan worden gevergd. Nu het hof heeft vastgesteld dat de draagkracht van de man een alimentatie voor de vrouw toelaat, zal het hof de alimentatieplicht thans niet beëindigen.

25. Gelet op de financiële situatie en de levensfase waarin partijen thans verkeren, verwacht het hof geen aanzienlijke wijziging van omstandigheden meer. Het hof acht het derhalve redelijk te bepalen dat de alimentatieverplichting van de man in beginsel eindigt op 1 oktober 2017. Het hof zal hierbij conform het verzoek van de vrouw bepalen dat deze termijn na ommekomst voor verlenging vatbaar is.

26. Gelet op het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 27 februari 2007 van de rechtbank te 's-Gravenhage - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 28 februari 2006 op € 415,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

bepaalt dat de vrouw de door haar eventueel te veel ontvangen alimentatie niet aan de man hoeft terug te betalen;

bepaalt dat de verplichting van de man om aan de vrouw alimentatie te verstrekken eindigt op 1 oktober 2017;

bepaalt dat verlenging van deze termijn na ommekomst daarvan mogelijk is;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Bouritius, Labohm en Breederveld, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2008.