Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BD0276

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
23-04-2008
Zaaknummer
254-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Einde gezamenlijk gezag na scheiding. Onaanvaardbaar risico bij voortzetting: de vader woont in het buitenland, zijn adres is niet bij de moeder bekend, hij neemt sporadisch contact op, betaalt geen kinderalimentatie en is niet bereikbaar indien spoedoverleg noodzakelijk is.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/400

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 april 2008

Rekestnummer. : 254-R-07

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-2923

[de moeder],

wonende te [de woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[de vader],

voorheen wonende te [de woonplaats], thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats in [het buitenland],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. drs. H. Ferment.

Als informant is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 22 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de Rechtbank Rotterdam van 24 november 2006.

De vader heeft op 9 oktober 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 14 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 18 december 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 20 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. J.J.A. Bosch, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.M. Volwerk. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de daaraan voorafgaande tussenbeschikking van 12 juni 2006 van de Rechtbank Rotterdam. Bij de bestreden beschikking is het verzoek van de moeder om alleen te worden belast met het ouderlijk gezag over de na te noemen minderjarige afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het ouderlijk gezag over de minderjarige: [de minderjarige], geboren op

5 oktober 2000, verder: [de minderjarige]. De vader en moeder hebben van rechtswege gezamenlijk het ouderlijk gezag. [de minderjarige] verblijft bij de moeder.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw beschikkende, en uitvoerbaar bij voorraad, overeenkomstig haar inleidende verzoek te bepalen dat voortaan alleen aan haar het gezag over [de minderjarige] toekomt.

3. De vader verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen en het hoger beroep van de moeder af te wijzen.

4. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte haar verzoek tot toewijzing aan haar van het eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] heeft afgewezen. Zij voert hiertoe het volgende aan. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de omstandigheid dat de vader in [het buitenland] woont geen grond is voor inwilliging van het verzoek omdat er regelmatig contact is tussen partijen. Nu de vader in het buitenland verblijft, is er tussen partijen slechts incidenteel en alleen telefonisch contact. De moeder is voor dit contact afhankelijk van de weinige initiatieven die de vader onderneemt omdat de vader zijn adres en telefoongegevens niet aan de moeder wilde afstaan. Dit levert voor de moeder praktische problemen op wat betreft het consulteren of informeren van de vader en kan ook problematisch zijn indien een dringende medische situatie betreffende [de minderjarige] zich voordoet. Vanwege zijn duurzame vestiging in [het buitenland] speelt de vader geen enkele rol bij de opvoeding en verzorging van [de minderjarige]. De moeder merkt hierbij op dat de vader geen omgangsregeling heeft verzocht, hetgeen strijdig is met zijn geuite wens omgang en contact te hebben met [de minderjarige]. De moeder verklaart dat zij omgang tussen de vader en [de minderjarige] niet tegenhoudt. Voorts stelt de moeder dat de vader in strijd handelt met het belang van [de minderjarige]. In dringende gevallen waarbij snel een beslissing dient te worden genomen, zoals medische situaties betreffende [de minderjarige], kan niet gewacht worden op een akkoord van de vader. Hij woont te ver weg en is voor de moeder telefonisch onbereikbaar. Bovendien heeft de vader het paspoort van [de minderjarige] gestolen en weigert hij zijn toestemming te geven voor de aanvraag van een nieuw paspoort. De moeder concludeert dat gelet op de afzonderlijk aangevoerde grieven en de samenhang daarvan de rechtbank niet op grond van de juiste feiten haar verzoek tot eenhoofdig ouderlijk gezag over [de minderjarige] heeft afgewezen. De rechtbank heeft onvoldoende gemotiveerd dat toekennen van het eenhoofdig ouderlijk gezag aan de moeder niet in het belang van [de minderjarige] is.

5. De vader stelt dat de rechtbank terecht heeft geconcludeerd dat het enkele feit dat hij in het buitenland verblijft onvoldoende grond is om het eenhoofdig ouderlijk gezag aan de moeder toe te wijzen. De rechtbank heeft terecht beslist dat er regelmatig contact is tussen partijen en dat het voor de moeder mogelijk is om contact met hem op te nemen. De vader heeft een vast adres in [het buitenland] en heeft de moeder zijn adresgegevens op een briefje gegeven. Voorts stelt de vader dat hij voldoet aan zijn verplichtingen uit hoofde van zijn ouderlijk gezag. Hij wil kinderalimentatie betalen maar de door de rechtbank vastgestelde bijdrage is thans te hoog. Zodra het vastgestelde bedrag lager is, wil hij alles in één keer betalen. De vader ontkent het paspoort van [de minderjarige] te hebben gestolen en stelt dat hij niet eerder is gevraagd mee te werken aan een aanvraag voor een nieuw paspoort. De vader wil een rol van betekenis spelen bij de opvoeding van [de minderjarige] maar de moeder houdt dit tegen door niet op het schriftelijke verzoek van de vader om omgang te reageren. De vader probeert ook telefonisch in contact te komen met [de minderjarige] maar dit contact wordt door de moeder geweigerd. De laatste keer dat hij telefonisch contact had was in november 2007. De vader kan onmogelijk betrokkenheid tonen als de moeder hem hiertoe geen gelegenheid geeft. Daarnaast stelt de vader dat hij ter terechtzitting in eerste aanleg ervan overtuigd was dat omgang al was verzocht, nu dit in de voorlopige voorzieningprocedure al aan bod was geweest. Dat de rechtbank op basis van onjuiste gegevens heeft beslist dan wel dat er geen redelijke en gemotiveerde belangenafweging door de rechtbank zou hebben plaatsgevonden volgt niet uit de processtukken. Beide partijen hebben in eerste aanleg ruimschoots de gelegenheid gehad te reageren en de rechtbank heeft op basis daarvan uitspraak gedaan. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6. Het hof overweegt als volgt. Het wettelijk uitgangspunt is, met het oog op het belang van het kind, handhaving van het gezamenlijk gezag. Het ouderlijk gezag wordt in het belang van het kind uitsluitend aan één ouder toegekend indien er, bij voortduring van het gezamenlijke gezag, een onaanvaardbaar risico ontstaat voor het kind. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is naar voren gekomen dat er al geruime tijd ernstige communicatieproblemen bestaan tussen de vader en de moeder. Zo is het hof gebleken dat de vader voor de moeder, telefonisch dan wel anderszins, zeer moeilijk te bereiken is. Dit kan in het geval een (zeer) dringende medische situatie met betrekking tot [de minderjarige] zich voordoet een groot probleem vormen voor de moeder en strijdig zijn met het belang van [de minderjarige]. Voorts is het hof van oordeel dat overleg tussen de vader en de moeder ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] niet plaatsvindt. Zo blijkt uit de kwestie van het paspoort dat de ouders niet in staat zijn om samen praktische zaken betreffende [de minderjarige] naar behoren op te lossen. Daarbij komt dat de vader sinds de echtscheiding geen enkele financiële bijdrage heeft geleverd in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige], slechts sporadisch contact opneemt met de moeder en/of [de minderjarige] en weinig initiatief toont ten aanzien van een omgangsregeling met [de minderjarige]. Nu de communicatie tussen de ouders en het contact tussen [de minderjarige] en de vader minimaal is, de vader buiten Nederland verblijft en moeilijk te bereiken valt, is het hof van oordeel dat de minimaal noodzakelijke basis voor gezamenlijk gezag van de vader en de moeder ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ontbreekt. Mede gelet op het feit dat de vader heeft gekozen om zich duurzaam in [het buitenland] te vestigen, acht het hof het niet waarschijnlijk dat er binnen afzienbare tijd verbetering zal optreden in de verhouding tussen de vader en de moeder. Onder deze omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat [de minderjarige] bij voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico loopt, met name in situaties die een snelle en doeltreffende besluitvorming van de gezagsdragende ouder vergen. Op grond hiervan zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en bepalen dat het gezag over [de minderjarige] voortaan alleen aan de moeder toekomt.

7. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over [de minderjarige] met ingang van heden alleen aan de moeder toekomt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Van Leuven en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Prins als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2008.