Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9744

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
285-R-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging omgang voor onbepaalde tijd. Zie ook LJNummer BC9737 voor beslissing over gezag.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/398

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 maart 2008

Rekestnummer : 285-R-05

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 02-2147

[de man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. L.C. Blok

tegen

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

HET VERDERE PROCESVERLOOP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 24 mei 2006, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof, voor zover thans van belang, iedere beslissing omtrent de omgang tussen de vader en [de minderjarige] aangehouden en de raad verzocht het onderzoek voort te zetten en daarbij het Psychologisch Pedagogisch Advies Bureau (hierna: het PPAB) te betrekken, aldus dat met de ouders een aantal gesprekken worden gevoerd, teneinde de communicatie tussen de ouders te verbeteren en van daaruit te komen tot een (begeleide) omgang tussen [de minderjarige] en de vader.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft de raad het raadsrapport van 1 oktober 2007, met bijlage, aan het hof doen toekomen.

Bij brief van 11 januari 2008 heeft de raad het hof laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 6 februari 2008 is de mondelinge behandeling bepaald. De procureur van de vader, is op die datum niet verschenen. Het hof heeft de mondelinge behandeling tot een nader tijdstip aangehouden, te weten 5 maart 2008. Op die datum zijn verschenen: de procureur van de vader, de moeder en namens de raad: de heer H. Meulenbeek. De vader is vanwege zijn detentie, zo stelt zijn procureur, niet verschenen. De procureur van de vader, de moeder en de raad hebben het woord gevoerd.

Bij beschikking van 26 maart 2008 heeft het hof bepaald dat het gezag over [de minderjarige] met ingang van die datum alleen aan de moeder toe komt.

VERDERE BEOORDELING

1. Uit voormelde rapportage van de raad blijkt het volgende. De raad is van mening dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] en dat er mitsdien sprake is van een afwijzingsgrond voor het vaststellen van een omgangsregeling. De gezinssituatie, waarin [de minderjarige] leeft, is nu in (broos) evenwicht. Een (begeleide) omgangsregeling afdwingen zou volgens de raad vrijwel teveel van de moeders draagkracht vergen en de nu stabiele opvoedingssituatie in gevaar brengen, wat een negatief effect zal hebben op de ontwikkeling van [de minderjarige]. Gezien de kwetsbaarheid en ontwikkelingsachterstand van [de minderjarige] gaat een gedwongen omgangsregeling zonder toestemming van de moeder, haar draagkracht ver te boven. Een stabiele opvoedingssituatie is op dit moment belangrijker voor [de minderjarige] dan zeer stressvolle omgangscontacten, aldus de raad. De raad adviseert het hof om op dit moment dan ook geen omgangsregeling vast te leggen tussen [de minderjarige] en de vader. Voorts adviseert de raad het hof om de moeder een informatieregeling op te leggen waarbij zij de vader tweemaal per jaar een kopie stuurt van het schoolrapport én een foto. Tevens informeert de moeder de vader over belangrijke zaken aangaande [de minderjarige] voor wat betreft haar ontwikkeling, gezondheid en eventuele andere belangrijke gebeurtenissen, aldus de raad.

2. De procureur van de vader stelt ter terechtzitting dat thans geen omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvindt vanwege de onwrikbare houding van de moeder. De moeder is niet in staat haar eigen gevoelens ten aanzien van de vader los te koppelen van het belang van [de minderjarige] een eigen beeld te kunnen vormen van haar vader, aldus de procureur van de vader. De vader wil volgens zijn procureur een kans krijgen de omgang tussen hem en [de minderjarige] op te bouwen. Deze omgang zal wel in het begin onder begeleiding moeten plaatsvinden.

3. De moeder betoogt ter terechtzitting dat een omgangsregeling te veel zal worden voor [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft thans al een behoorlijke ontwikkelingsachterstand en omgang tussen haar en de vader zal niet in het belang van [de minderjarige] zijn, aldus de moeder.

4. De raad stelt ter terechtzitting dat er in onderhavige zaak sprake is van twee tegenstrijdige belangen, te weten het belang van [de minderjarige] om een eigen relatie op te kunnen bouwen met de vader en het belang van een stabiele en veilige opvoedingssituatie. Deze twee belangen zijn niet samen te realiseren. Nu de thuissituatie rustig is en de ontwikkeling van [de minderjarige] in een stijgende lijn verloopt zou een opgelegde gedwongen omgangsregeling, gezien de opstelling van de moeder, de stabiele opvoedingssituatie in gevaar kunnen brengen. Dit is niet in het belang van [de minderjarige]. Prioriteit moet dan ook worden gelegd bij het belang van een stabiele en veilige opvoedingssituatie, aldus de raad.

5. Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat er aanleiding bestaat de vader de omgang met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd te ontzeggen. In aanmerking genomen de ernstige mate van verstoring van de relatie tussen de vader en de moeder, de termijn gedurende welke deze verstoring reeds heeft voortgeduurd, het onvermogen van de vader en de moeder om met elkaar te communiceren en de weerstand van de moeder jegens de vader, alsmede het gegeven dat [de minderjarige] gelet op haar leeftijd volstrekt afhankelijk is van de moeder, is het hof van oordeel dat omgang aanmerkelijk spanningen en onrust met zich zal brengen, zodat het niet te verwaarlozen risico bestaat dat deze een zodanige negatieve weerslag zal hebben op [de minderjarige], dat er ernstig nadeel ontstaat voor haar geestelijke ontwikkeling. Daarbij komt nog dat [de minderjarige] gelet op haar kwetsbaarheid en achterstand in ontwikkeling belang heeft bij een stabiele en veilige opvoedingssituatie. Er dient rust en zekerheid gecreëerd te worden in het belang van [de minderjarige].

Het hof gaat er vanuit dat de moeder, indien [de minderjarige] in de toekomst aangeeft behoefte te hebben aan contact met de vader, [de minderjarige] daartoe de ruimte zal geven.

Op deze gronden zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het verzoek van de vader tot vaststelling van een omgangsregeling is afgewezen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader het recht op omgang met [de minderjarige] voor onbepaalde tijd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2008.