Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9737

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
848-R-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alsnog eenhoofdig gezag: de minderjarige loopt een onaanvaardbaar risico omdat ouders al meerdere jaren geen enkel contact met elkaar hebben; er is geen omgang; het kind is te kwetsbaar. Zie ook LJNummer BC9737

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 251
Burgerlijk Wetboek Boek 1 253a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/399

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 26 maart 2008

Rekestnummer : 848-R-05

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 04-3133

[de vrouw],

wonende op een geheim adres,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. L.C. Blok.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

HET VERDERE PROCESVERLOOP

Het hof verwijst voor het verloop van het geding naar zijn tussenbeschikking van 24 mei 2006, waarvan de inhoud hier als herhaald en ingelast moet worden beschouwd. Bij die beschikking heeft het hof, voor zover thans van belang, iedere beslissing omtrent de gezagsvoorziening aangehouden en de raad verzocht het onderzoek voort te zetten en daarbij het Psychologisch Pedagogisch Advies Bureau (hierna: het PPAB) te betrekken, aldus dat met de ouders een aantal gesprekken worden gevoerd, teneinde de communicatie tussen de ouders te verbeteren en van daaruit te komen tot een (begeleide) omgang tussen [de minderjarige] en de vader.

Bij brief van 2 oktober 2007 heeft de raad het raadsrapport van 1 oktober 2007, met bijlage, aan het hof doen toekomen.

Bij brief van 11 januari 2008 heeft de raad het hof laten weten ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 6 februari 2008 is de mondelinge behandeling bepaald. De procureur van de vader, is op die datum niet verschenen. Het hof heeft de mondelinge behandeling tot een nader tijdstip aangehouden, te weten 5 maart 2008. Op die datum zijn verschenen: de procureur van de vader, de moeder en namens de raad: de heer H. Meulenbeek. De vader is vanwege zijn detentie, zo stelt zijn procureur, niet verschenen. De procureur van de vader, de moeder en de raad hebben het woord gevoerd.

VERDERE BEOORDELING

1. Uit voormelde rapportage van de raad blijkt het volgende. De raad is van mening dat omgang tussen de vader en [de minderjarige] in strijd is met zwaarwegende belangen van [de minderjarige] en dat er mitsdien sprake is van een afwijzingsgrond voor het vaststellen van een omgangsregeling. De gezinssituatie, waarin [de minderjarige] leeft, is nu in (broos) evenwicht. Een (begeleide) omgangsregeling afdwingen zou volgens de raad vrijwel teveel van de moeders draagkracht vergen en de nu stabiele opvoedingssituatie in gevaar brengen, wat een negatief effect zal hebben op de ontwikkeling van [de minderjarige]. Gezien de kwetsbaarheid en ontwikkelingsachterstand van [de minderjarige] gaat een gedwongen omgangsregeling zonder toestemming van de moeder, haar draagkracht ver te boven. Een stabiele opvoedingssituatie is op dit moment belangrijker voor [de minderjarige] dan zeer stressvolle omgangscontacten, aldus de raad. De raad adviseert het hof om op dit moment dan ook geen omgangsregeling vast te leggen tussen [de minderjarige] en de vader. Voorts adviseert de raad het hof om de moeder een informatieregeling op te leggen waarbij zij de vader tweemaal per jaar een kopie stuurt van het schoolrapport én een foto. Tevens informeert de moeder de vader over belangrijke zaken aangaande [de minderjarige] voor wat betreft haar ontwikkeling, gezondheid en eventuele andere belangrijke gebeurtenissen, aldus de raad.

2. De procureur van de vader stelt ter terechtzitting dat thans geen omgang tussen de vader en [de minderjarige] plaatsvindt vanwege de onwrikbare houding van de moeder. De moeder is niet in staat haar eigen gevoelens ten aanzien van de vader los te koppelen van het belang van [de minderjarige] een eigen beeld te kunnen vormen van haar vader, aldus de procureur van de vader. De vader wil volgens zijn procureur een kans krijgen de omgang tussen hem en [de minderjarige] op te bouwen. Deze omgang zal in het begin wel onder begeleiding moeten plaatsvinden. Voorts stelt de procureur van de vader dat indien de moeder het eenhoofdig gezag verkrijgt, de vader wellicht geen enkele informatie omtrent [de minderjarige] krijgt. Immers, thans wordt al niet door de moeder aan de informatieregeling voldaan, aldus de procureur van de vader.

3. De moeder betoogt ter terechtzitting dat een omgangsregeling te veel zal worden voor [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft thans al een behoorlijke ontwikkelingsachterstand en omgang tussen haar en de vader zal niet in het belang van [de minderjarige] zijn, aldus de moeder.

4. De raad stelt ter terechtzitting dat er in onderhavige zaak sprake is van twee tegenstrijdige belangen, te weten het belang van [de minderjarige] om een eigen relatie op te kunnen bouwen met de vader en het belang van een stabiele en veilige opvoedingssituatie voor haar. Deze twee belangen zijn tegelijk te realiseren. Nu de thuissituatie thans rustig is en de ontwikkeling van [de minderjarige] in een stijgende lijn verloopt, zou een opgelegde gedwongen omgangsregeling, gezien de opstelling van de moeder, de opvoedingssituatie in gevaar kunnen brengen. Dit is niet in het belang van [de minderjarige]. Prioriteit moet dan ook worden gelegd bij het belang van een stabiele en veilige opvoedingssituatie, aldus de raad. De raad ziet geen reden om het gezamenlijk gezag te wijzigen in eenhoofdig gezag van de moeder.

5. Het hof overweegt dat het ouderlijk gezag weliswaar een aan de ouders toekomend recht is, maar dat dit recht gegeven is in het belang van het kind en daarom niet los kan worden gezien van de verplichting dat belang te dienen. Het hof is gebleken dat er al geruime tijd geen communicatie meer plaatsvindt tussen de vader en de moeder. Nu deze communicatie ontbreekt, er geen ruimte lijkt verbetering in de verhouding tussen de vader en de moeder aan te brengen, er ruim drie jaar geleden voor het laatst contact heeft plaatsgevonden tussen de vader en [de minderjarige] en de moeder gelet op haar onwrikbare opstelling niet in staat is invulling te geven aan het gezamenlijk gezag, is het hof van oordeel dat de minimaal noodzakelijke voorwaarde voor gezamenlijk gezag van de vader en de moeder ten aanzien van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] ontbreekt. Hierbij speelt een rol dat de bemoeienis van de vader in het kader van het gezamenlijk gezag door de moeder als bedreigend wordt ervaren en [de minderjarige] gelet op haar kwetsbaarheid en achterstand in ontwikkeling belang heeft bij een stabiele en veilige opvoedingssituatie. Onder deze omstandigheden acht het hof het aannemelijk dat [de minderjarige] bij voortzetting van het gezamenlijk gezag een onaanvaardbaar risico loopt, met name in gevallen waarin met bekwame spoed de toestemming van een (mede) gezagdragende ouder vereist is, zoals bij medische behandelingen.

Op deze gronden zal het hof de bestreden beschikking vernietigen voor zover daarbij het verzoek om eenhoofdig gezag is afgewezen. De moeder zal worden belast met het eenhoofdig gezag over [de minderjarige].

6. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de afwijzing van het verzoek tot eenhoofdig gezag betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over [de minderjarige] met ingang van heden alleen aan de moeder toe komt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Van Montfoort,

bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 maart 2008.