Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9683

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
17-04-2008
Zaaknummer
214-M-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vader, niet belast met gezag, in penitentiaire inrichting in verband met ombrengen schoonmoeder wil omgangsregeling. Hof gelast vooronderzoek door de raad voor de kinderbescherming naar positie kinderen daarbij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 maart 2008

Rekestnummer : 214-M-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-880

[verzoeker],

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting [naam],[woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W. Heemskerk,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. V.K.S. Budhu Lall.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

locatie Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 14 februari 2007 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank Middelburg van 29 november 2006.

De moeder heeft op 24 augustus 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 16 februari 2007 en 1 maart 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 20 december 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 20 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. S. Köller, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.L.I. de Vleesschauwer. De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. Partijen zijn – op verzoek van de moeder – ieder afzonderlijk gehoord, in aanwezigheid van beide advocaten.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn de verzoeken van de vader tot het vaststellen van een informatieregeling en een (onderzoek naar de mogelijkheden van een) omgangsregeling tussen hem en na te noemen minderjarigen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de informatieregeling en de omgang tussen de vader en de thans nog minderjarigen: [kind 1], geboren op [1999], [kind 2], geboren op [2000], en [kind 3], geboren op [2002], hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen. De moeder heeft de Nederlandse nationaliteit en de vader de Belgische. De kinderen hebben zowel de Nederlandse als de Belgische nationaliteit en verblijven bij de moeder in Nederland. Het gezag over de kinderen komt alleen aan de moeder toe. Het hof zal gelet op een en ander Nederlands recht toepassen.

2. De vader verzoekt onder aanvoering van twee grieven de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de moeder de vader om de drie maanden informeert over aangelegenheden betreffende de kinderen, onder verstrekking van een recente foto en onder verstrekking van relevante schoolgegevens en medische gegevens. Voorts verzoekt de vader om te bepalen dat de raad onderzoek zal doen naar de mogelijkheden van een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen waarbij de vader de kinderen op een vast tijdstip per twee weken te spreken krijgt wanneer hij belt en naar de mogelijkheden van een fysieke omgangsregeling van een keer per maand in de gevangenis. Indien de raad tot de conclusie komt dat omgang in het belang van de kinderen is, verzoekt de vader een omgangsregeling conform het advies van de raad vast te stellen. Kosten rechtens.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen, althans niet-ontvankelijk te verklaren.

4. De vader stelt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen nader onderzoek door de raad noodzakelijk was alvorens tot een beslissing op de verzoeken van de vader te komen. De raad zag wel het belang in van een (voor)onderzoek naar de vraag of een volledig onderzoek verantwoord is. De vader is van mening dat het oordeel van de rechtbank dat de kinderen nog ernstig lijden onder het gebeurde zonder nader onderzoek voorbarig is. Uiteraard hebben de kinderen geleden: eerst onder de echtscheidingsproblematiek, waarbij de vader plotseling uit het leven van de kinderen is verdwenen, en vervolgens onder de dood van hun grootmoeder moederszijde, veroorzaakt door de vader. Van de aanslag op de grootmoeder zelf hebben de kinderen echter niets meegemaakt, omdat de kinderen volgens het door de politie opgemaakte proces-verbaal sliepen. Dat de kinderen nog steeds onder het gebeurde ernstig gebukt gaan, blijkt niet uit de beschikbare stukken.

In zijn tweede grief betoogt de vader dat de rechtbank de band die de kinderen met de vader hadden en nog steeds zullen hebben, miskent. Niet valt uit te sluiten dat de kinderen de hulp van Slachtofferhulp nodig hadden, omdat zij de vader missen. De vader was, ondanks de traditionele rolverdeling binnen het gezin, zeer betrokken op zijn kinderen en ondernam veel met hen.

Nadat de moeder de vader op 24 maart 2005 het huis uitgezet had, heeft de vader de kinderen nog slechts een paar maal onder begeleiding van een derde kunnen zien. De vader is vervolgens depressief geraakt en heeft hulp gezocht op de crisisafdeling van het universitair ziekenhuis te [plaatsnaam] (België). Na vijf dagen is de vader echter zonder verdere medicatie of nabehandeling ontslagen en korte tijd later vond het delict plaats.

De conclusie van de rechtbank dat niet valt uit te sluiten dat omgang tussen de vader en de kinderen direct, dan wel indirect, in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen acht de vader onvoldoende onderbouwd. Het contact tussen de kinderen en familie van de vader wordt door de moeder tegengehouden. Het is in het belang van de ontwikkeling van de kinderen om contact te hebben met de vader, zodat zij een mogelijk ontstaan negatief beeld van de vader kunnen bij stellen.

In ieder geval dient onderzocht te worden in hoeverre de kinderen lijden onder het gemis van de vader, in hoeverre het, gezien het gebeurde, in het belang van de kinderen is dat de vader over hen wordt geïnformeerd en op welke wijze dit mogelijk is zonder de moeder hiermee onnodig te belasten. Indien de raad tot de conclusie komt dat omgang inderdaad in het belang van de kinderen is, verzoekt de vader het hof de geadviseerde omgangsregeling vast te stellen.

Ter terechtzitting heeft de vader zijn beroepschrift toegelicht en aangevuld. Hij stelt – kort samengevat – dat in ieder geval naleving van de informatieplicht van de moeder gevergd kan worden. Eventueel zou hiervoor ook een derde kunnen worden ingeschakeld om de moeder niet te belasten. Verder is de vader van mening dat er een onderzoek van de raad moet plaatsvinden naar de vraag of en, zo ja, op welke wijze er omgang kan plaatsvinden tussen de vader en de kinderen.

5. De moeder is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat geen inhoudelijk onderzoek door de raad noodzakelijk was. Het moeten verstrekken van informatie aan de vader zou zodanige spanningen bij de moeder en de kinderen teweegbrengen dat dit in strijd is met zwaarwegende belangen van de kinderen. De rechtbank heeft volgens de moeder bij haar oordeel rekening gehouden met zwaarwegende belangen van de kinderen. De kinderen hebben ernstig geleden onder hetgeen is gebeurd en lijden daar nog steeds onder. Ook de schriftelijke benadering van de kinderen, waarin de vader de kinderen in de ogen van de moeder belast met verwijten jegens de moeder en de grootmoeder van moederszijde, roepen ernstige angsten bij de moeder en de kinderen op. Ter terechtzitting heeft de moeder in aanvulling op haar verweerschrift – onder meer – aangevoerd dat de vader zich slachtoffer van de situatie voelt en haar en haar moeder de schuld geeft van hetgeen is gebeurd. Hij zal de kinderen volgens de moeder negatief beïnvloeden zodra er contact met hem plaatsvindt. De moeder wil de kinderen hiertegen beschermen. Verder heeft de moeder gesteld dat de vader voorheen niet omkeek naar de kinderen en dat zij op dit moment helemaal geen behoefte hebben aan contact met hun vader. De twee oudste kinderen zijn vooral erg boos en teleurgesteld en voelen zich in de steek gelaten. Als de kinderen in de toekomst wel behoefte krijgen om hun vader te zien, zal de moeder de kinderen niet tegenhouden.

6. Het hof overweegt als volgt. In overeenstemming met de grondslag die de vader in hoger beroep thans uitdrukkelijk aan zijn verzoek heeft gegeven, stelt het hof voorop dat hij slechts een redelijk belang bij het door hem verzochte onderzoek naar de mogelijkheden van een omgangsregeling heeft voorzover hij daarmee het treffen van een omgangsregeling beoogt.

Het hof zal dan ook allereerst beoordelen of de vader zodanig recht op omgang toekomt.

7. Gegeven het fundamentele recht van een niet met het gezag belaste ouder tot omgang met zijn kind en de daaruit voortvloeiende aanspraak op het treffen van een regeling ter uitoefening van dit recht, dient het verweer van de moeder te worden beoordeeld tegen de achtergrond van de in artikel 1:377a, derde lid, BW neergelegde criteria voor ontzegging van omgang. Nu de moeder zich op het standpunt stelt dat omgang in strijd is met “de” zwaarwegende belangen van de kinderen, verstaat het hof de moeder aldus dat de door de vader beoogde omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van de kinderen, dat de vader kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang of dat omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van de minderjarigen.

Ofschoon de vader onder meer erkent dat hij de hand heeft gehad in de dood van de grootmoeder van moederszijde van de kinderen, betwist de vader gemotiveerd dat omgang met de belangen van de kinderen in strijd is.

8. Het hof is van oordeel dat ook in een geval als het onderhavige, waarin het naar ervaringsregelen in de rede ligt dat de mate waarin de kinderen zijn getraumatiseerd aan het treffen van een omgangsregeling in de weg zou kunnen staan, zoveel mogelijk moet worden tegemoetgekomen aan het belang dat kinderen en hun niet verzorgende ouder in beginsel hebben bij omgang met elkaar.

In het gegeven geval is het hof van oordeel dat dit in beginsel bestaande belang slechts dient te wijken voor de toestand dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat een omgangsregeling de kinderen in de door het derde lid van artikel 1:377a BW beschermde belangen niet treft. Bij de beslissing of voldoende zekerheid is verkregen dienen alle mogelijkheden tot onderzoek te worden betrokken.

Daaruit vloeit voort dat het hof in zijn overwegingen betrekt dat de raad bij uitstek in de positie is om onderzoek te doen naar de bij uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van jonge kinderen. Weliswaar dient zich dadelijk de vraag aan of de kinderen van partijen thans aan een dergelijk onderzoek kunnen worden blootgesteld, doch ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de raad na ruggespraak uitdrukkelijk verklaard het verantwoord te achten vooronderzoek te verrichten met het oog op de vraag of een onderzoek naar de bij de uitoefening van het omgangsrecht betrokken belangen van de minderjarigen verantwoord is.

Het hof zal de verdere behandeling dan ook aanhouden en de raad verzoeken zodanig vooronderzoek te verrichten.

9. In eerste aanleg en in hoger beroep is aan de orde geweest of zodanig verzoek aan de raad er mede toe moet strekken dat de raad het inhoudelijk onderzoek aanvangt als het vooronderzoek uitwijst dat zulks verantwoord is.

Het hof is echter van oordeel dat de afweging van de bij een inhoudelijk onderzoek betrokken belangen in het licht van de conclusies van de raad uit het vooronderzoek hervatting van de behandeling ter zitting vergt, zodat het hof zijn verzoek aan de raad uitdrukkelijk tot meerbedoeld vooronderzoek beperkt.

10. Het hof verzoekt de raad voorts het vooronderzoek mede te richten op de mogelijkheden tot inhoudelijk onderzoek naar de bij de verzochte informatieregeling betrokken belangen van de minderjarigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verzoekt de raad een vooronderzoek in te stellen zoals hiervoor in rechtsoverweging 6 is uiteengezet en daaromtrent rapport en advies uit te brengen;

houdt de behandeling aan tot de zitting van 12 juli 2008 pro forma;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Bouritius en Hulsebosch, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2008.