Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9682

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
C04/926
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontbinding koop appartementsrecht. Geen tijdig beroep op financieringsvoorbehoud. Geen matiging contractuele boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer: 04/926

Rolnummer Rechtbank: 03/1296

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 15 april 2008

inzake

[Appellant],

wonende te [plaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. H. Koning,

tegen

1. [geïntimeerde 1],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [plaats],

geïntimeerden,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerde],

procureur: mr. M.C. Veltkamp-van Paassen.

1. Het geding

Bij dagvaarding van 15 juni 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 maart 2004, gewezen tussen [geïntimeerde] als eisers en [appellant] als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft [appellant] één grief tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die [geïntimeerde] bij memorie van antwoord hebben betwist. Hierna hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 1.1 tot en met 1.5 van haar vonnis vastgestelde feiten, nu daartegen in hoger beroep geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht.

2. Het gaat in deze zaak, kort gezegd, om het volgende. [appellant] heeft op 17 mei 2002 van [geïntimeerde] het appartementsrecht ter zake de [straat en nummer] te [plaats] gekocht voor een koopprijs van € 86.000,-. De overdracht heeft niet plaatsgevonden en de koopovereenkomst is ontbonden. Aan de orde is de vraag of [appellant] de contractuele boete ad € 8600,- aan [geïntimeerde] verschuldigd is.

3. De rechtbank heeft de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van de contractuele boete, met nevenvorderingen, in haar geheel toegewezen. Het beroep op matiging van [appellant] is verworpen.

4. De grief bestrijdt het oordeel van de rechtbank. [appellant] beroept zich in dit verband op de volgende omstandigheden. [appellant] heeft alles in het werk gesteld om tijdig de financiering voor de aankoop van het appartementsrecht rond te krijgen. Door een fout van zijn bank, welke fout niet aan [appellant] kan worden verweten, en het feit dat de financieringsinstelling die hij had benaderd voor het verkrijgen van een hypotheek kort voor de beoogde transportdatum merkte dat er nog een BKR-melding liep ten laste van [appellant], is de financiering op het laatste moment niet doorgegaan. Deze omstandigheden kunnen niet aan [appellant] worden verweten. [appellant] is van buitenlandse afkomst en is de Nederlandse taal niet machtig. Zowel zijn eigen makelaar als de makelaar van [geïntimeerde] wisten dit. Van een BKR-melding en de gevolgen daarvan was hij niet op de hoogte. Door toedoen van de beide makelaars heeft [appellant] geen gebruik kunnen maken van het in het koopcontract opgenomen financieringsvoorbehoud. Bovendien ontvangt hij thans een uitkering en is hij niet in staat enig bedrag te betalen. Tot slot voert [appellant] aan dat de rechtbank [appellant] had moeten toelaten te bewijzen dat hij door toedoen van beide makelaars in een zodanige situatie is gemanoeuvreerd dat hij geen tijdig beroep heeft kunnen doen op het financieringsvoorbehoud. Als dit duidelijk was geworden, dan had de rechtbank in elk geval de boete kunnen matigen.

5. Het hof stelt voorop dat het feit dat [appellant] van buitenlandse afkomst is en de Nederlandse taal (naar hij stelt) niet machtig is, hem niet kan baten. Vast staat immers dat [appellant] bij de aankoop werd bijgestaan door een makelaar, die namens hem de onderhandelingen heeft gevoerd met de makelaar van [geïntimeerde]. Indien de makelaar van [appellant] hem niet goed heeft geadviseerd of op andere wijze nalatig is geweest, dient [appellant] zich tot deze makelaar te wenden. Hij kan dit niet aan [geïntimeerde] tegenwerpen. Het lag evenmin op de weg van de makelaar van [geïntimeerde] om [appellant] te adviseren of op andere wijze voor zijn belangen te waken. Ook voor het beroep op matiging van [appellant] acht het hof de rol van de beide makelaars niet van belang. Het bewijsaanbod van [appellant] wordt dan ook als niet relevant gepasseerd.

6. Voor de vraag of [appellant] de contractuele boete verschuldigd is, is niet van belang of de BKR-melding en het feit dat [appellant] geen financiering kon krijgen aan [appellant] kunnen worden verweten. Deze omstandigheden komen immers voor risico van [appellant], ook als hij daaraan geen schuld heeft. Voor een dergelijk geval hadden partijen bovendien een financieringsvoorbehoud opgenomen in de koopovereenkomst. Vast staat echter dat [appellant] zich niet binnen de in het koopcontract opgenomen termijn, te weten vóór 14 juni 2002, op dit voorbehoud heeft beroepen. Pas vlak voor de transportdatum van 10 juli 2002, derhalve geruime tijd na 14 juni 2002, heeft hij via zijn makelaar aan [geïntimeerde] laten weten dat hij geen financiering kon krijgen. [geïntimeerde] heeft hem vervolgens in gebreke gesteld, en nog tot 22 juli 2002 in de gelegenheid gesteld om alsnog aan zijn verplichtingen te voldoen, waarvan [appellant] echter geen gebruik heeft gemaakt. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] pogingen heeft gedaan om alsnog elders financiering te verkrijgen, danwel om de door hem gestelde (niet nader toegelichte) fout van zijn bank gecorrigeerd te krijgen. De stelling van [appellant] dat hij alles in het werk heeft gesteld om tijdig de financiering rond te krijgen, acht het hof dan ook niet aannemelijk geworden. De door hem overgelegde hypotheekofferte van 23 mei 2002 (productie bij conclusie van antwoord) is hiervoor onvoldoende, aangezien dit niet meer is dan een offerte waarvan de geldigheid blijkens de tekst ervan nog afhangt van een definitieve toetsing van de door [appellant] verstrekte gegevens.

7. Het hof is bovendien met de rechtbank van oordeel dat in dit geval geen aanleiding bestaat voor matiging van de boete. Zoals de rechtbank terecht voorop heeft gesteld, moet de rechter van zijn bevoegdheid tot matiging een terughoudend gebruik maken. Vast staat dat [geïntimeerde] door de niet-nakoming van [appellant] schade heeft geleden ter hoogte van ongeveer € 5.475,20. Krachtens artikel 9:94 lid 1 BW kan de rechter, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de boete matigen, met dien verstande dat in elk geval niet verder kan worden gematigd dan tot het bedrag van de geleden schade. Van bijzondere, zwaarwegende, omstandigheden die matiging van de boete (tot ten minste de geleden schade) kunnen rechtvaardigen is naar het oordeel van het hof in dit geding echter niet gebleken. Het enkele feit dat [appellant] slechts een uitkering heeft is hiervoor onvoldoende.

8. Uit het bovenstaande volgt dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bekrachtigen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

3. Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 maart 2004;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] tot op heden begroot op € 385,- aan verschotten en € 632,- aan salaris procureur;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en E.B. Rank-Berenschot en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.