Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9519

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
11-04-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
2200443907
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met zijn mededaders het plan opgevat om iemand te beroven. Op het moment dat een willekeurig slachtoffer passeerde heeft een mededader met geweld aan haar tas getrokken, waardoor zij ten val is gekomen en een vinger heeft gebroken.

voorwaardelijke gevangenisstraf van 6 maanden met een proeftijd van twee jaren en een werkstraf van 240 uren, subsidiair 120 dagen hechtenis met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004439-07

Parketnummer: 09-925444-07

Datum uitspraak: 11 april 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van

13 augustus 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1988,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 maart 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het tenlastegelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 140 uren, alsmede tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 1 maand met een proeftijd van 2 jaren. Tevens is beslist op de vordering van de benadeelde partij, als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Diefstal, vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd behoudens de strafmaat, en dat de verdachte ter zake van het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 weken met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met zijn mededaders het plan opgevat om iemand te beroven. Op het moment dat een willekeurig slachtoffer passeerde heeft een mededader met geweld aan haar tas getrokken, waardoor zij ten val is gekomen en een vinger heeft gebroken. Door aldus te handelen hebben de verdachte en zijn mededaders een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien veroorzaakt een dergelijk handelen gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Blijkens haar schriftelijke slachtofferverklaring en de namens het slachtoffer ter terechtzitting in hoger beroep gegeven toelichting ondervindt zij tot op heden ernstige hinder van hetgeen haar is overkomen. Zij is thans niet in staat om op een hoog niveau cello te spelen en hoogstwaarschijnlijk zal zij haar oude niveau nooit meer kunnen bereiken.

Bovendien heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep er slechts in geringe mate blijk van gegeven het laakbare van zijn gedrag in te zien.

Op grond van de ernst van het feit kan in beginsel dan ook niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur.

Bij het bepalen van de straf neemt het hof echter ook in aanmerking dat de verdachte blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2008 niet eerder is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Het is uitsluitend om deze reden dat het hof niet zal overgaan tot het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Naar het oordeel van het hof komen de ernst van het bewezenverklaarde en de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden niettemin onvoldoende tot uitdrukking in de door de eerste rechter opgelegde straf. Het is op deze grond dat het hof komt tot het opleggen van navermelde zwaardere straf.

Het hof is thans van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf in de vorm van de maximaal toegestane werkstraf, in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft X zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 800,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 800,--.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat de gestelde immateriële schade is geleden en dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het bewezenverklaarde feit. De vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade dient derhalve in zijn geheel te worden toegewezen. Het door het hof toegewezen bedrag terzake van de door de benadeelde partij geleden immateriële schade wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Het voorgaande brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 800,-- ten behoeve van het slachtoffer X.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9(oud), 14a(oud), 14b(oud), 14c, 22c(oud), 22d, 36f(oud), 310 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, te vervangen door hechtenis voor de tijd van 120 (honderdtwintig) dagen voor het geval die taakstraf niet naar behoren wordt verricht.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij X tot het gevorderde bedrag van EUR 800,-- (achthonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat de vordering tot vergoeding van door de benadeelde partij geleden immateriële schade wordt toegewezen bij wijze van voorschot.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden, te weten 14 februari 2007, tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, X, van een bedrag van EUR 800,-- (achthonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 16 (zestien) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf het moment dat de schade is ingetreden, te weten 14 februari 2007, tot aan de dag der algehele voldoening.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. J.M. Reinking,

mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. D.J.C. van den Broek,

in bijzijn van de griffier mr. J.C.A. Verhoef.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 april 2008.