Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9481

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-03-2008
Datum publicatie
16-04-2008
Zaaknummer
168-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Incidenteel appel door jongmeerderjarige? Hoogte partneralimentatieverplichting gekoppeld aan verkoop echtelijke woning. Verhouding tussen kinderalimentatie en partneralimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 395a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/321

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 19 maart 2008

Rekestnummer. : 168-R-07

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 06-56

[appellant],

wonende te [adres],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. R.N.A.M. Kester,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [adres],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.H. Mahieu.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 6 februari 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 6 november 2006.

De vrouw heeft op 20 maart 2007 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 12 april 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 19 maart 2007, 3 oktober 2007 en 10 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 27 september 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 12 oktober 2007 is de zaak ter zitting aangehouden – waarvan proces-verbaal – zonder inhoudelijke behandeling.

Op 18 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. W.M. Smeets. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de rechtbank onder meer tussen partijen de echtscheiding heeft uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, ten behoeve van de vrouw € 445,- per maand aan alimentatie zal betalen en ten behoeve van de op [geboortedatum] geboren [minderjarige 1] en de op [geboortedatum] geboren [minderjarige 2] € 295,- per maand per kind aan kinderalimentatie. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de man, met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, aan de op [geboortedatum] geboren [jongmeerderjarige] als bijdrage in de kosten van zijn levensonderhoud en studie € 295,- per maand zal uitkeren.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 8 januari 2007 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

OMVANG VAN HET HOGER BEROEP

Het hof stelt voorop dat uit het verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel niet blijkt dat ook de jongmeerderjarige incidenteel appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Uitgangspunt is derhalve dat de jongmeerderjarige niet mede incidenteel verzoeker is. Op 27 september 2007 heeft het hof echter van de jongmeerderjarige twee schriftelijke stukken ontvangen.

Het eerste is gedateerd 23 september 2007 en houdt – voor zover van belang – in:

“Ik [jongmeerderjarige] geboren op 04-09-1988 wil liever niet tegen mijn vader procederen. Het liefst blijf ik in [adres] op de [adres] wonen. De alimentatie van mij mag van mij naar mijn moeder voor de hypotheek (..)”

Het tweede is gedateerd 26 september 2007 en houdt – voor zover van belang – in:

“Hierbij machtig ik, [jongmeerderjarige], geboren [geboortedatum] te [adres], mijn moeder, [de vrouw], namens mij een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding te vragen van € 200 aan het gerechtshof te ’s-Gravenhage in de aanhangige procedure tussen mijn ouders. Voorts machtig ik mijn moeder om de door het gerechtshof te ’s-Gravenhage vast te stellen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging in ontvangst te nemen op girorekening nummer (..) t.n.v. [de vrouw].”

Het hof merkt omtrent deze stukken het volgende op. Voor zover de jongmeerderjarige beoogt alsnog beroep in te stellen tegen de bestreden beschikking geldt dat dit te laat is geschied. Daar komt bij dat de jongmeerderjarige geen zelfstandig rechtens relevant belang heeft bij een hoger beroep tegen de bestreden beschikking, gelet op de daarin jegens hem gegeven beslissing. Het hof begrijpt de hiervoor weergegeven geschriften in onderling verband aldus dat de jongmeerderjarige de vrouw toestemming geeft om voor zichzelf een andere verdeling van het totaal voor de alimentatie beschikbare bedrag te bepleiten, ook als dat zou meebrengen dat het bedrag dat voor hem is vastgesteld op € 200,- zou uitkomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de partneralimentatie en ten aanzien daarvan, de draagkracht van de man. Voorts is in geschil de verhouding tussen de partneralimentatie en de kinderalimentatie.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking voor zover betreft de partneralimentatie te vernietigen en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het inleidende verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie alsnog af te wijzen.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof in incidenteel appel de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betreffende de partner- en kinderalimentatie en, in zoverre opnieuw beschikkende, een partner- en kinderalimentatie vast te stellen die recht doet aan de grieven van de vrouw, althans een zodanige bijdrage – niet lager dan de door de rechtbank vastgestelde partner- en kinderalimentatie – vast te stellen als het hof vermeent te behoren.

4. De man verzet zich daartegen.

Draagkracht man

Inkomen

5. In grief 1 van haar incidenteel appel betoogt de vrouw, samengevat weergegeven, dat de rechtbank bij het vaststellen van de draagkracht van de man ten onrechte is meegegaan in het verzoek van de man om geen rekening te houden met zijn inkomsten uit overwerk en voorts ten onrechte is uitgegaan van het door de man opgevoerde inkomen van € 54.658,- bruto per jaar over 2006. De vrouw stelt zich op het standpunt dat van het inkomen van de man van € 72.283,- bruto per jaar in 2005 dient te worden uitgegaan, tenzij de man aannemelijk maakt dat de achteruitgang in inkomen niet aan hem is te wijten. Ter terechtzitting heeft de vrouw nog gesteld dat de achteruitgang van het inkomen van de man er in is gelegen dat de man geen overwerk meer aanneemt terwijl er werknemers zijn van [werkgever] die dat wel doen en mitsdien door eigen toedoen is ontstaan. Het hof begrijpt dat de grief – gelet op het verweer van de vrouw tegen het principaal appel – mede is gericht tegen de hoogte van de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie.

6. De man betoogt dat de rechtbank terecht van zijn meest recente inkomensgegevens is uitgegaan, nu de achteruitgang in zijn inkomen niet door hem teweeg is gebracht. Ter onderbouwing verwijst de man naar een verklaring van zijn werkgever van 24 april 2006, waaruit volgt dat, anders dan in 2005, in 2006 naar verwachting weinig zal worden overgewerkt. Ter zitting heeft de man verklaard dat hij monteur is. De werknemers van [werkgever] die thans nog overwerken zijn werkzaam in het laden en lossen van de containers; voor de man is er geen overwerk anders dat de ‘oproepdiensten’ die al zijn verwerkt in de jaaropgaven van zijn inkomen.

7. Het hof overweegt als volgt. Uit de salarisspecificatie over de maand december 2007 volgt dat de man over dat jaar een bruto inkomen heeft gehad van € 63.896,-. Daarop wordt door het hof in mindering gebracht de eenmalige jubileumuitkering van € 1.300,- die de man in die maand heeft ontvangen, zodat resteert € 62.596,-. Het bruto inkomen van de man over de jaren 2004 tot en met 2007 overziende, waarbij – op grond van de belastingaangifte – het hof uitgaat van een bruto jaarinkomen over 2004 van € 55.360,-, heeft de man voldoende aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen in 2005 als gevolg van overwerk uitzonderlijk was en dat hij sindsdien niet meer structureel kan overwerken. Het hof zal dan ook uitgaan van het inkomen van de man in 2007, waaruit volgt dat het deel van de grief aangaande het inkomen van de man ongegrond is.

Lasten

8. In de grieven 1, 2 en 3 in principaal beroep, in onderlinge samenhang bezien en samengevat weergegeven, betoogt de man dat de rechtbank bij de bepaling van zijn draagkracht ten onrechte eraan is voorbijgegaan dat hij dubbele woonlasten heeft zolang de echtelijke woning niet is verdeeld, nu hij in overleg met de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten en sinds april 2005 een woning huurt ten bedrage van € 275,- per maand.

9. De vrouw erkent dat de man dubbele woonlasten heeft, maar wijst erop dat dit slechts van tijdelijke aard is. De vrouw verzoekt het hof in het verweer en in grief 2 van haar incidenteel appel om bij het vaststellen van de alimentatie onderscheid te maken tussen de situatie dat de man de lasten van de echtelijke woning draagt en de situatie dat hij deze lasten niet meer voor zijn rekening hoeft te nemen.

10. De man stelt dat het maken van een onderscheid tussen de huidige situatie en de situatie na verkoop van de echtelijke woning lastig is, nu hij niet weet wat zijn toekomstige woonlasten zullen zijn.

11. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting zal het hof bij het bepalen van de draagkracht van de man uitgaan van drie perioden:

I. de periode tot 1 april 2008 nu onbestreden vaststaat dat vanaf dat moment de mogelijkheid voor de man om voor de inkomstenbelasting de hypotheekrente van de voormalige echtelijke woning af te trekken, komt te vervallen;

II. de periode vanaf 1 april 2008 tot het moment de voormalige echtelijke woning zal zijn overgedragen;

III. de periode vanaf het moment dat de echtelijke woning zal zijn overgedragen.

Het hof gaat ervan uit dat de man alleenstaand is. Per aangegeven periode gaat het hof voorts uit van de, aangaande de periode I en II, door de man in het geding gebrachte draagkracht-berekeningen voor zover daartegen geen verweer is gevoerd en voor het overige van de hierna vermelde, niet dan wel onvoldoende betwiste, posten. Het hof zal de bedragen zonodig op hele getallen afronden.

I. De periode tot 1 april 2008

12. Ter zake van het inkomen van de man is het hof uitgegaan van een bruto jaarsalaris van € 62.595,-. Verder heeft het hof rekening gehouden met het spaarloon van € 51, een ‘sol.heffing 42/49’ van € 45, het werkgeversdeel ZVW van € 166,- alsmede de afdrachten premie pensioen van € 175,- en aanvullend pensioen van € 46,-, dat alles per maand. Voor wat de lasten van de man betreft is het hof uitgegaan van een € 1.238 per jaar eigenwoningforfait op basis van een woz-waarde van de voormalig echtelijke woning van € 225.000,-. En voorts – steeds per maand – een hypotheekrente van € 361,-, een premie spaarhypotheek van € 169,-, de forfaitaire overige eigenaarslasten van € 95,-, een extra woonlast kale huur van € 275,-, omgangskosten van € 22,-, reiskosten omgang van € 26,-, de premies basis en aanvullende verzekering van € 224,- voor de man en de jongmeerderjarige nu de man heeft aangetoond deze kosten te voldoen alsmede de inkomensafhankelijke bijdrage € 166,-.

II. De periode 1 april 2008 tot de datum overdracht voormalige echtelijke woning

13. Het hof is, voor wat betreft het inkomen van de man en de daarop in mindering te brengen lasten, uitgegaan van de gegevens zoals vermeld bij periode I met uitzondering van de posten: hypotheekrente en eigenwoningforfait. Overeenkomstig de door de man op 11 januari 2008 in het geding gebracht draagkrachtberekening zal met de voormalig echtelijke woning rekening worden gehouden in box III.

III. De periode vanaf de datum overdracht voormalige echtelijke woning

14. Het hof is, voor wat betreft het inkomen van de man en de daarop in mindering te brengen lasten, uitgegaan van de gegevens zoals vermeld bij periode II met dien verstande dat het hof in het geheel geen rekening meer houdt met de eigen woning en uitgaat van een redelijke woonlast voor de man van € 500,- in de plaats van de € 275,- kale huur per maand.

15. Rekeninghoudend met de overige financiële omstandigheden, zoals de vastgestelde kinderalimentatie voor de minderjarigen van € 295, per 1 januari 2008 geïndexeerd tot € 301,- per maand per kind en de bijdrage in het levensonderhoud van de jongmeerderjarige van € 295,- en per 1 januari 2008 geïndexeerd tot € 301,- per maand alsmede het fiscale voordeel ter zake, volgt uit het voorgaande dat de man in periode:

I. voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 230,- per maand aan de vrouw te voldoen;

II. geen draagkracht heeft om enig bedrag aan partneralimentatie aan de vrouw te voldoen;

III. voldoende draagkracht heeft om een partneralimentatie van € 560,- per maand aan de vrouw te voldoen;

16. De grieven van de man slagen mitsdien voor zover in de bestreden beschikking ten laste van de man aan de vrouw een bijdrage in haar levensonderhoud is vastgesteld ten bedrage van € 445,- per maand voor de perioden I en II doch falen voor de periode III. De eerste grief van de vrouw in het incidenteel appel slaagt voor wat betreft de hoogte van de vastgestelde partneralimentatie, doch uitsluitend voor de periode III.

17. Gelet op het bovenstaande behoeft grief 2 in het incidenteel appel geen bespreking meer.

Verhouding partneralimentatie en kinderalimentatie

18. In grief 3 van haar incidenteel appel betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte is voorbijgegaan aan haar verzoek dat de kinderalimentatie niet te hoog wordt vastgesteld, waardoor er meer ruimte voor partneralimentatie ontstaat. De vrouw baseert haar verzoek op de omstandigheid dat de hoogte van de partneralimentatie doorslaggevend zal zijn bij haar poging de echtelijke woning voor haar en de kinderen te behouden.

19. De man betoogt dat de rechter een verzoek tot vaststelling van de (kinder)alimentatie uitsluitend kan beoordelen aan de hand van de daarvoor geldende wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. Daarbij kunnen en mogen voor de alimentatiegerechtigde gunstige fiscale motieven geen aanleiding zijn voor een andere uitkomst.

20. Het hof overweegt als volgt. De kinderalimentatie is in overeenstemming met de behoefte van de kinderen bepaald. De persoonlijke omstandigheden van de vrouw nopen niet tot een ander vaststelling van de behoefte van de kinderen, nog daargelaten de vraag of hetgeen de vrouw voor ogen staat, gelet op het bovenstaande, op de door haar voorgestane wijze is te realiseren. De grief van de vrouw faalt mitsdien.

21. Het hof zal ten slotte bepalen dat de vrouw de tot op heden eventueel door de man teveel betaalde alimentatie, gelet op het consumptieve karakter daarvan, niet behoeft terug te betalen;

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw ten laste van de man als volgt:

I. met ingang van 8 januari 2007 tot 1 april 2008, op € 230,- per maand;

II. met ingang van 1 april 2008 tot de datum waarop de voormalige echtelijke woning zal zijn overgedragen, op nihil;

III. met ingang van de datum waarop de voormalige echtelijke woning zal zijn overgedragen op € 560,- per maand;

bepaalt dat de vrouw de tot op heden eventueel door de man teveel betaalde alimentatie, gelet op het consumptieve karakter daarvan, niet behoeft terug te betalen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Husson en Kamminga, bijgestaan door mr. Van Elden als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 maart 2008.