Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9253

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
1077-D-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie: Behoefte, draagkracht, ingangsdatum en jusvergelijking. Toelaatbaarheid wijzigingsverzoek. Artikelen 283 jo. 362 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 2 april 2008

Rekestnummer : 1077-D-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 06-8878

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E. Grabandt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 30 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 23 mei 2007.

De vrouw heeft op 11 september 2007 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 21 augustus 2007, 28 augustus 2007 en 15 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 27 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. H.A.M. Goijer-Janssen, en namens de vrouw haar advocaat, mr. G. de Jong. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De verschenen betrokkenen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij en met ingang van de datum van die beschikking is, met wijziging van de beschikking van de rechtbank Utrecht van 2 februari 2000, de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie bepaald op € 970,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de uitkering tot levensonderhoud (alimentatie) voor de vrouw, de behoefte van de vrouw, de draagkracht van de man en de ingangsdatum van wijziging van de beschikking van de rechtbank Utrecht.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat hij met ingang van 1 november 2006, althans met ingang van de dag van indiening van het inleidend verzoek, althans op een nader vast te stellen datum, geen alimentatie meer aan de vrouw verschuldigd is/zal zijn, althans de bij beschikking van de rechtbank te Utrecht van 2 februari 2000 vastgestelde alimentatie met ingang van 1 november 2006, althans met ingang van de dag van indiening van het onderhavige verzoek op nihil te stellen, althans vast te stellen op dusdanige bedragen met ingang van dusdanige data als de rechtbank (het hof leest: het hof) vermeent te behoren. Bij wege van aanvullend verzoek verzoekt de man te bepalen, indien en voor zover hij na 1 november 2006 nog partneralimentatie dient te betalen, dat deze jaarlijks met hetzelfde percentage als de door partijen van Masterfoods Pensioenfonds te ontvangen pensioenuitkering wordt verhoogd, onder uitsluiting van de wettelijke indexering. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

BEHOEFTE VROUW

3. De man heeft in hoger beroep zeven grieven aangevoerd. De eerste grief van de man dient, gelet op zijn verklaring ter terechtzitting van het hof, kort gezegd aldus te worden gelezen dat hij een definitieve beëindiging van zijn alimentatieverplichting jegens de vrouw verzoekt. De man voert daartoe aan dat partijen in het door hen op 19 november 1999 ondertekende echtscheidingsconvenant zijn overeengekomen dat de vrouw een inspanningsverplichting had tot het verwerven van eigen inkomsten. Volgens de man lagen er voor haar ook kansen op de arbeidsmarkt, mede ingegeven door de omstandigheid dat de vrouw geruime tijd een zeer succesvolle en lucratieve kringloopwinkel had opgezet en geleid, waarin meer dan tien vrijwilligers werkzaam waren. Nu de vrouw volgens de man onvoldoende pogingen heeft ondernomen tot het verwerven van eigen inkomen, heeft zij bewust het risico genomen dat de alimentatie op den duur op nihil zou worden gesteld of in elk geval lager zou worden en volgens de man zelfs dient te eindigen. Gelet op de verdiencapaciteit had de rechtbank volgens de man voor recht moeten verklaren dat de vrouw na 1 november 2006 niet langer alimentatiegerechtigd was. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

4. Uit de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat ten tijde van het huwelijk tussen partijen sprake was van een traditioneel rollenpatroon, waarbij de vrouw thuis was voor de opvoeding en verzorging van de kinderen. Het hof acht de stelling van de vrouw, dat haar aandacht tijdens het huwelijk in de eerste plaats uit ging naar haar gezin en de kinderen, aannemelijk. Weliswaar staat vast dat de vrouw ook maatschappelijk actief is geweest en dat zij een kringloopwinkel heeft opgezet en geleid, doch gelet op haar arbeidservaring, haar opleidingsniveau (huishoudschool), haar leeftijd ten tijde van het uiteengaan van partijen (48 jaar), alsmede gelet op de niet betwiste stelling van de vrouw dat zij vanwege de echtscheidingsproblematiek zeker de eerste twee jaren na de scheiding niet in staat was tot werken, is het hof van oordeel dat de vrouw thans nog behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de man. Gelet op haar leeftijd acht het hof voorts aannemelijk dat de vrouw er, ondanks het feit dat zij staat ingeschreven bij een uitzendbureau, tot op heden nog niet in is geslaagd om een (tijdelijke) baan te vinden.

5. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten onrechte heeft berekend op € 3.495,- netto per maand. De man verzet zich niet tegen het door de rechtbank berekende netto-inkomen ten tijde van het huwelijk van € 5.100,- per maand. De man stelt echter dat de rechtbank ter vaststelling van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw ten onrechte een bedrag van € 227,- in plaats van € 775,- op voornoemd inkomen in mindering heeft gebracht als eigen aandeel van de ouders in de kosten van dochter [naam dochter]. Volgens de man bedragen die kosten bij een netto inkomen van € 5.000,- of meer € 775,- per maand, zodat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw na aftrek van dat bedrag en rekening houdend met een percentage van 60 en indexering is te stellen op € 3.046,15 netto per maand en niet, zoals door de rechtbank is aangenomen, op € 3.495,- netto per maand. Op de behoefte van € 3.046,15 dient volgens de man tevens de door de vrouw in 2006 genoten pensioenuitkering van € 1.338,- in mindering te strekken, zodat de uiteindelijke behoefte van de vrouw € 1.708,- netto per maand bedraagt. In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank bij de vaststelling van de behoefte van de vrouw ten onrechte heeft vastgehouden aan het welvaartsniveau van partijen ten tijde van het huwelijk en dit niet heeft aangepast aan het feit dat ook hij vanwege zijn prepensionering een aanzienlijk lager inkomen is gaan genieten en derhalve een lagere levensstandaard dient te hanteren. De man voert daartoe aan dat hij ten tijde van het huwelijk een inkomen genoot van € 114.000,- (naar het hof aanneemt bruto per jaar), welk inkomen vanwege zijn prepensionering is teruggevallen naar circa € 43.000,- bruto per jaar.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Het hof zal deze grieven van de man, gelet op de onderlinge samenhang, gezamenlijk bespreken.

6. Vast staat dat de man per 1 augustus 2004 met prepensioen is gegaan, doch de vrouw heeft de stelling van de man, dat zij reeds ten tijde van het huwelijk zou hebben ingestemd met een vroegtijdige pensionering van de man, betwist en de man heeft die stelling niet aannemelijk gemaakt. Nog afgezien daarvan is het hof bovendien van oordeel – zoals door de advocaat van de vrouw ter zitting is betoogd - dat de inkomensvermindering van de man uitsluitend van invloed kan zijn op zijn draagkracht doch geen invloed heeft op de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw. Mede gelet op het vorenstaande verenigt het hof zich ten aanzien van de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Weliswaar deelt het hof de stelling van de man dat de behoefte van dochter [naam dochter], uitgaande van een netto inkomen van € 5.000,- of meer circa € 775,- per maand bedraagt, doch partijen zijn ten tijde van het sluiten van het convenant bewust van voornoemd bedrag afgeweken door ten behoeve van [naam dochter] een bijdrage van € 227,- per maand overeen te komen. Behoudens de stelling van de man dat een bijdrage ten behoeve van [naam dochter] van € 775,- per maand overeenkomstig de Tremanormen zou zijn, heeft hij geen andere argumenten aangevoerd waarom het redelijk zou zijn om thans ter bepaling van de behoefte van de vrouw af te wijken van de destijds overeengekomen bijdrage van € 227,- per maand. Het vorenstaande leidt ertoe dat de rechtbank naar het oordeel van het hof, rekening houdend met de pensioenuitkering van de vrouw van € 1.338,- netto per maand, de aanvullende behoefte van de vrouw terecht heeft berekend op € 2.157,- netto per maand. De tweede en derde grief falen. Gelet echter op het feit dat de rechtbank de alimentatie ten behoeve van de vrouw met ingang van de datum van de bestreden beschikking op € 970,- per maand heeft bepaald en gelet evenwel op het feit dat de vrouw in de onderhavige procedure geen incidenteel appel heeft ingesteld, vormt naar het oordeel van het hof niet de behoefte van de vrouw maar het door de rechtbank vastgestelde alimentatiebedrag van € 970,- per maand de bovengrens van de rechtsstrijd in de onderhavige procedure.

DRAAGKRACHT MAN

7. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man heeft de rechtbank overeenkomstig de jaaropgave 2006 een bruto pensioenuitkering van € 43.699,- per jaar in aanmerking genomen, naast de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Omdat de man sinds 2004 in Portugal woont en daar belastingplichtig is, heeft de rechtbank het te hanteren belastingpercentage ter zake de Inkomstenbelasting op grond van een door de man vertaald overzicht van het belastingsysteem in Portugal in redelijkheid vastgesteld op 17,5%. Rekening houdend met dit percentage is de rechtbank uitgegaan van een netto besteedbaar inkomen van afgerond € 3.000,- per maand. Voorts heeft de rechtbank een huur van € 350,- per maand in aanmerking genomen alsmede een premie zorgverzekering van € 168,- per maand.

8. Bij het vaststellen van de draagkracht van de man neemt het hof de berekening van de rechtbank als uitgangspunt. Hoewel de man stelt dat de rechtbank ten onrechte de bijstandsnorm voor een alleenstaande in aanmerking heeft genomen, verenigt het hof zich in zoverre met het oordeel van de rechtbank. Naar het oordeel van het hof heeft de man niet aannemelijk gemaakt dat zijn huidige partner niet in staat is in eigen levensonderhoud te voorzien. Weliswaar heeft de man gesteld dat zijn partner vanwege haar ziekte niet tot werken in staat is, doch de man heeft die stelling - hoewel de vrouw deze heeft betwist - niet met bewijsstukken gestaafd. Gelet op het vorenstaande gaat het hof er van uit dat de partner van de man haar eigen premie zorgverzekering kan voldoen en neemt het hof derhalve uitsluitend de premie die de man voor zichzelf moet voldoen in aanmerking. Zelfs indien de door de man gestelde woonlandfactor bij de premie zorgverzekering wordt betrokken, hetgeen volgens de man leidt tot een premie van - afgerond - € 349,- in 2007 en naar het hof aanneemt een iets hogere premie in 2008, is de man op grond van de overige hierboven genoemde financiële gegevens in staat om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage van € 970,- per maand ten behoeve van de vrouw te voldoen. Het hof merkt op dat rekening is gehouden met het feit dat de alimentatie voor de man niet fiscaal aftrekbaar is. Hiermee zijn de grieven vier en vijf van de man, die beide betrekking hebben op zijn draagkracht, besproken; deze falen.

INGANGSDATUM

9. De man verzet zich blijkens zijn zesde grief tegen de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum en stelt dat de alimentatie met ingang van 1 november 2006 had moeten worden gewijzigd. De man voert daartoe aan dat hij door omstandigheden buiten hem om eerst medio november 2006 op de hoogte was van de gemaakte afspraken zoals aangegeven in het proces-verbaal van comparitie van partijen bij de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 1 februari 2005. De man stelt dat hij nimmer door zijn toenmalige raadsman op de hoogte is gebracht van de inhoud van voornoemd proces-verbaal en was in de veronderstelling dat er een beschikking was gegeven op grond waarvan de partneralimentatie reeds begin 2005 op nihil was gesteld. Indien de man wel tijdig kennis zou hebben genomen van de inhoud van het eerder genoemde proces-verbaal, dan had hij direct daarna een verzoek tot nihilstelling ingediend en zou reeds in 2005 op dat verzoek zijn beslist. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

10. Het hof ziet geen reden om van de door de rechtbank in aanmerking genomen ingangsdatum af te wijken. Het feit dat de man naar zijn zeggen niet op de hoogte was van de afspraken die zijn gemaakt tijdens de comparitie van partijen op 1 februari 2005, mag naar het oordeel van het hof niet ten nadele van de vrouw strekken. Het hof deelt de visie van de vrouw dat zij er op mocht vertrouwen dat de man door zijn toenmalige advocaat op de hoogte is gesteld over de inhoud van de ter comparitie gemaakte afspraken en is daar ook van uit gegaan, gelet op het feit dat de man de alimentatie tot november 2006 telkens aan haar heeft voldaan. Naar het oordeel van het hof dient de man het eventuele disfunctioneren van zijn toenmalige advocaat en als gevolg daarvan de eventueel geleden schade met zijn toenmalige advocaat te regelen en niet op de vrouw af te wentelen.

JUS-VERGELIJKING

11. De strekking van de zevende grief van de man komt er, kort gezegd, op neer dat de rechtbank ten onrechte geen jus-vergelijking heeft gemaakt, nu de man heeft berekend dat de vrouw inclusief de door de rechtbank vastgestelde alimentatie maandelijks meer te bestreden heeft dan hij. De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

12. Het hof ziet in de onderhavige procedure geen reden om een jus-vergelijking te maken en laat deze derhalve achterwege. De man heeft zelf genoegen genomen met een lager inkomen per 1 augustus 2004 als gevolg van zijn prepensionering. Uiteraard stond het de man vrij de keuze te maken om vervroegd met pensioen te gaan, doch de gevolgen van die keuze mag hij naar het oordeel van het hof niet op de vrouw afwentelen en rechtvaardigt evenmin het maken van een jus-vergelijking.

AANVULLEND VERZOEK

13. Voor het eerst in hoger beroep verzoekt de man te bepalen dat de partneralimentatie jaarlijks met hetzelfde percentage als de door partijen van Masterfoods Pensioenfonds te ontvangen pensioenuitkering wordt verhoogd, onder uitsluiting van de wettelijke indexering. De man voert daartoe aan dat de prepensioenuitkering die aan beide partijen wordt uitgekeerd sedert 1 augustus 2004 nog slechts eenmaal is verhoogd. Voor zover het hof van oordeel is dat de man ook met ingang van 1 november 2006 alimentatie ten behoeve van de vrouw moet voldoen acht de man het niet redelijk indien de wettelijke indexering zou worden toegepast terwijl de pensioenuitkering niet wordt verhoogd, hetgeen al twee keer het geval is geweest.

14. De vrouw stelt dat de man niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn aanvullend verzoek, nu een dergelijk verzoek in strijd is met een goede procesorde vanwege het verlies van een instantie.

15. Ingevolge artikel 283 juncto 362 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de verzoeker bevoegd het verzoek of de gronden daarvan te verminderen, dan wel schriftelijk te veranderen of vermeerderen, zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het aanvullend verzoek van de man niet in strijd is met de goede procesorde. De vrouw wordt niet onredelijk in haar verdediging bemoeilijkt. Zij is immers in de gelegenheid gesteld zich tegen de aanvulling van het verzoek te verweren, heeft van die gelegenheid ook gebruikt gemaakt en heeft bovendien ter terechtzitting haar standpunt nogmaals kenbaar kunnen maken. Het aanvullend verzoek van de man is naar het oordeel van het hof dan ook toegestaan en het bezwaar tegen die wijziging wordt derhalve door het hof afgewezen. Het vorenstaande neemt echter niet weg dat het hof van oordeel is dat de onderhoudsplichtige – in casu de man – aan had moeten tonen dat de vermoedelijke stijging van inkomsten waar de wettelijke regeling van uit gaat, voor zijn geval niet geldt. Nu de man niet heeft aangetoond dat zijn pensioenuitkering sinds 1 augustus 2004 slechts eenmaal is verhoogd en zijn stelling derhalve niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof het aanvullend verzoek van de man afwijzen.

16. Gelet op het vorenstaande komt het hof tot de conclusie dat de grieven van de man falen, hetgeen ertoe leidt dat de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, zal worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Stille en van Wijk, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2008.