Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9236

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-04-2008
Datum publicatie
10-04-2008
Zaaknummer
C07/460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Letselschade. Voorschot op de schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer: 07.460

Zaak-/rolnummer rechtbank: 277666/KG ZA 07-90

arrest van de vierde civiele kamer d.d. 8 april 2008

inzake

[APPELLANT],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.H. Mahieu,

tegen

Fortis Corporate Insurance N.V.,

gevestigd te Amstelveen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Fortis,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij dagvaarding van 5 april 2007 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2007, gewezen tussen [appellant] als eiser en Fortis als gedaagde. [appellant] heeft bij memorie van grieven (met producties) zes grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, die Fortis bij memorie van antwoord (met producties) heeft bestreden. Ter terechtzitting van 18 maart 2008 hebben partijen hun standpunten mondeling nader doen toelichten, [appellant] door mr. P. de Vries-Roetman, advocaat te Brielle en Vlaardingen, en Fortis door mr. N.C. Haase, advocaat te Amsterdam. Voorafgaande aan het pleidooi zijn door beide partijen nog producties overgelegd: door Fortis bij brieven van 29 februari 2008 en 10 maart 2008 en door [appellant] bij brieven van 4 maart 2008 en 12 maart 2008. De door [appellant] bij brief van 14 maart 2008 aan het hof en de wederpartij toegezonden productie is door het hof, na bezwaar van de zijde van Fortis, geweigerd als zijnde te laat. Tot slot hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de door de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 van haar vonnis vastgestelde feiten, nu daartegen geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht. Ten aanzien van het door de rechtbank onder 2.4 vermelde verzoek van Fortis aan de rechtbank Amsterdam tot het houden van een voorlopig medisch deskundigenonderzoek, staat in dit hoger beroep vast dat dit verzoek inmiddels is toegewezen. De in dit kader uitgebrachte (concept)rapporten van de neuroloog Dr. J. Boiten en de psychiater Prof. Dr. W. van Tilburg zijn ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep in het geding gebracht.

2. In het onderhavige kort geding gaat het om het volgende. [appellant], thans 52 jaar oud, heeft in het najaar van 2005 kort na elkaar twee aanrijdingen gehad. De aansprakelijkheid voor de gevolgen van deze aanrijdingen is door de verzekeraars erkend. Fortis treedt op als regelend verzekeraar. [appellant] stelt dat hij als gevolg van deze aanrijdingen zowel lichamelijk als psychisch letsel heeft opgelopen, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt, en de slagerij die hij 27 jaar heeft gehad heeft moeten sluiten. Fortis betwist zowel het door [appellant] gestelde letsel en de daaruit voortvloeiende beperkingen, als het causaal verband en de door [appellant] gestelde schade. [appellant] vordert in dit kort geding een (nader) voorschot op zijn schadevergoeding van € 20.000,-.

3. De grieven leggen het geschil in volle omvang aan het hof voor. Het hof zal de grieven daarom gezamenlijk behandelen.

4. Bij de beoordeling van de onderhavige vordering geldt volgens vaste jurisprudentie het uitgangspunt dat voor de vraag of plaats is voor toewijzing bij voorraad van een geldvordering in kort geding, niet alleen dient te worden onderzocht of de vordering van de eiser voorshands voldoende aannemelijk is, maar ook of een spoedeisend belang bestaat, terwijl bij de afweging van de belangen van partijen mede het restitutierisico zal moeten worden betrokken (HR 28 mei 2004, NJ 2004, 602). Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat, mede op basis van de thans in hoger beroep overgelegde (concept)rapporten van de neuroloog Boiten en de psychiater Van Tilburg, [appellant] in kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de beide aanrijdingen eind 2005 lichamelijk en psychisch letsel heeft opgelopen, waardoor hij inkomensschade heeft geleden. Het hof overweegt hierover het volgende.

5. Op het aanrijdingsformulier van de eerste aanrijding van 15 september 2005 (productie 1 bij inleidende dagvaarding) heeft [appellant] ingevuld dat hij rugklachten had. Nog diezelfde dag heeft hij de EHBO-afdeling van het [Ziekenhuis] bezocht voor deze rugpijn. Kort daarna heeft hij zijn huisarts [C] bezocht in verband met rugklachten en is hij doorverwezen naar de fysiotherapeut en de orthopaedie (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Op het aanrijdingsformulier van de tweede aanrijding van 4 november 2005 (productie 2 bij inleidende dagvaarding) heeft [appellant] ingevuld dat hij rug- en nekklachten had. Deze klachten vinden onder meer hun bevestiging in de brief van zijn fysiotherapeut [N] van 12 december 2005 (productie 3 bij inleidende dagvaarding). Het verslag van de huisarts van 18 december 2005 maakt er tevens melding van dat [appellant] kort daarvoor door haar was doorverwezen in verband met psychische klachten. Uit de door [appellant] overgelegde stukken blijkt dat hij sedert de aanrijdingen onder voortdurende medische behandeling is geweest van onder meer fysiotherapeut [N], revalidatiearts [D], neuroloog [P], orthopaedisch chirurg [S] en psychiater [T]. Blijkens informatie van de huisarts, waaronder de patientenkaart, was [appellant] voorafgaande aan de aanrijdingen goed gezond. Dat bij [appellant] sprake zou zijn van enige vorm van simulatie of aggravatie van zijn klachten, kan uit de beschikbare medische stukken geenszins worden afgeleid.

6. Neuroloog Boiten heeft [appellant] onderzocht in het kader van het door Fortis verzochte voorlopige deskundigenbericht. In zijn rapport (overgelegd ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep) schrijft hij onder meer bij vraag e (“wat is de diagnose op uw vakgebied?”), dat bij het neurologisch onderzoek geen objectieve afwijkingen zijn gevonden, noch aanwijzingen voor het bestaan van een specifiek posttraumatisch syndroom. Hij merkt daarbij echter tevens op dat de rugpijn die [appellant] aangeeft geduid kan worden als posttraumatische rugpijn volgens Lumbar category I van Tabel 15-3 van de AMA-guides 5e editie (p.384) en volgens Thoracic category I van Tabel 15-4 (p. 389). Bij vraag 2 (“de hypothetische situatie zonder ongeval”) merkt hij op dat op grond van de huisartsenkaart (vanaf januari 1993) van [appellant] geconcludeerd kan worden dat [appellant] vóór het ongeval nooit ernstig ziek is geweest en met name ook geen klachten heeft gehad van pijn in de rug of de nek. Op grond daarvan heeft hij geen aanwijzingen dat [appellant] nek- of rugklachten zou hebben ontwikkeld als hem de ongevallen niet zouden zijn overkomen. Hierbij tekent hij nogmaals aan dat hij geen objectieve neurologische afwijkingen bij [appellant] heeft gevonden.

7. Psychiater Van Tilburg heeft [appellant] eveneens onderzocht in het kader van het voorlopige deskundigenbericht. In zijn conceptrapport (overgelegd ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep) komt hij voorshands tot de volgende bevindingen. Allereerst komt hij tot de conclusie dat er bij [appellant] geen enkele aanwijzing bestaat voor simulatie of aggravatie. Hij komt bij [appellant] tot de diagnose (p. 13 van het concept rapport) dat sprake is van een depressieve stoornis, eenmalige episode, chronisch, ernstig zonder psychotische kenmerken. Naar zijn mening hangt de depressieve stoornis rechtstreeks samen met de somatische klachten van [appellant], die (beide) zijn ontstaan na de aanrijdingen. Naar de (voorlopige) mening van Van Tilburg heeft de situatie waarin [appellant] na de aanrijdingen in terecht is gekomen, bestaande uit somatische klachten en een daardoor dreigend verlies van zijn zaak en zijn bestaanszekerheid, gevoegd bij een gevoel van benadeling en woede dat zijn klachten niet door de verzekeringsmaatschappij werden erkend, geleid tot de onderhavige depressie waarbij hij drie zelfmoordpogingen heeft ondernomen. Volgens Van Tilburg is er een directe relatie tussen het ongeval en het ontstaan van de depressie, met andere woorden: zonder ongeval was er op dat moment, maar ook op de wat langere termijn, zeer waarschijnlijk geen depressie ontstaan. Het feit dat er geen sprake was van een premorbide toestand, getuige het dossier van de huisarts, en daarbij het ontbreken van predisponerende factoren, zoals het eerder hebben doorgemaakt van een depressie, een familiaire belasting, ondersteunen deze mening volgens Van Tilburg. De sociale problemen waar [appellant] mee kampt (verlies van zijn zaak en inkomen) en de slepende rechtszaak zijn als onderhoudende factoren voor de depressie aan te merken. Van Tilburg komt (antwoord op vraag g) tot een gemiddeld functieverlies voor de gehele mens van 4 (ernstig functieverlies). Een verbetering van de depressie behoort zeker tot de mogelijkheden (antwoord op vraag i).

8. Op grond van de beschikbare medische stukken, het feit dat [appellant] voorafgaande aan de beide aanrijdingen goed gezond was en de (concept)rapporten van neuroloog Boiten en psychiater Van Tilburg, is het hof van oordeel dat [appellant] in dit kort geding voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij als gevolg van de beide aanrijdingen zowel lichamelijk als psychisch letsel heeft opgelopen. Het enkele feit dat de artsen geen medisch substraat hebben gevonden voor de door [appellant] gestelde pijnklachten, brengt niet mee dat geen sprake zou zijn van letsel en/of van uit het letsel voortvloeiende beperkingen. Ook het causaal verband tussen het letsel en de beide aanrijdingen is op grond van de (concept)rapporten van neuroloog Boiten en psychiater Van Tilburg, welke rapporten steun vinden in de bevindingen en conclusies van de behandelend artsen, voldoende aannemelijk. Dat er sprake zou zijn van andere factoren dan de beide aanrijdingen die tot de gezondheidsklachten van [appellant] zouden hebben geleid, is in dit kort geding niet aannemelijk geworden.

9. Het hof acht de door Fortis tegen het rapport van neuroloog Boiten en (met name) het conceptrapport van psychiater Van Tilburg ingebrachte bezwaren, voorshands onvoldoende zwaarwegend om deze rapporten bij de beoordeling in dit kort geding buiten beschouwing te laten of hieraan minder waarde toe te kennen. Uit het rapport van neuroloog Boiten blijkt dat hij een aantal door Fortis naar aanleiding van zijn (concept)rapport gemaakte opmerkingen en gestelde vragen heeft beantwoord, doch dat dit hem niet tot een ander oordeel heeft gebracht. Ten aanzien van het conceptrapport van Van Tilburg wijst het hof er op dat het oordeel en de conclusies van Van Tilburg aansluiten bij het oordeel van de behandelend psychiater [T].

10. Het hof acht voldoende aannemelijk dat [appellant] als gevolg van zijn lichamelijke en (ernstige) psychische klachten zijn slagerij heeft moeten sluiten, waardoor hij inkomensschade heeft geleden. In het midden kan thans blijven hoe hoog deze inkomensschade precies is, nu [appellant] in dit kort geding slechts een (nader) voorschot op zijn schadevergoeding van € 20.000,- vordert en het hof op grond van de in het geding gebrachte schadeberekeningen van oordeel is dat voldoende aannemelijk is dat zijn schade een dergelijk nader voorschot in elk geval rechtvaardigt. [Appellant] heeft voldoende onderbouwd (producties bij memorie van grieven) dat zijn huidige financiële situatie zeer moeilijk is, en dat hij een spoedeisend belang heeft bij dit nadere voorschot. Weliswaar is het hof met de rechtbank van oordeel dat sprake is van een restitutierisico, inhoudende dat er een reële kans bestaat dat [appellant] indien hij in de bodemzaak de procedure zou verliezen de reeds aan hem betaalde voorschotten niet (geheel) kan terugbetalen, doch alles afwegende is het hof van oordeel dat de vordering van [appellant] moet worden toegewezen.

11. Het vorenstaande brengt mee dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen, en de vordering alsnog zal toewijzen. Fortis zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

12. Voor nadere bewijslevering acht het hof in dit kort geding geen plaats.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis in kort geding van de rechtbank Rotterdam van 15 maart 2007;

en opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt Fortis tot betaling aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting van een bedrag van € 20.000,- als nader voorschot op zijn schadevergoeding;

- veroordeelt Fortis in de kosten van het geding, aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg tot op 15 maart 2007 begroot op € 1151,31, waarvan € 335,31 aan verschotten en € 816,- aan salaris procureur, en in hoger beroep tot op heden begroot op € 3.858,31, waarvan € 384,31 aan verschotten en € 3.474,- aan salaris procureur;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en E.B. Rank-Berenschot en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.