Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC9226

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
11-04-2008
Zaaknummer
1403-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang met oudere kinderen. Ontzegging omgang voor onbepaalde tijd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 9 april 2008

Rekestnummers : 1403-H-07

Rekestnr. rechtbank : 05-7045

[appellante],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A. Steutel,

tegen

[verweerder],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. I.G.M. van Gorkum.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 september 2007.

De procureur van de vader heeft het hof bij brief van 14 februari 2008 laten weten dat hij en de vader niet ter terechtzitting zullen verschijnen. Voorts heeft de procureur van de vader bij deze brief het hof een aanvullend stuk doen toekomen, te weten een brief van 22 oktober 2007.

Op 19 maart 2008 is de zaak, tezamen met de zaak met rekestnummer 1265-H-06, mondeling behandeld. Verschenen is de advocaat van de moeder, mr. B.D.W. Martens. Hij heeft het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - bepaald dat de vader gerechtigd is de hierna te noemen minderjarigen bij zich te hebben van eenmaal per veertien dagen op zondag van 12.00 uur tot 17.00 uur.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarigen [geboren in 1990 en] 1994, ook gezamenlijk te noemen: de kinderen. De kinderen hebben hun gewone verblijfplaats bij de moeder. De moeder heeft het eenhoofdig gezag.

2. De moeder verzoekt het hof - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidende verzoekschrift van de vader alsnog af te wijzen en het overig of meer verzochte af te wijzen.

3. In de eerste grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kinderen een weerstand tegen de (omgang met de) vader vertonen waarvan de oorzaak niet te herleiden is. Volgens de moeder hebben de kinderen wel degelijk te kennen gegeven wat de oorzaak van hun weerstand tegen omgang met de vader is. Zij verwijst ter ondersteuning van haar standpunt naar het bemiddelingsgesprek dat tussen de kinderen en de vader door tussenkomst van de raad op 11 april 2007 heeft plaatsgevonden. De kinderen hebben tijdens dat gesprek verklaard dat bij hen de indruk bestaat dat de vader jaren niets van zich heeft laten horen en geen belangstelling en betrokkenheid heeft getoond en zelfs een afwerende houding heeft gehad op grond waarvan er nu geen interesse is het contact met hem te herstellen. Voorts heeft [het oudste kind] gezegd dat hij in zijn examenjaar zit en hij zich verder wil concentreren op school en over enig contactherstel niet wil nadenken. Bovendien zijn een aantal brieven van de kinderen overgelegd waaruit blijkt waarom zij geen contact met de vader willen hebben, aldus de moeder.

In de tweede grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen heeft vastgesteld. De moeder voert daartoe aan dat het gelet op de leeftijden van de kinderen lastig zal worden hen te dwingen tot omgang met de vader en dat dat van haar ook niet kan worden verwacht.

In de derde grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het van belang is dat de kinderen zich identificeren met een vaderfiguur en zich een eigen beeld vormen van hun vader zonder kleuring door echtscheidingsperikelen. De moeder stelt dat het beeld dat de kinderen van hun vader hebben niets te maken heeft met de echtscheiding, nu dat beeld reeds gevormd was ten tijde van het huwelijk. Immers, ten tijde van het huwelijk was de vader nimmer thuis en ondernam hij niets met de kinderen.

In de vierde grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij het als de verantwoordelijkheid van de moeder beschouwt zich open te stellen voor omgang en de kinderen te stimuleren tot de hervatting van het contact met hun vader. De moeder betoogt dat zij de kinderen juist wel stimuleert tot de hervatting van het contact met de vader, maar dat dit faalt omdat de vader geen enkele poging onderneemt tot contactherstel en de kinderen een weigerachtige houding aannemen.

In de vijfde grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de kinderen in een loyaliteitsconflict zitten en dat de moeder dit zal wegnemen door een positieve houding aan te nemen. Volgens de moeder staat zij wel degelijk positief ten opzichte van de omgang en doet zij hiervoor ook haar best.

In de zesde grief klaagt de moeder dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen contra-indicaties bestaan welke zich verzetten tegen een omgangsregeling. De moeder stelt dat er wel degelijk contra-indicaties bestaan nu de kinderen zelf hebben laten weten geen omgang te willen en de vader geen enkele toenadering tot de kinderen heeft gezocht.

Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder het hoger beroep toegelicht. Hij heeft gesteld dat het hoger beroep voor wat betreft de omgang tussen de vader en [het oudste kind] wordt ingetrokken. Het hoger beroep heeft thans nog betrekking op de omgang tussen de vader en [het jongste kind]. Voorts heeft de advocaat van de moeder gesteld dat nu de vader geen verweer heeft gevoerd in hoger beroep en er ook feitelijk geen omgang is met [het jongste kind], het hoger beroep gegrond moet worden verklaard.

4. Het hof overweegt als volgt.

5. Ter terechtzitting heeft de advocaat van de moeder het hoger beroep voor wat betreft de omgang tussen de vader en [het oudste kind] ingetrokken, zodat dit geen verdere bespreking meer behoeft.

6. Bij brief van 22 oktober 2007, welke de vader opnieuw aan het hof heeft doen toekomen op 15 februari 2008, heeft de vader te kennen gegeven dat hij zijn gevecht om een omgangsregeling staakt, nu door de jarenlange strijd tussen partijen om een omgangsregeling de aversie van de kinderen jegens hem alleen maar lijkt te zijn toegenomen. Hij respecteert daarmee de wens van de kinderen dat zij op dit moment geen contact met hem willen en er derhalve geen draagvlak is bij de kinderen voor een omgangsregeling. De vader meent dat rust en het leggen van het initiatief bij de kinderen wellicht verandering in de situatie kan brengen en verklaart dat, mochten zij contact met hem wensen, hij hen met open armen zal ontvangen.

Gelet hierop en gelet op de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting, is het hof van oordeel dat er aanleiding is de vader de omgang met [het jongste kind] te ontzeggen. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook vernietigen en de vader de omgang met [het jongste kind] voor onbepaalde tijd ontzeggen.

Het vooroverwogene laat onverlet dat de moeder, indien [het jongste kind] behoefte heeft aan contact met de vader, hem daartoe de ruimte zal dienen te geven en dit contact tot stand laat komen.

7. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de omgang betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader de omgang met [het jongste kind] voor onbepaalde tijd;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Van Nievelt en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Van der Kamp als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 april 2008.