Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8830

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
07-04-2008
Zaaknummer
C07/642
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen

Wetsverwijzingen
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 2
Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen 10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/366 met annotatie van Van der Voet
JIN 2008/309
AR-Updates.nl 2008-0248

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 07/642

Rolnummer rechtbank : 69433/ KG 07-70

arrest van de derde civiele kamer d.d. 2 april 2008

inzake

OVERKOEPELEND OVERLEG CLIËNTENRADEN,

gevestigd te Dordrecht,

appellante,

hierna te noemen: OOC,

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

STICHTING DE GROTE RIVIEREN,

gevestigd te Dordrecht,

geïntimeerde,

hierna te noemen: DGR,

procureur: mr. L.M. Bruins .

1. Het geding

Bij exploot van 29 mei 2007 is OOC in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 3 mei 2007. De conclusie van eis in hoger beroep van OOC is overeenkomstig de dagvaarding, in welk exploot - met één productie - zes grieven zijn aangevoerd en de vordering is gewijzigd. DGR heeft de grieven bij memorie van antwoord bestreden. OOC heeft bij akte nadere producties in het geding gebracht, waarop DGR bij antwoordakte - met producties - heeft gereageerd. Partijen hebben hun zaak doen bepleiten, OOC door mr. M. van Leeuwen-Scheltema, advocaat te Utrecht, en DGR door mr. J.B. Evenboer, advocaat te Dordrecht. Ter gelegenheid van de pleidooien heeft DGR nog twee producties in het geding gebracht. Vervolgens zijn de stukken - waaronder de pleitnotities - overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

2. Beoordeling van het hoger beroep

2.1 De door de rechtbank in haar vonnis onder 2.1-2.6 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof gaat van die feiten uit.

2.2 Tijdens de pleidooien is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat OOC - anders dan in de kop van het bestreden vonnis staat - geen vereniging is. Het hof heeft geen reden om daar anders over te oordelen.

Ondanks het ontbreken van rechtspersoonlijkheid kan OOC, mede gelet op het bepaalde in artikel 10, lid 2, en artikel 2, lid 5, van de Wet medezeggenschap cliënten zorginstellingen (verder: WMCZ), een vordering als de onderhavige instellen.

2.3 Het gaat in deze zaak in wezen om de vraag of DGR gerechtigd was om zich (i) in elk geval sedert 16 maart 2007, blijkens de brief van haar advocaat van die datum, op het standpunt te stellen dat OOC niet meer kon functioneren als cliëntenraad in de zin van de WMCZ, van de door DGR in stand gehouden instelling, en (ii) dienovereenkomstig te handelen.

2.4 Het hof beantwoordt die vraag op de navolgende gronden in bevestigende zin.

Vast staat dat de toenmalige voorzitter van OOC gelden van DGR oneigenlijk heeft gebruikt (ro 4.3 van het vonnis welke overweging in zoverre niet is bestreden). De bevindingen van een door DGR ingeschakeld accountantskantoor waren dat voor een bedrag van € 16.601,44 zogenoemde verantwoordingsdocumenten ontbraken (productie 9 van DGR). Tevens staat vast dat (de overige leden van) OOC heeft (hebben) beslist om de bedoelde persoon als voorzitter aan te houden, zij het onder de voorwaarde dat hij alle financiële zaken zou overdragen aan de penningmeester (brief van 21 november 2006, productie 8 van OOC; brief van 13 februari 2007, productie 13 van OOC). De verhoudingen tussen OOC en (het bestuur van) DGR zijn - zo moet voorshands op grond van de als zodanig niet bestreden in het geding gebrachte producties worden geoordeeld - in belangrijke mate als gevolg hiervan zodanig verslechterd dat een niet werkbare en onhoudbare situatie ontstond. Er is voorshands geen reden om te oordelen dat de genoemde slechte en onwerkbare verhouding in van betekenis zijnde mate aan organen van DGR kan worden toegerekend.

Onder de aangeduide omstandigheden heeft DGR zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat OOC wegens ernstig en duurzaam disfunctioneren niet langer in staat kon worden geacht de gemeenschappelijke belangen van de cliënten als bedoeld in artikel 2, lid 3, sub b, van de WMCZ te behartigen. Daarbij is door het hof in aanmerking genomen dat DGR niet lichtvaardig tot een dergelijk besluit mocht komen, aangezien de door de wetgever beoogde behartiging door cliëntenraden van de gemeenschappelijke belangen van cliënten heel wel tot meningsverschillen kunnen leiden tussen de zorgaanbieder - in dit geval DGR - en de cliëntenraad - in dit geval OOC - en het niet zo kan zijn dat de zorgaanbieder zich zonder goede grond van een hem onwelgevallige cliëntenraad kan ontdoen.

Dat de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen niet voorzag in een voortijdige beëindiging van de rol van OOC ontnam DGR onder de hiervoor aangeduide omstandigheden niet de bevoegdheid om te handelen zoals zij heeft gedaan.

2.5 Op grond van het voorafgaande was DGR jegens OOC ook vrij om zonder raadpleging van of overleg met OOC tot een nieuwe regeling op grond van de WMCZ te komen. De kritiek van OOC op die nieuwe regeling kan - ook als die kritiek gegrond is - niet tot toewijzing van enig onderdeel van de vordering van OOC leiden. De personen achter OOC kunnen zonodig ter bestrijding van die nieuwe regeling de weg van artikel 10, lid 2, van de WMCZ bewandelen.

OOC had onder de gegeven omstandigheden evenmin aanspraak op de gevorderde - kennelijk op een toekomstige herleving van haar rol gerichte - evaluatie.

2.6 De oorspronkelijke en de in hoger beroep gewijzigde vorderingen van OOC ontberen derhalve een genoegzame grondslag.

2.7 Partijen bleken het er tijdens de pleidooien over eens te zijn dat een proceskostenveroordeling ten laste van OOC - die geen rechtspersoonlijkheid heeft en niet over andere middelen beschikt dan die welke door DGR worden verstrekt - niet op zijn plaats is en dat het vonnis van de rechtbank op dat onderdeel dient te worden vernietigd.

2.8 Anders dan de rechtbank (ro 4.5) acht het hof, mede gelet op hetgeen hiervoor onder 2.2 werd overwogen, geen reden om te oordelen dat OOC in liquidatie verkeert en (om die reden) niet in haar vordering kan worden ontvangen. De vordering zal alsnog worden afgewezen.

3. Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

opnieuw recht doende:

wijst de vordering van OOC af;

compenseert de proceskosten van de beide instanties, in die zin dat elk der partijen de eigen proceskosten van de beide instanties draagt.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H.W. de Planque, J.A.van Kempen en A.G. Beets, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.