Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8665

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
C 06/186
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WOZ-taxaties

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 06/186

Rolnummer rechtbank : 04-2441

arrest van de derde civiele kamer d.d. 2 april 2008

inzake

HOLLAND RUITER HOLDING B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

appellante,

hierna te noemen: Holland Ruiter,

procureur mr. S.F. van der Valk,

tegen

AARA PROJECTS B.V.,

gevestigd te Nieuwleusen,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Aara,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 4 januari 2006 is Holland Ruiter in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Rotterdam in conventie en in reconventie tussen partijen gewezen vonnis van 2 november 2005. Bij memorie van grieven met producties heeft Holland Ruiter negen grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met producties heeft Aara de grieven bestreden.

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in het vonnis onder 1.1 tot en met 1.14 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Ook het hof zal daarvan uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, voorzover thans nog van belang, om het volgende:

Tussen Aara en Holland Ruiter is op of omstreeks 11 juli 2000 een overeenkomst gesloten tot het ter beschikking stellen van taxateurs door Aara voor de taxatie van onroerende zaken in het kader van de waardering van de onroerende zaken voor de Wet Waardering Onroerende Zaken (hierna: WOZ).

Wegens door taxateurs verrichte werkzaamheden vordert Aara pro resto een bedrag van € 45.361,73, met rente, buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.

Holland Ruiter betwist op diverse gronden gehouden te zijn dit bedrag te betalen, beroept zich op een opschortingsrecht en vordert in reconventie veroordeling van Aara tot vergoeding van door Holland Ruiter geleden schade, nader op te maken bij staat, eventueel te verrekenen met het in conventie toe te wijzen bedrag.

De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toegewezen en in reconventie afgewezen.

De tegen het bestreden vonnis gerichte grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Vakbekwaamheidseisen

3. Tussen partijen is niet in geschil dat de door Aara uit te lenen taxateurs dienden te voldoen aan hetgeen bepaald is in de Uitvoeringsregeling Vakbekwaamheidseisen Wet Waardering Onroerende Zaken, Stcrt 1995, 31, gewijzigd Stcrt 1997, 246.

Blijkens de als productie 1 bij inleidende dagvaarding overgelegde brieven van Aara aan Holland Ruiter zijn de heren [A], [B], [C], [D], [E], [F] en [G] WOZ-taxateur. Naar het hof begrijpt, deelt Aara hiermee aan Holland Ruiter mee dat de betreffende personen beschikken over de vakbekwaamheidseisen als omschreven in genoemde Uitvoeringsregeling. Holland Ruiter mocht op de juistheid van deze schriftelijke mededeling afgaan. De door Aara in eerste aanleg verdedigde stelling dat zij hiermee bedoelde dat deze personen aldus werden aangeduid omdat zij taxaties in het kader van de WOZ verrichtten, miskent dat deze gestelde bedoeling niet aanluit op de te verwachten gebruikelijke betekenis van deze term gezien de context van de tussen partijen gewisselde correspondentie, alsmede bezien tegen de achtergrond van de partijen bekende wettelijke regelingen.

Tussen partijen is niet in geschil dat het beschikken over deze vakbekwaamheid meebrengt dat de gewerkte uren in rekening gebracht kunnen worden naar het tarief van ƒ 95,-- per uur, ex BTW, zie productie 1 bij inleidende dagvaarding en productie 19 bij conclusie van antwoord. Het beschikken over een mindere mate van vakbekwaamheid leidt tot een lager uurtarief, hetgeen tussen partijen niet in geschil is.

4. Een fax van Aara aan Holland Ruiter d.d. 11 april 2001, productie 18 bij conclusie van antwoord, waarvan de inhoud onbetwist is, houdt onder meer in:

“…

Hierbij een overzicht van de kwalificaties van de medewerkers van aaRa Projects, die bij Holland Ruiter werkzaamheden hebben verricht ten behoeve van de wet WOZ:

De heer [C]: WOZ en SVM

De heer [A]: WOZ en een aantal deelcertificaten SVM

De heer [D]: WOZ io en SVM

De heer [B]: taxatiecursus agrarische objecten gevolgd aan het Groenhorstcollege. …”

Wederom ervan uitgaande dat met de aanduiding WOZ bedoeld wordt dat de betreffende persoon beschikt over de vakbekwaamheidseisen als omschreven in genoemde Uitvoeringsregeling, brengt een redelijke uitleg van deze fax mee dat naar eigen opgave van Aara de heren [D], die nog in opleiding is, en [B] niet beschikken over de door Aara toegezegde vakbekwaamheidseisen. Dit brengt mee dat hun werkzaamheden niet gedeclareerd mogen worden naar het hoge tarief, wat kennelijk wel gebeurd is gezien de bij de inleidende dagvaarding overgelegde facturen. Het hof zal Aara in de gelegenheid stellen zich bij akte ter comparitie uit te laten over de vragen in welke categorie indertijd hun vakbekwaamheid dient te worden ingedeeld en welk tarief daarvoor in rekening gebracht kan worden, alsmede daarvan bewijs over te leggen. Uiteraard zal Holland Ruiter zich daarover aansluitend kunnen uitlaten.

Over de vakbekwaamheidseisen van de heren [E], [F] en [G] is niets bekend. Aangezien Aara blijkens de als productie 4 bij inleidende dagvaarding overgelegde facturen betaling vordert naar het hoge tarief voor de door deze personen gewerkte uren, rust gezien de gemotiveerde betwisting van hun vakbekwaamheid ingevolge art. 150 Rv op Aara de last te bewijzen dat deze personen beschikken over de vakbekwaamheidseisen als omschreven in genoemde Uitvoeringsregeling. Het ligt in de rede dat dit bewijs bij geschrift geleverd kan worden. Het hof zal Aara in de gelegenheid stellen bij akte ter comparitie bewijs van de vakbekwaamheid van deze personen over te leggen. Uiteraard zal Holland Ruiter zich daarover aansluitend kunnen uitlaten.

Het hof merkt op dat zij in dit kader tevens nadere informatie wenst over de juistheid van de stelling van Aara, welke door Holland Ruiter betwist wordt, dat de projectleiders inzage hebben gehad in het curriculum vitae van de taxateurs, alvorens deze werden ingezet, zie inleidende dagvaarding randnummer 13 en memorie van antwoord randnummer 18. Het hof gaat daarbij uit van de veronderstelling dat behaalde diploma’s en relevante ervaring daarin vermeld zijn.

5. Het hof verwerpt het beroep van Aara op de verklaring van 22 mei 2001, overgelegd als productie 23 bij conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie, voor zover inhoudend dat het Holland Ruiter voornamelijk ging om het aantal taxateurs dat op korte termijn geleverd kon worden. In dezelfde verklaring wordt immers aangegeven dat namens Aara taxateurs werden voorgesteld en dat de kwalificaties naar eer en geweten gemeld werden. Het hof leidt hieruit af dat de wens van Holland Ruiter om zo spoedig mogelijk over taxateurs te beschikken niet betekende dat er geen aandacht was voor de kwalificaties van die taxateurs.

De door Aara gestelde omstandigheid dat de projectleiders van Holland Ruiter niet zelf WOZ-gekwalificeerd zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Het is bepaald niet ongebruikelijk dat managers wel beschikken over vaardigheden projecten te leiden, maar niet over voor dat project relevante vakinhoudelijke kennis.

Het verweer dat het de gemeenten zijn die verantwoordelijk zijn voor het voldoen aan de vakbekwaamheidseisen van de taxateurs miskent dat in de verhouding Holland Ruiter – Aara gaat om de vraag of Aara jegens Holland Ruiter is tekortgeschoten in op Aara rustende verplichtingen ingevolge de tussen hen gesloten overeenkomst.

Op het beroep van Holland Ruiter op dwaling respectievelijk bedrog door Aara zal in een later stadium van de procedure worden ingegaan.

Aantallen gewerkte uren

6. Holland Ruiter stelt dat teveel uren in rekening zijn gebracht, doordat ten onrechte lunchpauzes en reisuren zijn doorberekend. Aara betwist dit.

Uitgangspunt is dat het ingevolge art. 150 Rv aan Aara is te bewijzen dat zij gerechtigd is tot het in rekening brengen van de gefactureerde uren. De door Holland Ruiter voor akkoord ondertekende urenstaten leveren voorshands en behoudens tegenbewijs het bewijs dat de op die urenstaten vermelde uren gewerkt zijn en in rekening gebracht mogen worden.

Tegenbewijs komt evenwel eerst aan de orde indien Holland Ruiter heeft voldaan aan de op haar rustende stelplicht inzake de onjuistheid van de urenstaten.

7. Aara stelt dat Holland Ruiter het recht verwerkt heeft om zich te beroepen op de onjuistheid van de urenstaten doordat zij de urenstaten voor akkoord ondertekend heeft.

Dit verweer wordt verworpen.

Uitgangspunt is dat enkel tijdsverloop geen toereikende grond oplevert voor het aannemen van rechtsverwerking. Hiertoe is vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij Aara het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de Holland Ruiter zich niet meer zou beroepen op de onjuistheid van de urenstaten, hetzij de positie van Aara onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval Holland Ruiter daar alsnog een beroep op zou doen (HR 29.9.1995, NJ 1996, 89). Holland Ruiter heeft weliswaar de urenstaten telkens voor akkoord ondertekend, maar tijdens (mondelinge) contacten vanaf mei 2001 aangegeven dat een aantal uren onjuist is gedeclareerd, zie inleidende dagvaarding randnummer 10. Aangezien het aan Holland Ruiter is om ten aanzien van de op de urenstaten vermelde aantallen uren tegenbewijs te leveren, is geen sprake van een onredelijke benadeling of verzwaring van de positie van Aara.

Aantallen gewerkte uren - lunchpauzes

8. Wat betreft de lunchpauzes staat tussen partijen vast dat het aantal door Aara in rekening gebrachte uren gebaseerd is op door Holland Ruiter ondertekende urenstaten. Indien en voorzover deze urenstaten onjuist zouden zijn en ze ten onrechte voor akkoord zijn ondertekend, is het aan Holland Ruiter concreet en specifiek aan te geven welke urenstaten op welke punten niet kloppen. Als productie 3 bij memorie van grieven legt Holland Ruiter urenstaten en bijbehorende facturen over, waaruit volgens haar volgt dat de lunchuren zijn “geschreven” en doorberekend.

Het hof stelt vast dat op die urenstaten niet is aangegeven wat het aanvangstijdstip en eindtijdstip van de gewerkte uren is. Wel valt vast te stellen dat het aantal op de urenstaten als gewerkte uren aangegeven uren is doorberekend. Daarmee is nog niet bewezen dat lunchpauzes ten onrechte zijn doorberekend. Overeenkomstig haar aanbod zal Holland Ruiter worden toegelaten tot het bewijs dat ten onrechte op de als productie 3 bij memorie van grieven overlegde urenstaten de lunchpauzes “geschreven” zijn. Op de te gelasten comparitie van partijen zal het hof met partijen overleg plegen over deze bewijslevering (en de mogelijkheid dit te combineren met andere bewijsopdrachten).

Aantallen gewerkte uren - reistijd

9. Wat betreft de reistijd stelt Holland Ruiter dat afgesproken was dat indien de plaats waar men moest taxeren op een afstand lag van minder dan een half uur reizen (half uur heen, half uur terug), er sprake zou zijn van gewoon woon-werk verkeer. Eerst bij grotere reisafstanden kon er reistijd worden gedeclareerd tot een maximum van één uur per dag. Aara heeft ten onrechte automatisch één uur per dag aan reistijd gedeclareerd, aldus Holland Ruiter.

Aara betwist dat dat zij ten onrechte reistijd in rekening gebracht heeft en stelt dat afgesproken is dat bij overschrijding van één uur reistijd, maximaal één uur gewerkte tijd in rekening gebracht kon worden.

Wat er ook zij van de precieze inhoud van de gemaakte afspraken, naar het hof begrijpt staat tussen partijen vast dat eerst wanneer er op de heen- plus terugreis meer dan één uur gereisd werd tussen de woonplaats en de plaats waar taxaties verricht werden, de meerdere reistijd als gewerkte tijd in rekening gebracht mocht worden, met dien verstande dat daarbij een maximum van één uur gold.

10. Tussen partijen staat vast dat het aantal door Aara in rekening gebrachte uren reistijd gebaseerd is op door Holland Ruiter ondertekende urenstaten. In de urenstaten is een code ter specificatie van de uursoort opgenomen om aan te geven dat het gaat om reistijd.

Indien en voorzover deze urenstaten onjuist zouden zijn en ze ten onrechte voor akkoord zijn ondertekend, is het aan Holland Ruiter concreet en specifiek aan te geven welke urenstaten op welke punten niet kloppen.

Dit is enkel in de vereiste concrete en specifieke mate gebeurd in de mail van 6 juni 2006, productie 4 bij memorie van grieven.

In deze mail wordt evenwel niet verwezen naar de specifieke factuurnummers met onderliggende urenstaten. Het hof heeft daar wel behoefte aan. Met het oog hierop zal het hof Holland Ruiter in de gelegenheid stellen bij akte ter comparitie de betreffende facturen met onderliggende urenstaten, als bedoeld in de mail van 6 juni 2006, over te leggen. Uiteraard zal Aara zich aansluitend hierover kunnen uitlaten. Partijen dienen er rekening mee te houden dat nadere bewijslevering noodzakelijk kan zijn.

Aantallen gewerkte uren - productiviteit

11. Vervolgens komt aan de orde de vraag of tussen partijen bepaalde productienormen voor de taxateurs zijn afgesproken en of daaraan voldaan is. Holland Ruiter stelt dat deze normen bij de instructie aan de taxateurs zijn meegedeeld, productie 20 conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie. Doordat door de taxateurs niet aan deze normen (12-15 objecten per dag) voldaan is (slechts ongeveer 8 objecten per dag), zijn teveel uren in rekening gebracht.

Aara betwist dit gemotiveerd, voert onder meer aan dat dit nimmer zo afgesproken is en stelt dat zij op dit punt niet in verzuim is geraakt, omdat er geen ingebrekestelling is.

Dit laatste verweer wordt eerst bij memorie van antwoord gevoerd, vergelijk conclusie van repliek in conventie tevens conclusie van antwoord in reconventie randnummer19.

Het hof zal Holland Ruiter in de gelegenheid stellen zich op het punt van de ingebrekestelling nader uit te laten op de te gelasten comparitie van partijen en nodigt haar tevens uit bij die gelegenheid een schriftelijke ingebrekestelling inzake de te lage productiviteit over te leggen.

12. Uit een oogpunt van proces-economie overweegt het hof reeds thans als volgt. Achterblijvende productiviteit bij de taxatie-werkzaamheden kan een gebrek in de uitvoering opleveren dat zich in die zin voor herstel leent dat vanaf de ingebrekestelling wel voldaan wordt aan de productiviteitseis. Dit brengt mee dat een ingebrekestelling noodzakelijk kan zijn om verzuim voor de toekomst te doen intreden, afhankelijk van het moment waarop ontdekt is, dan wel redelijkerwijs ontdekt kon worden, dat de productiviteit achterbleef bij wat verwacht mocht worden. Indien een zodanige situatie voordoet en ingebrekestelling ontbreekt, is geen verzuim ingetreden en bestaat geen grond voor verlaging van het aantal gewerkte uren wegens achterblijvende productiviteit. Evenmin bestaat in dat geval op dit punt grond voor schadevergoeding als in reconventie gevorderd.

Indien wel een ingebrekestelling door Aara is ontvangen, zal bewijs van de gemaakte afspraak geleverd moeten worden. Productie 20 conclusie van antwoord in conventie tevens conclusie van eis in reconventie alleen levert onvoldoende bewijs van het gemaakt zijn van die afspraak op. De bewijslast terzake rust op Holland Ruiter. Tevens zal vast moeten komen te staan dat sprake is geweest van achterblijvende productiviteit, in welke mate dat het geval is geweest, hoeveel uur ten onrechte in rekening is gebracht en welke schade daardoor geleden is. Voorlichting door een of meer deskundigen ligt alsdan in rede. Op de te gelasten comparitie van partijen zullen partijen zich kunnen uitlaten over de eventueel te stellen vragen, de persoon van de deskundige(n) en de hoogte van het voorschot.

Aantallen gewerkte uren - herstelwerkzaamheden Aara

13. Holland Ruiter stelt dat Aara ten onrechte door haar uitgevoerde herstelwerkzaamheden in rekening heeft gebracht en verwijst daarbij naar de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde facturen en urenstaten.

Naar het hof begrijpt, gaat het om werkzaamheden welke aanvankelijk niet overeenkomstig de daaraan te stellen eisen zijn uitgevoerd, maar die nadien alsnog deugdelijk zijn verricht. Dat die werkzaamheden nadien alsnog deugdelijk zijn verricht, impliceert dat Aara, althans de betrokken taxateurs, zijn aangesproken door Holland Ruiter op de gebrekkigheid van de verrichte taxatie. Hiervan zal worden uitgegaan.

Indien ter herstel van ondeugdelijk uitgevoerde werkzaamheden nadien wederom taxatiewerkzaamheden zijn verricht, is Aara niet gerechtigd de gewerkte uren voor zowel de oorspronkelijke taxatie als voor de herstelwerkzaamheden in rekening te brengen. De last te bewijzen dat deze situatie zich voordoet, rust op Holland Ruiter.

Voor zover Holland Ruiter stelt dat deze situatie zich voordoet bij andere facturen en urenstaten dan die als productie 3 bij de memorie van grieven zijn overgelegd, is deze stelling onvoldoende geconcretiseerd en gespecificeerd. Aangezien in dit opzicht niet voldaan is aan de op Holland Ruiter rustende stelplicht, komt het hof niet toe aan bewijslevering op dit punt.

Wat betreft de als productie 3 bij memorie van grieven overgelegde urenstaten en facturen, ligt een deskundigenbericht in de rede. Met het oog hierop nodigt het hof Holland Ruiter uit leesbare urenstaten over te leggen. De thans in kopie overgelegde urenstaten acht het hof zeer slecht leesbaar. Het hof zal op de te gelasten comparitie met partijen overleg plegen over de te benoemen deskundige(n), de te stellen vragen en de hoogte van het voorschot.

Tekortkoming, schade en causaal verband

14. Holland Ruiter stelt dat zij door de gemeentes Haarlemmerliede-Spaarnwoude, Ronde Venen en Gaasterland is aangesproken vanwege de slechte kwaliteit van de taxaties en dat zij aan deze gemeentes, ter beperking van schade, creditnota’s heeft gestuurd ten bedrage van € 5.399,98, € 65.450,- en € 10.799,97. Met de gemeente Nuenen is Holland Ruiter gewikkeld in een arbitrageprocedure, omdat ook die gemeente ontevreden is. Voorts stelt Holland Ruiter schade te hebben geleden vanwege door haar uitgevoerde controle- en herstel werkzaamheden ad € 39.973,50. Deze schade is veroorzaakt vanwege de door Aara uitgeleende taxateurs, aldus Holland Ruiter.

Indien komt vast te staan dat de door taxateurs van Aara uitgevoerde taxaties niet hebben voldaan aan de daaraan te stellen eisen en dat daardoor schade is ontstaan, beroept Holland Ruiter zich in conventie met recht op een haar toekomend opschortingsrecht en verrekening en is in reconventie schadevergoeding toewijsbaar. De bewijslast terzake rust op Holland Ruiter.

De enkele omstandigheid dat taxateurs niet WOZ-gekwalificeerd zijn, betekent nog niet dat hun taxaties niet voldoen aan de daaraan redelijkerwijze te stellen eisen en dat daardoor schade is ontstaan voor Holland Ruiter. Teneinde vast te stellen dat de door taxateurs van Aara uitgevoerde taxaties in de genoemde gemeenten niet hebben voldaan aan de daaraan te stellen eisen ligt voorlichting door een of meer deskundigen in de rede. Het gaat daarbij om de taxaties waarvoor creditfacturen zijn gestuurd en hetgeen de grondslag van de arbitrageprocedure vormt. Dit brengt onder andere mee dat vastgesteld zal moeten worden welke van de bedoelde taxaties in de genoemde gemeenten door taxateurs van Aara zijn uitgevoerd en of die taxaties hebben voldaan aan de daaraan redelijkerwijze te stellen eisen (zie hierna). Voorts dient vastgesteld te worden of, en zo ja in welke mate, de door Holland Ruiter uitgevoerde herstelwerkzaamheden ad € 39.973,50 zijn veroorzaakt doordat de door taxateurs van Aara uitgevoerde taxaties niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen.

Het hof tekent bij het voorgaande aan dat de vraag of de taxateur tekortgeschoten is getoetst moet worden aan de norm of een redelijk handelend en redelijk bekwaam WOZ-taxateur in de omstandigheden van destijds tot een gelijke waardering van het te taxeren object zou zijn gekomen. In het kader van deze beoordeling dient tevens aandacht besteed te worden aan de bruikbaarheid van de referentieboeken die aan de taxateurs ter beschikking zijn gesteld en de juistheid en volledigheid van door werkvoorbereiders van Holland Ruiter ingevulde taxatiekaarten.

Op de te gelasten comparitie van partijen wenst het hof te vernemen of, en zo ja wanneer, Holland Ruiter aan Aara kenbaar heeft gemaakt dat uitgevoerde taxaties niet voldeden aan de daaraan te stellen eisen, dan wel of, en zo ja wanneer, Holland Ruiter Aara op dit punt in gebreke heeft gesteld. Indien dit niet heeft plaatsgevonden, wenst het hof nadere inlichtingen omtrent de redenen dat dit niet heeft plaatsgevonden. Voorts wenst het hof met partijen overleg te voeren over het administratieve voortraject, de te stellen vragen, de te benoemen deskundige(n) en de hoogte van het voorschot. Voorts wenst het hof een overzicht te ontvangen, waaruit aan de hand van voorhanden administratieve bescheiden blijkt welke taxaties in de genoemde gemeenten aanleiding hebben gegeven tot de creditfacturen, welke taxaties daarvan door taxateurs van Aara zijn uitgevoerd, en welke taxaties daarvan hebben geleid tot een gegrond bevonden bezwaarschrift. Wat betreft de hoogte van de schade wenst het hof te vernemen wat de uitkomst van de arbitrageprocedure met de gemeente Nuenen is.

creditfacturen

15. Tussen partijen staat vast dat Aara aan Holland Ruiter op 1 maart 2001 een creditfactuur heeft gezonden van ƒ 4.074,31 (inclusief BTW), productie 28 conclusie van repliek in conventie, tevens conclusie van antwoord in reconventie. Op de te gelasten comparitie van partijen wenst het hof van allereerst Holland Ruiter te vernemen of, en zo ja in welke mate, rekening is gehouden met deze creditfactuur bij het begroten van de gestelde schade.

afwijkende prijsafspraak taxateur [A]

16. Aara stelt dat door de vestiging Groningen van Holland Ruiter ten aanzien van [A] een afwijkende afspraak gemaakt is, in die zin dat afgesproken is voor hem een uurtarief van ƒ 80,- per uur zou gelden. Ten bewijze hiervan heeft Holland Ruiter als productie 5 bij memorie van grieven een gecorrigeerde bevestiging van de inzet van [A] overgelegd. Vast staat, zie productie 4 bij de inleidende dagvaarding, dat de door hem gewerkte uren tegen een tarief van ƒ 95,- per uur in rekening zijn gebracht.

Naar het oordeel van het hof levert de gecorrigeerde bevestiging alleen onvoldoende bewijs van de hoogte van afgesproken uurtarief van ƒ 80,- op, omdat daar niet uit blijkt dat Aara heeft ingestemd met dit tarief. Overeenkomstig haar aanbod zal Holland Ruiter worden toegelaten tot bewijslevering op dit punt. Op de gelasten comparitie van partijen zal het hof met partijen overleggen over de meest proces-economische wijze van bewijslevering.

17. Op de resterende geschilpunten zal in een later stadium van de procedure worden teruggekomen. Gelet op het voorafgaande ligt het in de rede dat na de comparitie nog bewijslevering en deskundigenbericht(en) noodzakelijk zijn. De vraag kan gesteld worden of partijen niet beter af zijn met een schikking om hun geschillen te beëindigen. De te gelasten comparitie van partijen zal mede gebruikt worden om te onderzoeken of daartoe mogelijkheden aanwezig zijn.

Beslissing

Het hof

alvorens verder te beslissen,

beveelt partijen, deugdelijk vertegenwoordigd door iemand die van de zaak op de hoogte is, vergezeld van hun raadslieden te verschijnen in het Paleis van Justitie alhier voor de raadsheer-commissaris mr. Schmitz op maandag 2 juni 2008 te 13.30 uur tot het verstrekken van inlichtingen als onder 4, 8, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 16 en 17 bedoeld en teneinde een vereniging te beproeven .

Dit arrest is gewezen door mrs. Th. W.H.E. Schmitz, M.A.F. Tan-de Sonnaville en

J.W.H. de Planque en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.