Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8655

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
02-04-2008
Datum publicatie
04-04-2008
Zaaknummer
C 07/889 (KG)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

roerende zaken; houderschap; bezit; bewijsvermoeden; verjaring.

artt 3: 107e.v.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector handel

Rolnummer : 07/889 (KG)

Rolnummer rechtbank : 58015/KG ZA 07-94

arrest van de derde civiele kamer d.d. 2 april 2008

inzake

STICHTING PEUTERSPEELZALEN THOLEN,

gevestigd te Tholen,

appellante,

hierna te noemen: SPT,

procureur: mr. A.H. Vermeulen,

tegen

1. [KLEUTERLEIDSTER 1],

wonende te [plaatsnaam], gemeente [X],

2. [KLEUTERLEIDSTER 2],

wonende te [plaatsnaam], gemeente [X],

geïntimeerden,

hierna te noemen [kleuterleidster 1] respectievelijk [kleuterleidster 2] en

tezamen te noemen [de kleuterleidsters],

procureur: mr. L.M. Bruins.

Het geding

De bij tussenarrest van 9 augustus 2007 bevolen comparitie van partijen is niet doorgegaan. SPT heeft vervolgens bij memorie van grieven vier grieven aangevoerd. Deze grieven zijn bestreden bij memorie van antwoord. Hierna hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank in r.o. 2 (2.1 en 2.2) vastgestelde feiten, die niet zijn betwist, vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt.

2. Het gaat in deze kort geding-zaak om het volgende.

(i) [de kleuterleidsters] zijn vanaf 1991 respectievelijk 1993 als kleuterleidster in dienst geweest van SPT, dan wel (tot 2002) van haar rechtsvoorgangsters.

(ii) Bij het einde van hun dienstverband (ongeveer halverwege 2007) hebben [de kleuterleidsters] spullen, die deels als speelmateriaal werden gebruikt in de peuterspeelzaal, mee genomen. Zij hebben SPT van hun voornemen daartoe bij brief van 4 mei 2007 op de hoogte gesteld, daarbij aangevend dat de betreffende spullen hun privé-eigendom waren.

3. SPT heeft zich op het standpunt gesteld dat de spullen haar eigendom zijn en heeft [de kleuterleidsters] in kort geding gedagvaard met een vordering (zakelijk weergegeven) tot afgifte van de spullen, vermeld op de bij inleidende dagvaarding als produkties 5 en 6 overgelegde lijsten, op verbeurte van een dwangsom, subsidiair tot betaling van € 5.753,66, met rente en kosten.

[de kleuterleidsters] hebben gemotiveerd betwist dat de betreffende goederen eigendom zijn van SPT en hebben gedetailleerd aangegeven op welke gronden zij van mening zijn dat de spullen van hen zijn. Daarnaast hebben zij aangegeven dat een deel van de hun in eigendom toebehorende spullen (droogloopmat, tuinslang, gordijnen en meetplank) nog in de peuterspeelzaal aanwezig is. Ook hebben zij de door SPT aangegeven waarde van de goederen gemotiveerd betwist.

De voorzieningenrechter in de rechtbank Middelburg heeft de vordering van SPT bij het thans bestreden vonnis van 10 juli 2007 afgewezen. SPT komt hier met haar grieven tegenop.

4. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

Tussen partijen is niet in geschil dat de eigendommen van de rechtsvoorgangster(s) van SPT, de voormalige werkgeefster(s) van [de kleuterleidsters], op haar zijn overgegaan. Voorshands is echter niet aannemelijk geworden dat de door [de kleuterleidsters] meegenomen goederen eigendom zijn van SPT. Het hof overweegt hiertoe, uitgaande van het beperkte toetsingskader van de kort geding-procedure, als volgt.

5. Het geschil gaat over speelmateriaal en functionele goederen (zoals vuilnisbakken). Vast staat dat de betreffende spullen in de peuterspeelzaal aanwezig waren. SPT dient op deze grond in beginsel als in ieder geval houder van deze spullen te worden aangemerkt. Het verdergaande bezit is voorshands echter niet aannemelijk geworden.

SPT heeft tegenover de gemotiveerde stellingname van [de kleuterleidsters] onvoldoende gesteld om de conclusie te dragen dat zij ook bezitter van deze goederen is geworden (dat SPT de goederen voor zichzelf heeft gehouden). [de kleuterleidsters] hebben immers onder 1 van hun pleitnota in eerste aanleg gedetailleerd (met bewijsstukken onderbouwd) aangegeven dat zij de spullen zelf hebben gekocht, cq. hebben verkregen van de werkgever van de echtgenoot van [de kleuterleidster 2], dan wel dat zij spulletjes van de dochter van [kleuterleidster 1] hebben gebruikt. Verder hebben zij aangegeven dat een aantal attributen, zoals het speelhuisje, is gemaakt door hun echtgenoten met materialen, die zij zelf hebben aangeschaft. SPT heeft het door haar gestelde eigendom en de wijze van verkrijging niet, althans onvoldoende concreet en specifiek met stellingen en bewijs onderbouwd.

In productie 8 bij deze pleitnota wordt nog aangegeven dat de verstrekking van het bedrag van € 10.000,-- uit het Koningin Julianafonds is gebruikt voor stoeltjes, tafeltjes en nog wat spulletjes. Er is geen enkele aanwijzing dat de stoeltjes en tafeltjes zijn meegenomen. Evenmin zijn er aanwijzingen dat [de kleuterleidsters] spullen hebben meegenomen, die zijn aangeschaft met geld uit dit fonds.

Niet kan worden aangenomen dat er sprake was van schenking., zie r.o. 6.

6. Hiermee is het bewijsvermoeden van artikel 3:109 BW genoegzaam weerlegd.

Het beroep op de verkeersopvattingen van artikel 3:108 BW gaat onder deze omstandigheden niet op. In dit verband wijst het hof er nog op dat [de kleuterleidsters] onbetwist hebben gesteld dat het in de branche gebruikelijk is dat leidsters onder meer met eigen meegebrachte spullen werken. Daarnaast heeft SPT niet voldoende onderbouwd op welke grond er sprake zou zijn geweest van een schenking. De omstandigheid dat [de kleuterleidsters] geld dat zij voor hun eigen verjaardag hebben gekregen hebben gebruikt om spullen voor de peuterspeelzaal te kopen levert zonder nadere toelichting, die ontbreekt, geen schenking aan SPT op.

De door [de kleuterleidsters] in eerste aanleg overgelegde verklaringen ondersteunen hun standpunt.

7. De conclusie van het voorgaande is dat voorshands moet worden aangenomen dat SPT altijd houder is gebleven van de spullen. Een houder kan niet door verjaring eigenaar worden. Het beroep van SPT op verjaring ex artikel 3:99 BW gaat dan ook evenmin op.

Nu een sterker recht van SPT niet aannemelijk is geworden heeft de voorzieningenrechter de vordering van SPT terecht afgewezen en SPT in de proceskosten veroordeeld. De grieven falen.

8. Voor de volledigheid wordt nog opgemerkt dat bovendien geen enkele rechtsgrond bestaat voor het terugvragen van spullen die nog aanwezig zijn (zie onbetwiste stelling terzake van [de kleuterleidsters] (vermeld in r.o. 3), terwijl van een spoedeisend belang ten aanzien van de subsidiaire vordering, waarvan de hoogte overigens eveneens gemotiveerd wordt betwist, in ieder geval niets is gebleken.

Het hof gaat voorbij aan het bewijsaanbod van SPT, en wel reeds op grond van het feit dat er voor bewijslevering in kort geding geen plaats is.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt SPT in de kosten van het hoger beroep, tot zover aan de zijde van [de kleuterleidsters] begroot op € 300,-- aan verschotten en € 894,-- aan salaris van de procureur;

- verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, Th.W.H.E. Schmitz, en J.A. van Kempen is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 2 april 2008 in aanwezigheid van de griffier.