Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8122

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-02-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
1428-D-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beheersbeleid en vrijheid t.a.v. onder bewind gesteld vermogen in relatie tot de machtigingsregeling per transactie. Uitleg van het stuk "Uitleg meerderjarigenbewind" als vastgesteld door Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK) van 26 april 2004.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 441
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2009/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 februari 2008

Rekestnummer : 1428-D-07

Rekestnr. rechtbank : BM VERZ 07-660

1. [De bewindvoerder],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

en

2. [de rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de rechthebbende,

procureur mr. L.Ph.J Baron van Utenhove.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de broer van de rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de broer van de rechthebbende.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De bewindvoerder is op 10 oktober 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 juli 2007 van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, locatie Dordrecht.

De broer van de rechthebbende heeft bij brief van 5 november 2007 het hof bericht dat hij geen verweer zal voeren in deze zaak en het eens is met het gestelde in het ingediende beroepschrift.

Op 6 februari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat, mr. L. de Groot, en de broer van de rechthebbende. De verschenen personen hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Dordrecht, sector kanton. Bij die beschikking heeft de kantonrechter een doorlopende machtiging verleend voor het beleggen en herbeleggen in aandelen/effecten op rekening [rekeningnummer] tot een bedrag van € 5.000,-- per transactie.

Het hof gaat uit van de door de rechter in eerste aanleg vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de aan de bewindvoerder verleende machtiging voor het beleggen en herbeleggen in aandelen/effecten tot een bedrag van € 5.000,-- per transactie ter zake van de onder bewind staande goederen van de rechthebbende.

2. De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat geen machtiging is vereist. De bewindvoerder heeft ter terechtzitting zijn beroep aangevuld in die zin, dat hij verzoekt na vernietiging te bepalen dat voor het beleggen en herbeleggen in aandelen/effecten conform de beleggingsformule ‘risico neutraal’ van de Rabobank geen machtiging is vereist.

3. De bewindvoerder stelt zich op het standpunt dat de doorlopende machtiging voor het beleggen en herbeleggen in aandelen/effecten tot een bedrag van € 5.000,-- per transactie die de kantonrechter heeft verleend onvoldoende is. De bewindvoerder voert daartoe aan dat deze machtiging, gezien de omvang van de doorgaans verrichte transacties en de korte termijn waarop moet worden gereageerd op koersbewegingen, te beperkt is en het vermogen van de rechthebbende niet ten goede komt. De bewindvoerder stelt voorts met zijn brief van 4 juli 2007 niet bedoeld te hebben om een dergelijk beperkte machtiging te verzoeken.

4. Ter zitting in hoger beroep heeft de bewindvoerder verklaard dat ter zitting van de kantonrechter van 14 juni 2007 ter benoeming van hem als bewindvoerder het belang ter sprake kwam dat hij in zijn hoedanigheid van bewindvoerder de beleggingsactiviteiten zou kunnen voortzetten die hij al ruim tien jaar ten behoeve van de rechthebbende en voor zover mogelijk in overleg met de rechthebbende voor haar ondernam. Nadat de bewindvoerder, op een daartoe strekkende vraag van de kantonrechter, had toegelicht dat hij deze beleggingsactiviteiten ondernam in nauw overleg met de Rabobank [plaats vestiging] en volgens het beleggingsprofiel ‘risico neutraal’, had de kantonrechter medegedeeld dat voor dergelijke activiteiten in dit geval geen machtiging is vereist. Nadien heeft de bewindvoerder de schriftelijke richtlijnen van de rechtbank Dordrecht aangaande bewindvoering toegezonden gekregen. Hieruit leek hem te volgen dat voor de (her)beleggingsactiviteiten van de bewindvoerder wel een machtiging is vereist. De bewindvoerder heeft daarop op 4 juli 2007 aan de kantonrechter een brief gestuurd waarin hij de discrepantie tussen de toegezonden richtlijnen en het besprokene ter zitting signaleert, alsmede verzoekt schriftelijk te bevestigen dat deze richtlijnen, in zoverre zij afwijken van de mededeling van de kantonrechter ter zitting, niet van toepassing zijn. De kantonrechter heeft daarop de bestreden beschikking afgegeven met daarin een doorlopende machtiging tot (her)belegging in aandelen/effecten op rekening [rekeningnummer] met een limiet van € 5.000,-- per transactie.

Het hof overweegt als volgt.

5. De brief van 4 juli 2007 voornoemd houdt, voor zover thans van belang, in:

“Met betrekking tot bijlage 6 (beleggingsportefeuille) wil ik nog het volgende opmerken: Ter zitting werd ons door de rechter o.a. medegedeeld dat volgens de richtlijnen voorafgaande toestemming nodig is voor aankopen boven de € 1000.

Door ons is daarop de vraag gesteld of dit ook geldt voor de beleggingsportefeuille die al gedurende vele jaren door de nu benoemde bewindvoerder wordt beheerd. Desgevraagd deelden wij mede dat het beheer van deze portefeuille in nauw overleg met de Rabobank [plaats vestiging] plaats vindt volgens het profiel “neutraal”. Over de inhoud van deze portefeuille wordt regelmatig overlegd en wanneer dit leidt tot transacties overschrijden die vrijwel altijd een bedrag van €1000. Desgevraagd deelde de kantonrechter ons toen ter zitting mede het in dit geval niet noodzakelijk te achten hiervoor steeds machtigingen aan te vragen.

Ik zie nu dat onder punt 4 van de richtlijnen echter vermeld staat dat voor beleggingen of herbeleggingen in b.v. aandelen of effecten machtiging van de kantonrechter nodig is.

Ik neem aan dat deze clausule in dit geval, gezien de uitspraak van de rechter ter zitting, niet van toepassing is.

Wellicht wilt u dit nog schriftelijk aan mij bevestigen.

(..)

Ik ga er vanuit u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd maar ben uiteraard gaarne bereid desgevraagd nader inlichtingen te verstrekken.”

6. Het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (hierna: LOK) heeft op 26 april 2004 ‘Aanbevelingen meerderjarigenbewind’ vastgesteld en deze gepubliceerd op 1 juni 2004, welke aanbevelingen volgens het medium www.rechtspraak.nl laatstelijk zijn aangevuld op 22 mei 2007.

Voor zover van belang, houden de aanbevelingen in:

B. Aanbevelingen omtrent de taken van de bewindvoerder

(..)

5. Voor beheershandelingen (het conserveren, normaal exploiteren en doelmatig beleggen van vermogen, waaronder ook valt: het binnen de grenzen van een door de kantonrechter goedgekeurd en hooguit gematigd defensief beleggingsplan wisselen van aandelen en obligaties) ten aanzien van de onder het bewind vallende goederen behoeft de bewindvoerder geen toestemming van de rechthebbende of machtiging van de kantonrechter.

De blijkens de stukken aan de bewindvoerder bij brief van 25 juni 2007 door de sector kanton, locatie Dordrecht, van de rechtbank Dordrecht toegezonden richtlijnen voor de bewindvoerder houden wat dit onderwerp betreft evenwel in: “(…) 4. (…) Voor beleggingen of herbeleggingen in bijvoorbeeld aandelen of effecten is wel machtiging van de kantonrechter nodig.” Het hof stelt dan ook vast dat de aan de bewindvoerder verstrekte richtlijnen in strijd zijn met de ‘Aanbevelingen meerderjarigenbewind’, waarvan bij de vaststelling is bepaald dat deze aanbevelingen landelijk, dus in alle kantonsectoren, tot uitgangspunt strekken, waarvan in bijzondere gevallen kan worden afgeweken.

7. Het hof constateert dat de kantonrechter ervan heeft afgezien van het verhandelde ter zitting van 15 juni 2007 een proces-verbaal op te doen maken, zodat het door de bewindvoerder gestelde over het (verdere) verloop van die zitting niet kan worden bevestigd, maar evenmin kan worden weerlegd.

8. Gegeven de hiervoor weergegeven aanbevelingen van het LOK en het verhandelde ter zitting op 14 juni 2007, heeft de kantonrechter voormelde brief van de bewindvoerder van 4 juli 2007 kennelijk, doch naar het oordeel van het hof in redelijkheid ten onrechte, opgevat als een verzoek om een doorlopende machtiging zoals bedoeld in artikel 1:441 derde lid van het Burgerlijk Wetboek, in plaats van als een verzoek tot goedkeuring van een (‘hooguit gematigd defensief’) beleggingsplan zoals is bedoeld in onderdeel B punt 5 van de aanbevelingen. Weliswaar gaat de brief van 4 juli 2007 van de bewindvoerder niet vergezeld van een als zodanig aan te merken beleggingsplan, doch gegeven de wetenschap van de kantonrechter dat de aanstaande bewindvoerder hem ter zitting van 14 juni 2007 had uiteengezet dat hij als bewindvoerder wenste voort te gaan met de beleggingsactiviteiten ten behoeve van de rechthebbende conform het beleggingsprofiel ‘risico neutraal’, een en ander zoals hij deze activiteiten reeds vele jaren ten behoeve van de rechthebbende voerde, heeft de kantonrechter naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet kunnen komen tot de door hem aan die brief gegeven uitleg en had de kantonrechter de bewindvoerder in de gelegenheid moeten stellen, zonodig schriftelijk toegelicht, het beleggingsplan ter goedkeuring aan hem voor te leggen.

9. Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking niet in stand zal kunnen blijven.

Om te voorkomen dat de bewindvoerder, na vernietiging van de bestreden beschikking, niet beschermd is tegen aansprakelijkstelling voor eventuele nadelige financiële gevolgen van zijn in het belang van de onder bewind staande effectenportefeuille verrichte beheershandelingen als bewindvoerder, zal het hof de behandeling van de zaak evenwel aanhouden teneinde de bewindvoerder in de gelegenheid te stellen met bekwame spoed alsnog onder verwijzing naar de ‘Aanbevelingen meerderjarigenbewind’ schriftelijk, onderbouwd met bescheiden, een hooguit gematigd defensief beleggingsplan ter goedkeuring aan de kantonrechter voor te leggen. Het hof gaat ervan uit dat de bewindvoerder binnen vier weken vanaf de datum van deze beschikking de beslissing van de kantonrechter bij het hof in het geding zal brengen, bij gebreke waarvan het hof de zaak in beginsel zonder verder gehoor zal afdoen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

stelt de bewindvoerder in de gelegenheid bij het hof tijdig binnen de bovenvermelde termijn de beslissing van de kantonrechter nog in het geding te brengen;

houdt de behandeling van de zaak daartoe pro forma aan tot zaterdag 29 maart 2008;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Bouritius en Punselie, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2008.