Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC8109

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-02-2008
Datum publicatie
08-04-2008
Zaaknummer
580-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie; Behoefte van de man en draagkracht vrouw.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 februari 2008

Rekestnummer : 580-H-07

Rekestnr. rechtbank : 04-6799

[De man],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.P.D. van Grondelle,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. W. Sluiter.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 april 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 30 januari 2007.

De vrouw heeft op 23 juli 2007 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 11 september 2007 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 26 juni 2007, 18 juli 2007 en 10 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 8 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 18 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. N.A. Pasveer. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 19 september 2005 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage. Bij de beschikking van 19 september 2005 is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en heeft de rechtbank de alimentatie voor de man ten laste van de vrouw met ingang van de dag dat deze beschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand tot 1 januari 2006 bepaald op € 318,- per maand en met ingang van 1 januari 2006 bepaald op € 154,- per maand. Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank – met wijziging van de beschikking van 19 september 2005 – onder meer de alimentatie voor de man ten laste van de vrouw met ingang van de datum van de beschikking bepaald op € 130,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de door de vrouw aan de man te betalen alimentatie, de behoefte en behoeftigheid van de man en de draagkracht van de vrouw.

2. De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betreffende de partneralimentatie en, opnieuw rechtdoende, alsnog te bepalen dat de vrouw met ingang van 30 januari 2007 tenminste € 430,- per maand zal bijdragen in de kosten van zijn levensonderhoud, dan wel een bijdrage en ingangsdatum te bepalen die het hof juist acht.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de man niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn verzoeken af te wijzen, al dan niet met verbetering en/of aanvulling van de gronden waarop de bestreden beschikking rust. Incidenteel verzoekt de vrouw het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor zover betreffende de partneralimentatie en alsnog te bepalen dat de door haar te betalen bijdrage in het levensonderhoud van de man met ingang van 30 januari 2007 op nihil wordt gesteld, subsidiair op een bedrag van € 70,- per maand wordt gesteld, dan wel een bijdrage en ingangsdatum te bepalen die het hof juist acht, kosten rechtens.

4. De man verzet zich daartegen.

5. In grief I van haar incidenteel appel betoogt de vrouw, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de door haar aangevoerde omstandigheden een afwijzing van het verzoek van de man om alimentatie niet rechtvaardigen. De vrouw voert hiertoe aan dat de man heeft voorgewend te lijden aan prostaatkanker. Uit een brief van een vertrouwensarts van 10 oktober 2005 volgt echter dat de man niet wordt behandeld tegen kanker, aldus de vrouw.

6. De man bestrijdt dat hij heeft voorgewend te lijden aan prostaatkanker. De man voert aan dat bij hem in het voorjaar van 2004 prostaatkanker is geconstateerd en hij hiervoor is behandeld. In oktober 2005 was de man vrij van kankercellen. Dit verklaart waarom in de door de vrouw aangehaalde brief van 10 oktober 2005 van zijn specialist staat vermeld dat hij op dat moment niet werd behandeld voor kanker.

7. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de door de vrouw aangevoerde omstandigheid niet rechtvaardigt dat de man zijn vordering wordt ontzegd. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne, nu er in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden.

Behoefte man

8. Het hof zal bij de bepaling van de hoogte van een eventuele alimentatie ten behoeve van de man en ten laste van de vrouw uitgaan van een (aanvullende) behoefte aan de zijde van de man van € 430,-, zoals vastgesteld in eerste aanleg. De man heeft tegen die vaststelling niet gegriefd en het hof zal dan ook geen acht slaan op de door de raadsvrouw van de man aan het slot van de mondelinge behandeling gemaakte opmerking dat sprake zou zijn van een hogere behoefte aan de zijde van de man.

Behoeftigheid man

9. In grief II van haar incidenteel appel betoogt de vrouw dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de man niet in staat is om op korte termijn zijn inkomen te vergroten en hij derhalve nog behoefte heeft aan partneralimentatie. De vrouw voert hiertoe aan dat uit de brief van UWV van 9 oktober 2006 volgt dat de man voor 65% tot 75% arbeidsgeschikt is met ingang van 30 november 2006 en hij, rekening houdende met de bij de man bestaande medische beperkingen, ongeveer 68% zou kunnen verdienen van hetgeen een aan hem gelijksoortige gezonde persoon zou kunnen verdienen. Gelet op de kennis en werkervaring van de man bezien in samenhang met de krapte op de arbeidsmarkt kan het voor hem geen probleem zijn passend werk te vinden.

10. De man voert aan dat hij bezwaar heeft gemaakt tegen de beslissing van UWV. De in deze brief vervatte conclusie met betrekking tot zijn arbeidsgeschiktheid is derhalve nog niet definitief. Voorts bestrijdt de man dat hij relevante kennis en werkervaring heeft.

11. Het hof is op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting van oordeel dat de rechtbank op goede gronden heeft overwogen dat de man nog immer behoefte heeft aan een aanvullende bijdrage van de zijde van de vrouw. Het hof neemt de gronden van de rechtbank over en maakt deze tot de zijne, nu er in hoger beroep geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangedragen die tot een andersluidend oordeel moeten leiden. Het hof heeft daarbij rekening gehouden met de ongegrondverklaring van het bezwaar van de man tegen het arbeidsgeschiktheidspercentage van 65% tot 75% zoals vastgesteld door UWV. Wel verwacht het hof van de man dat, indien hij binnen enkele jaren geen passend werk heeft gevonden, hij zich zal inspannen om met minder passend werk geheel in zijn eigen levensonderhoud te voorzien.

Draagkracht vrouw

12. Het hof gaat bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw uit van de inkomensgegevens zoals vastgesteld door de rechtbank in de bestreden beschikking, nu de vrouw, gelet op de van haar zijde in hoger beroep ingebrachte draagkrachtberekening, deze gegevens niet (langer) bestrijdt. Thans dient te worden bepaald welke lasten in mindering dienen te worden gebracht op het inkomen van de vrouw. De volgende lasten zijn in hoger beroep in geschil.

Aflossing hypotheek

13. De man betoogt dat de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de huwelijkse hypotheeklast van € 956,67. De man voert hiertoe ten eerste aan dat de vrouw een nieuwe hypothecaire lening heeft afgesloten en uit de door de vrouw overgelegde bankafschriften volgt dat de bijbehorende maandelijkse rentelast € 890,52 bedraagt. Voorts voert de man aan dat de vrouw zonder aantoonbare noodzaak extra geld heeft geleend door de oorspronkelijke hypothecaire geldlening op te hogen van € 250.000,- naar € 300.000,-. De man stelt zich op het standpunt dat uitsluitend de rente over € 250.000,- in mindering mag worden gebracht op de draagkracht van de vrouw.

14. Het hof zal uitgaan van een maandelijkse rentelast € 890,52, nu de vrouw in hoger beroep heeft erkend dat zij een nieuwe hypothecaire lening heeft afgesloten en de bijbehorende maandelijkse rentelast € 890,52 bedraagt. De vrouw heeft in beroep voorts met bescheiden aangetoond dat de hypothecaire geldlening thans, anders dan de man stelt, € 256.000,- bedraagt.

Premie levensverzekering

15. De man stelt zich op het standpunt dat met de premie levensverzekering geen rekening dient te worden gehouden, nu de vrouw niet met stukken heeft aangetoond dat zij deze premie nog betaalt.

16. Het hof zal geen rekening houden met de premie levensverzekering, nu de vrouw in hoger beroep heeft erkend dat zij niet langer de genoemde premie betaalt, omdat de daaraan gekoppelde levensverzekering met de wijziging van de hypotheek is komen te vervallen.

Aflossing UWV-schuld

17. De man is van mening dat de schuld van de vrouw aan UWV niet in de bepaling van haar draagkracht dient te worden betrokken. De man voert hiertoe primair aan dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij thans nog aflost op deze schuld. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat, indien de vrouw alsnog aannemelijk maakt dat zij aflost, zij deze aflossingen dient te voldoen uit haar vrije ruimte dan wel privé vermogen, nu zij voldoende tijd heeft gehad om te anticiperen op het terugbetalen van het teveel ontvangene.

18. Het hof houdt geen rekening met de schuld van de vrouw aan UWV, nu de vrouw, onder verwijzing naar een brief van UWV van 19 juli 2007, in hoger beroep heeft erkend dat zij niet langer hoeft af te lossen.

Boekengeld

19. De man stelt zich op het standpunt dat bij de vaststelling van de draagkracht van de vrouw al voldoende rekening is gehouden met de kosten van de kinderen en bovendien niet langer rekening dient te worden gehouden met boekengeld, nu de regering voornemens is boekengeld niet langer voor rekening van ouders te laten komen.

20. De vrouw wijst erop dat uitsluitend sprake is van een voornemen van de zijde van de regering. Vooralsnog is zij boekengeld van € 67,- per maand verschuldigd.

21. Het hof overweegt als volgt. Volgens het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ontvangen ouders van middelbare scholieren voor het schooljaar 2008/2009 voor iedere leerling € 308,- (belastingvrij). Dat is de gemiddelde prijs van een boekenpakket. Ouders kopen of huren dit jaar dus nog zelf de schoolboeken, maar krijgen daarvoor een financiële tegemoetkoming. Vanaf het schooljaar 2009/2010 gaat genoemde bijdrage naar de scholen. De scholen doen de inkoop en het lesmateriaal is vervolgens gratis voor ouders en leerlingen. Gelet op het vorenstaande zal het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw geen boekengeld in aanmerking nemen.

Kosten dieet

22. De vrouw stelt dat bij het vaststellen van haar draagkracht rekening dient te worden gehouden met de kosten die zij maakt in verband met haar dieet van gemiddeld € 116,- per maand, omdat die niet worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar.

23. De man betoogt primair dat deze kosten geen voorrang behoren te krijgen boven de reeds bestaande onderhoudsverplichting van de vrouw jegens hem, nu de vrouw de medische noodzaak om af te vallen niet heeft aangetoond. Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat deze kosten van tijdelijke aard zijn en als fiscale aftrekpost kunnen worden opgevoerd.

24. Het hof houdt geen rekening met de gestelde dieetkosten, nu de vrouw niet met stukken heeft onderbouwd dat zij deze kosten thans nog maakt.

Ziektekosten

25. De vrouw betoogt dat de rechtbank bij het vaststellen van haar draagkracht ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de kosten van de orthodontist van gemiddeld € 61,80 per maand, omdat die niet worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar.

26. De man betoogt dat de rechtbank terecht deze kostenpost heeft gepasseerd, nu de vrouw het structurele karakter ervan niet heeft aangetoond.

27. Het hof zal met de gestelde orthodontiekosten geen rekening houden, nu de vrouw niet heeft aangetoond dat zij deze kosten heeft gemaakt en evenmin aannemelijk heeft gemaakt dat deze kosten niet geheel of ten dele worden vergoed door de ziektekostenverzekeraar. Het hof zal derhalve uitsluitend de premie van € 132,78 per maand aan ziektekosten in aanmerking nemen.

Kosten psycholoog vrouw

28. De vrouw stelt dat zij vanwege de spanningen rond de echtscheiding tweemaal per maand onder behandeling staat van een psycholoog. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de niet vergoede kosten van € 97,50 per maand in mindering op haar draagkracht dienen te worden gebracht.

29. De man is primair van mening dat deze kosten geen voorrang dienen te krijgen boven de onderhoudsverplichting van de vrouw jegens hem. De man wijst erop dat partijen reeds in november 2003 uiteen zijn gegaan. Hij acht het dan ook moeilijk voorstelbaar dat de vrouw in verband met de scheiding geestelijke bijstand behoeft. Voorts stelt de man dat de vrouw een beroep had kunnen doen op gratis hulpverlening. Subsidiair bestrijdt de man de hoogte van de kosten en stelt hij zich op het standpunt dat met de kosten geen rekening dient te worden gehouden, nu zij tijdelijk van aard zijn.

30. Het hof houdt geen rekening met de gestelde kosten voor de psycholoog van de vrouw, reeds omdat de vrouw deze niet met stukken heeft onderbouwd.

Kosten psycholoog [jongste zoon]

31. De vrouw heeft in hoger beroep aangevoerd dat [naam jongste zoon], de jongste zoon van partijen, niet goed kan omgaan met de echtscheiding van partijen en om die reden onder behandeling is van een psycholoog.

32. Nu de vrouw de kosten voor de psychologische bijstand aan [de jongste zoon] met stukken heeft onderbouwd, de man de kosten niet heeft bestreden en het hof de kosten niet onredelijk acht, zal het hof deze in aanmerking bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw. Gelet op de omstandigheid dat ieder consult € 80,- kost, [de jongste zoon] tweemaal in de maand gaat en door de ziektekostenverzekeraar een bedrag van € 750,- per jaar wordt vergoed, zal het hof rekening houden met een bedrag van € 97,50 per maand.

Aflossing lening

33. De vrouw stelt dat zij ten behoeve van de advocaatkosten en de vervanging van haar cv-ketel een lening heeft moeten afsluiten. De maandelijkse aflossing van € 155,- op deze lening dient in mindering te worden gebracht op haar draagkracht.

34. De man bestrijdt dat het voor de vrouw noodzakelijk was ten behoeve van een nieuwe cv-ketel en haar advocatenkosten een lening aan te gaan. Hij voert hiertoe aan dat de vrouw een eigen vermogen heeft van € 50.000,- dat zij ter zake had kunnen aanwenden. Met de aflossingen op de lening dient dan ook geen rekening te worden gehouden.

35. Het hof houdt met de maandelijkse aflossingen op de lening geen rekening, nu de vrouw de noodzakelijkheid van het aangaan van deze lening niet heeft aangetoond.

Kosten huiswerkbegeleiding

36. De vrouw stelt dat [naam oudste zoon], de oudste zoon van partijen, behoefte heeft aan (aanvullende) huiswerkbegeleiding. De vrouw waardeert de hieraan verbonden kosten op € 310,- per maand.

37. Ter terechtzitting van het hof heeft de vrouw verklaard dat [de oudste zoon] sinds enige tijd geen huiswerkbegeleiding meer heeft via zijn school en thans op een wachtlijst staat voor huiswerkbegeleiding bij het studiecentrum. Gelet hierop zal het hof in dit stadium geen rekening houden met de gestelde kosten verbonden aan huiswerkbegeleiding.

38. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vrouw met ingang van 30 januari 2007 de door de man verzochte alimentatie van € 450,- per maand toelaat. Het hof houdt daarbij tevens rekening met de geldende heffingskortingen, de toepasselijke bijstandsnorm, een draagkrachtpercentage van 45% en is van oordeel dat dusdoende genoegzaam aan de overige bezwaren van de vrouw, met name dat zij hogere kosten heeft omdat de kinderen feitelijk tot haar gezin behoren, tegemoet is gekomen. Het hof acht het echter redelijk als ingangsdatum 1 januari 2008 te nemen, en de partneralimentatie tot 1 januari 2008 te bepalen op hetgeen in feite door de vrouw aan de man is betaald.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de alimentatie voor de man ten laste van de vrouw met ingang van 1 januari 2008 op € 450,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

stelt de aan de man tot 1 januari 2008 verschuldigde alimentatie vast op het bedrag dat de vrouw tot die datum in feite heeft betaald;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mos-Verstraten, Husson en Kamminga, bijgestaan door mr. van Elden als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 februari 2008.