Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7393

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-03-2008
Datum publicatie
25-03-2008
Zaaknummer
22-004918-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse feiten. Beroep op noodweerexces bij een mishandeling verworpen. Het hof acht de verklaringen van de aangeefster ter zake van verkrachting betrouwbaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-004918-07

Parketnummer(s): 10-660273-05, 10-661345-06 en

10-661002-05 (tul)

Datum uitspraak: 4 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 3 september 2007 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

thans verblijvende in PI Rijnmond - Gev. De IJssel te Krimpen aan den IJssel.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 19 februari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, zoals op de terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaardingen en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 4 en 5 primair en subsidiair tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissingen omtrent het inbeslaggenomene, de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer feit 7], wonende te [adres], en de vordering tenuitvoerlegging, als nader in het vonnis vermeld.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraken.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voorzover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Verzoeken raadsman ten aanzien van psychologisch onderzoek [slachtoffer feit 7] en deskundigenbenoeming

De raadsman heeft in de schriftuur houdende grieven verzocht om een onderzoek te gelasten naar de psychische gesteldheid van de aangeefster van de feiten 6 en 7 alsmede een onderzoek naar de bij- en wisselwerkingen bij het gebruik van de aan het slachtoffer voorgeschreven medicijnen in combinatie met slaappillen en alcohol. Deze verzoeken zijn gedaan omdat de raadsman twijfelt aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster.

Het hof wijst de verzoeken af. Het feit dat aangeefster lijdt aan schizofrenie en in verband daarmee medicatie krijgt is nog geen reden om aan de betrouwbaarheid van haar verklaringen te twijfelen. Zij heeft onmiddellijk na het gebeuren een buurvrouw benaderd die niets heeft verklaard over een verwarde geestesgesteldheid bij het slachtoffer. Voorts heeft het slachtoffer diverse consistente verklaringen afgelegd zowel bij de politie als bij de rechter-commissaris. De geloofwaardigheid van deze verklaringen wordt versterkt door de in het dossier aanwezige overige bewijsmiddelen.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:

hij op 24 januari 2006 te Capelle aan den IJssel met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, in een (winkel)pand gelegen op of aan [adres] heeft weggenomen vier, pakjes sigaretten, toebehorende aan [supermarkt], welke diefstal werd gevolgd van geweld tegen [de bedrijfsleider], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld bestond uit het

- wegduwen van die [bedrijfsleider] en

- zich uit de greep van die [bedrijfsleider] losrukken.

2:

hij op 22 januari 2006 te Capelle aan den IJssel opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [Z]), tegen het hoofd heeft gestompt, en een persoon (te weten [X]) tegen het hoofd heeft geslagen,

waardoor deze perso(o)n(en) letsel hebben/heeft bekomen en/of pijn hebben/heeft ondervonden.

3.

hij op 27 januari 2006 te Capelle aan den IJssel ter uitvoering van het doorverdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen een goed(eren) van zijn gading, toebehorende aan [Y] en zich daarbij de toegang tot die woning te verschaffen door middel van braak, doende is geweest een pui van die woning te forceren, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

6.

hij op 18 november 2006 te Rotterdam met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening in een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen vijfenveertig euro, en shag en een aansteker en strippenkaarten, toebehorende aan [slachtoffer feit 7], waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft door middel van braak en inklimming, te weten door een raam van dat pand te forceren en vervolgens door de aldus ontstane opening dat pand binnen te klimmen.

7.

hij op 18 november 2006 te Rotterdam door geweld en andere feitelijkheden iemand, te weten [slachtoffer feit 7], heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die

bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam, namelijk

- zijn, verdachtes, vingers brengen in de vagina van die [het slachtoffer] en

- zijn, verdachtes vingers heen en weer bewegen in de vagina van die

[het slachtoffer] en

- zijn, verdachtes penis brengen in de vagina van die [het slachtoffer] en

- zijn, verdachtes penis, heen en weer bewegen in de vagina van die [het slachtoffer],

het geweld en andere feitelijkheden hebben bestaan uit het

- die [het slachtoffer] naar haar slaapkamer brengen, en

- de benen van die [het slachtoffer] vastpakken en omhoogbrengen en uit elkaar spreiden en klem zetten, en

- aan die [het slachtoffer] toevoegen van de woorden:"ga op het bed liggen".

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Diefstal, gevolgd van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Mishandeling, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 3 bewezenverklaarde:

Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

Ten aanzien van het onder 6 bewezenverklaarde:

Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming.

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Verkrachting.

Strafbaarheid van de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep van 19 februari 2008 heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd dat de verdachte ter zake van het onder 2 tenlastegelegde een beroep op noodweerexces toekomt. Hij heeft daartoe aangevoerd dat de aangevers geluidsoverlast veroorzaakten. Toen de verdachte hen daarop aansprak, werd hij door aangever [Z] geslagen. De verdachte heeft zich hiertegen verweerd door aangever [Z] terug te slaan.

Het hof verwerpt het verweer. Vast staat dat het de verdachte was die in zijn irritatie over de door hem gestelde geluidsoverlast de confrontatie opzocht met aangevers. Gelet op die omstandigheid hecht het hof meer geloof aan de verklaringen van de beide aangevers dat de verdachte als eerste begon te slaan dan aan de andersluidende verklaring van de verdachte. Dit betekent dat er geen sprake was van een noodweersituatie. Nu geen noodweersituatie aanwezig wordt geacht, zal ook het beroep op noodweerexces worden verworpen. Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de diefstal van vier pakjes sigaretten uit een supermarkt. Toen de verdachte op heterdaad werd betrapt heeft hij de bedrijfsleider van die supermarkt weggeduwd en zich uit diens greep losgerukt. Daarnaast heeft de verdachte zich zonder noemenswaardige aanleiding schuldig gemaakt aan de mishandeling van twee mannen. Tevens heeft de verdachte gepoogd in te breken in een woning door een pui te forceren. Dit zijn hinderlijke feiten. Diefstal veroorzaakt doorgaans financiële schade. De mishandeling moet voor de slachtoffers niet alleen een pijnlijke maar ook een beangstigende ervaring zijn geweest.

Ten slotte heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan een woninginbraak waarbij hij geld, shag, een aansteker en strippenkaarten heeft weggenomen. Op het moment van de inbraak lag de bewoonster te slapen. De verdachte is naar haar kamer gegaan en heeft haar gewekt en vervolgens verkracht.

Met name dit laatste feit is een zeer ernstig feit. De verdachte is daarbij op gewelddadige en respectloze wijze opgetreden tegen het slachtoffer en heeft dusdoende haar lichamelijke en psychische integriteit op brute wijze aangetast. Het hof rekent de verdachte zwaar aan dat hij het slachtoffer in haar eigen woning, een plek waar zij zich bij uitstek veilig zou moeten voelen, heeft verkracht. Dat dit misdrijf een grote impact op het slachtoffer heeft gehad blijkt onder meer uit de schriftelijke slachtofferverklaring, gedateerd 14 augustus 2007. Haar gevoel van veiligheid is geheel verdwenen. Zij voelt zich in de nacht onveilig en durft niet te gaan slapen. Het is bekend dat slachtoffers van dit soort delicten vaak langdurig te lijden hebben van de tengevolge van deze delicten opgelopen trauma's en de daardoor veroor¬zaakte emotionele schade.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 11 februari 2008, is de verdachte meermalen veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een stuks ondergoed, kleur: wit, John Cabot, en een stuks plastic zakje, zullen worden teruggegeven aan de verdachte.

Ten aanzien van het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een stuks ondergoed, kleur: wit, John Cabot, zal het hof de teruggave gelasten aan verdachte.

Het inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp, te weten een stuks plastic zakje is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 7 bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurdverklaren.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer feit 7] zich via haar raadsvrouw mr. D. Koeslan-van Walsum, advocaat te Rotterdam, als benadeelde partij gevoegd en een vordering laten indienen tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 6 en 7 tenlastegelegde tot een bedrag van

EUR 7.500,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 7.500,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 5.000,-, en niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade

rechtstreeks verband houdt met de bewezenverklaarde feiten en dat derhalve de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade zich leent voor gedeeltelijke toewijzing. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van

EUR 5.000,-.

Voor het overige acht het hof de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in het onderhavige strafproces.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in haar vordering tot vergoeding van de geleden immateriële schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door de onder 6 en 7 bewezenverklaarde feiten is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 5.000,- ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer feit 7].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 15 juli 2005 onder parketnummer 10-661002-05 is de verdachte – voor zover hier van belang - veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f (oud), 45 (oud), 57 (oud), 242, 300 (oud), 310, 311 en 312 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep - voorzover aan het oordeel van het hof onderworpen - en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 6 en 7 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

4 (vier) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave van een stuks ondergoed, kleur: wit, John Cabot aan de verdachte.

Verklaart verbeurd een stuks plastic zakje.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer feit 7] tot een bedrag van

EUR 5.000,00 (vijfduizend euro)

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in haar vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, voorzover zij niet-ontvankelijk is in haar vordering tot schadevergoeding, deze vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met haar vordering heeft gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer,

[slachtoffer feit 7], van een bedrag van

EUR 5.000,00 (vijfduizend euro)

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 55 (vijfenvijftig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 15 juli 2005 onder parketnummer 10-661002-05 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden.

Dit arrest is gewezen door

mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. M.J. Bax-Luhrman en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier

mr. P.M. Tolen.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 4 maart 2008.