Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7375

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-03-2008
Datum publicatie
21-03-2008
Zaaknummer
22-002970-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Promis-arrest. Poging tot moord. Voorbedachte raad.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-002970-07

Parketnummer(s): 09-753742-06 en 09-535116-05 (TUL)

Datum uitspraak: 7 maart 2008

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 16 mei 2007 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

VERDACHTE,

geboren te geboorteplaats op geboortedag 1981,

thans verblijvende in de penitentiaire inrichting Zuid West, Locatie De Dordtse Poorten te Dordrecht.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

22 februari 2008.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1 primair en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest, met beslissing omtrent de vordering van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven. Voorts is de tenuitvoerlegging gelast van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage d.d. 3 juni 2005 opgelegde voorwaardelijke gevangenis-straf voor de duur van twee maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

BEWIJSOVERWEGING feit 1

I. De feiten

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van in het dossier aanwezige wettige bewijsmiddelen staat naar het oordeel van het hof het navolgende vast.

Op 15 september 2006 vraagt de verdachte, in aanwezigheid van Vriend B. vriend A., rond zes uur 's avonds aan [het slachtoffer] of hij cocaïne kan leveren en, zo ja, of hij cocaïne kan halen, opdat de verdachte de kwaliteit kan testen.1

Na een ontmoeting rond negen uur 's avonds tussen beiden, ontmoeten zij elkaar weer, met Vriend B. vriend A. erbij, en wil de verdachte van [het slachtoffer] een aantal grammen cocaïne afnemen.2

De verdachte laat weten de totale hoeveelheid in een keer af te willen nemen. [het slachtoffer] gaat daarom rond 22.00 uur meer cocaïne halen.3

De verdachte gaat met Vriend A. voornoemd naar verdachtes huis. De verdachte steekt daar een mes bij zich. Het betrof een groot mes, met een lemmet van circa twintig centimeter lang en circa vier centimeter breed.4 De verdachte zegt dan tegen Verdachtes vriendin, Vriend B. en Mw. C dat hij hem (het hof begrijpt [het slachtoffer]) zal steken en beroven.5 Vriend B. heeft de verdachte geantwoord met woorden in de trant van: "Als je het mes ronddraait, richt je meer schade aan."6 De verdachte zegt ook dat als hij (het hof begrijpt [het slachtoffer]) hem in de maling neemt of weer niets bij zich heeft, de verdachte in ieder geval een mes bij zich heeft.7

De verdachte zegt nog tegen Verdachtes vriendin woorden in de trant van: "Beter dat hij genoeg cocaïne bij zich heeft, anders maak ik hem af."8

De verdachte ontmoet [het slachtoffer] vervolgens rond 23.40 uur bij het Bona Ventura College te Leiden.9 Telkens wordt er van plaats gewisseld om de deal te sluiten. [het slachtoffer] geeft vervolgens te kennen van de transactie af te willen zien.10 De verdachte stapt bij [het slachtoffer] achterop de fiets en zegt welke kant [het slachtoffer] op moet fietsen. De verdachte wijst een plek aan langs de Singel tegenover het Plantsoen in Leiden, waar [het slachtoffer] stopt. [het slachtoffer] zet zijn fiets weg. De verdachte en [het slachtoffer] staan tegenover elkaar.11 De verdachte steekt [het slachtoffer] met het mes in de buik, onder de ribben.12 De verdachte pakt de cocaïne van [het slachtoffer] en gaat weg.13

De verdachte belt daarna Verdachtes vriendin op.14 Verdachtes vriendin zegt na dit gesprek tegen Vriend B. en Mw. C dat hij het heeft gedaan en begint te huilen. Mw. C raakt over haar toeren en zegt dan: "Die kankerlijer heeft het echt gedaan." Na ongeveer twintig minuten komt de verdachte aanlopen en is zichtbaar opgefokt; hij heeft een kwade blik in zijn ogen en loopt met zijn borst vooruit. Vriend B. hoort de verdachte dan zeggen: "Ik heb het gedaan."15

Vervolgens gaat de verdachte met Vriend B., Verdachtes vriendin en Mw. C naar zijn huis terug. Eén van de daar aanwezigen, genaamd Mw. D, vraagt aan de verdachte wat hij heeft gedaan. De verdachte zegt haar daarop dat hij hem in de maag heeft gestoken en heeft rondgedraaid.16

Het mes wordt in het vuur van het gasfornuis gehouden. De verdachte gebruikt vervolgens met vrienden de cocaïne die [het slachtoffer] had meegenomen.17 Een aantal van de vrienden wil later die avond nog gaan stappen. Voordat zij het huis verlaten, zegt de verdachte hen nog dat zij hun smoel moeten houden.18

De volgende dag komen de vrienden allemaal, op E en F na, om 20.00 uur naar de Houtkamp in Leiderdorp, omdat de verdachte dat hen gevraagd had. Aldaar geeft de verdachte instructies over wat een ieder moet verklaren over de avond van 15 september 2006.19 De verdachte heeft voor iedereen al een plan gemaakt wat hij of zij moet zeggen.20 De verdachte zegt daarbij tegen de groep dat hij die jongen heeft gestoken voor de snuif die hij wilde hebben, of woorden van gelijke strekking.21

De steekwond heeft bij [het slachtoffer] letsel van lever, maag, alvleesklier en linker nier veroorzaakt; de linker nier moest worden verwijderd.22

II. Voorbedachte raad en opzet

a. Standpunt verdediging: geen voorbedachte raad

De raadsman van de verdachte heeft betoogd dat de verdachte niet met voorbedachte raad heeft gehandeld. De raadsman heeft dan ook vrijspraak van het onder 1 primair tenlastegelegde bepleit.

Met betrekking tot hetgeen de verdachte met anderen tevoren en erna zou hebben uitgewisseld, ontkent de verdachte - primair - die woorden te hebben gezegd. Subsidiair verklaart de verdachte dat hij zoiets niet heeft gezegd om het ook waar te maken; hij had wel vaker een grote mond en daar werd door anderen nooit enige betekenis aan toegekend.

De raadsman heeft bepleit dat de verklaring van Vriend A. niet voor het bewijs kan worden gebezigd, omdat niet uitgesloten kan worden dat Vriend A. een vriend van [het slachtoffer] is, waardoor zijn verklaring mogelijk zou zijn beïnvloed. Bovendien wordt hetgeen de verdachte volgens Vriend A. in de woning tegen Vriend B., Verdachtes vriendin en Mw. C heeft gezegd toen hij het mes bij zich stak, door geen van drieën beaamd. Daarnaast noemt de raadsman dat de verklaring van Vriend B. over het steken en daarna in het lijf ronddraaien van het mes in ieder geval niet serieus bedoeld is geweest. Uit die verklaringen kan niet worden afgeleid dat de verdachte toen al het plan had postgevat om [het slachtoffer] te doden, aldus de raadsman.

b. Overwegingen hof m.b.t. voorbedachte raad en opzet

Door de verdediging is naar voren gebracht dat de verdachte weliswaar erkent [het slachtoffer] ernstig te hebben verwond door hem met een mes te steken, maar ontkent met voorbedachte rade te hebben gehandeld. De verdachte stelt gespannen en paranoïde te zijn geweest door het gebruik van alcohol, XTC en cocaïne. Hij wilde graag cocaïne verkrijgen, maar daarvoor zou hij nooit iemand hebben gedood. Dat het zover is gekomen was een gevolg van de opgelopen spanning door het steeds mislukken van de levering, en de plotselinge greep van [het slachtoffer] naar zijn binnenzak. Daardoor, aldus de verdachte, heeft hij in paniek zijn mes gepakt en gestoken in de maagstreek van [het slachtoffer].

Het hof is van oordeel dat de beschrijving die de getuigen geven van de gemoedstoestand van de verdachte erop neerkomt dat verdachte bij zijn laatste vertrek uit de woning obsessief gefixeerd was op de verkrijging van de door hem bestelde cocaïne, en dat hij geen enkel uitstel of uitvlucht meer zou dulden. Een rol speelde bovendien dat de verdachte zich niet door enige poging van [het slachtoffer] om hem, verdachte, te benadelen zou laten weerhouden de gewenste hoeveelheid cocaïne te verkrijgen. In deze toestand heeft de verdachte een mes bij zich gestoken - vergezeld van raadgevingen over effectief gebruik ervan - dat door zijn afmetingen geschikt was iemand dodelijk te verwonden.

Deze mate van geladenheid en vastbeslotenheid, in combinatie met het mes, laat geen andere conclusie toe dan dat de verdachte bereid was om tegen elke weerstand in, en dus tot elke prijs, zijn cocaïne te verwerven. Hij was kennelijk op alles, ook het meest ingrijpende, voorbereid.

De verdachte heeft na veel uitstel en bijna afstel van de levering van de cocaïne [het slachtoffer] daadwerkelijk gestoken met het mes. Blijkens de geneeskundige verklaring is sprake van één toegebrachte steekwond, niet meerdere. Van algemene bekendheid is dat de maag, de linker nier, de alvleesklier en de lever zich op relatief grote afstand van elkaar in de buikholte bevinden. De conclusie moet dan ook zijn dat de verdachte [het slachtoffer] eerst heeft gestoken en daarna het mes in de buikholte heeft rondgedraaid, zoals tevoren en daarna besproken. Hij heeft daarmee naar het oordeel van het hof uitgevoerd waartoe hij bereid was en waarop hij zich had voorbereid. De minste handeling van [het slachtoffer], die hij, verdachte, als weerstand interpreteerde, was voldoende om de voorbereide daad in gang te zetten.

Het hof is op grond van deze gang van zaken van oordeel dat de verdachte met voorbedachte raad en na kalm beraad en rustig overleg heeft gehandeld.

Hij heeft de tijd gehad zich te beraden op het genomen besluit, zodat de gelegenheid heeft bestaan dat hij over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad heeft nagedacht en zich daarvan rekenschap heeft gegeven.

Het hof heeft kennisgenomen van het standpunt van de verdachte dat hij zonder invloed van alcohol en harddrugs nooit op een dergelijke wijze in paniek zou zijn geraakt en zou hebben gehandeld. Het hof verwerpt dit verweer. De verdachte was al vele jaren bekend met regelmatig gebruik van grote hoeveelheden van deze middelen, en kende uit eerdere ervaringen de mogelijk gevaarlijke invloed die ze konden hebben op zijn emotionele stabiliteit. Het hof is van oordeel dat een zelfgekozen overmatige beneveling aan handelingen, die naar hun uiterlijke verschijning als met voorbedachte raad zijn verricht, dat karakter daaraan niet kan ontnemen.

Conclusie feit 1

Al het voorgaande in onderlinge samenhang beschouwend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair tenlastegelegde poging tot moord op [het slachtoffer] heeft begaan, op de wijze als in de hierna opgenomen uitgestreepte bewezenverklaring is omschreven.

BEWIJSOVERWEGING feit 2

Gelet op het feit dat de verdachte bij zijn aanhouding op 4 juni 2006 te Leiden in zijn bezit was van een zilverkleurig op een echt gelijkend vuurwapen23, alsmede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte24, acht het hof bewezen dat de verdachte op 4 juni 2006 te Leiden een op een echt gelijkend vuurwapen voorhanden had.

Blijkens het aan dat wapen verrichte wapenonderzoek25 betreft het een veerdrukpistool, dat qua vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. Naar het oordeel van het hof is dan ook bewezen dat de verdachte hiermee in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet Wapens en Munitie heeft gehandeld, begaan met betrekking tot een wapen van categorie I.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het onder 1 en 2 bewezenverklaarde heeft begaan op de redengevende feiten en omstandigheden die in de bovengenoemde bewijsoverweging zijn vervat, op grond van de daarbij in de voetnoten als bewijsmiddelen vermelde ambtsedige processen-verbaal en geschriften.

Verweer verdachte: noodweer/putatief noodweer

De verdachte heeft zich met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde erop beroepen dat hij als gevolg van een onmiddellijke gemoedsbeweging [het slachtoffer] heeft gestoken en dat dit geenszins een vooropgezet plan betrof. De gemoedsbeweging zou zijn ingegeven doordat (1) [het slachtoffer] mogelijk een kennis was van degene die hem eerder die week bedreigd had, althans hem een wapen had getoond, en (2) de deal eerder die dag telkens niet doorging, waardoor de verdachte argwanend werd. Toen [het slachtoffer] zijn hand in de binnenzak van zijn jas stak, dacht de verdachte daardoor onmiddellijk dat het slachtoffer naar een vuurwapen greep en wilde hij hem vóór zijn door hem met zijn mes te steken. Mogelijkerwijs heeft de XTC-pil die de verdachte die dag had ingenomen eraan bijgedragen; de verdachte had eerder ervaren daarvan paranoïde te worden.

Voor zover de verklaring van de verdachte dient te worden opgevat als een beroep op noodweer dan wel putatief noodweer, overweegt het hof dienaangaande het volgende.

Van aanwezigheid van enig wapen bij [het slachtoffer] is niet gebleken. [het slachtoffer] heeft verklaard dat hij ter plekke de negentien zakjes cocaïne nog voor de verdachte stond na te tellen, dat hij de verdachte toen opvallend stil vond, dat de verdachte hem toen zijn rug toedraaide en hem vervolgens, bij het terugdraaien, opeens met een mes in de buik stak.26 Mede in het licht van het door het hof bewezenverklaarde, acht het hof het dan ook onaannemelijk dat de verdachte uit (al dan niet irreële) angst - en derhalve mogelijkerwijs uit (al dan niet putatief) noodweer - aldus heeft gehandeld.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde:

Poging tot moord.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Van verminderde toerekeningsvatbaarheid bij de verdachte ten tijde van het plegen van het onder 1 bewezenverklaarde, is noch uit het omtrent de persoon van de verdachte opgemaakte rapport, noch uit hetgeen door en namens de verdachte ter terechtzitting naar voren is gebracht gebleken. De verslavingsproblematiek waarin de verdachte verkeerde en waaraan hij naar eigen zeggen geen weerstand kon bieden, had hij zelf eerder een halt moeten toeroepen. Er is dus geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Wel betrekt het hof een en ander in de omstandigheden waaronder de verdachte het onder 1 bewezenverklaarde feit heeft begaan.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair en onder 2 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Teneinde grammen cocaïne kosteloos te bemachtigen, heeft de verdachte [het slachtoffer] met een groot mes diep in de buik gestoken en het mes rondgedraaid. Vervolgens heeft de verdachte zich uit de voeten gemaakt en die [het slachtoffer] aan zijn lot overgelaten. [het slachtoffer] heeft deze steekwond slechts overleefd doordat hij snel door voorbijgangers werd gevonden en doordat er vervolgens snel medisch werd ingegrepen. [het slachtoffer] heeft hieraan evenwel fors, deels blijvend, letsel aan verschillende ingewanden opgelopen.

Dergelijk geweld veroorzaakt bovendien gevoelens van geschoktheid en onveiligheid in de maatschappij.

Drie maanden eerder liep de verdachte met een op een vuurwapen gelijkend veerdrukpistool op straat rond; een gedraging waarvan de verdachte zich eveneens had behoren te weerhouden.

Blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 13 november 2007 is de verdachte reeds meermalen voor strafbare feiten, waaronder een poging tot zware mishandeling, tot straffen veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Mede gelet op straffen die bij soortgelijke feiten worden opgelegd en verdachtes forse verslavingsproblematiek toentertijd, acht het hof een lagere gevangenisstraf op z'n plaats dan door de rechtbank is opgelegd en door de advocaat-generaal is gevorderd.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van acht jaren een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [het slachtoffer] - in rechte in hoger beroep vertegenwoordigd door mr. H. Sytema - zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 5.490,=.

De vordering is in hoger beroep aan de orde tot het in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De vordering is door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep niet betwist.

De vordering tot vergoeding van geleden materiële schade ten bedrage van EUR 400,= zal worden toegewezen, nu de schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte onder 1 bewezenverklaarde.

Het hof begrijpt uit de vordering van de benadeelde partij met betrekking tot geleden immateriële schade, dat het thans in deze procedure gevorderde bedrag een deel betreft van de totale geleden immateriële schade.

Naar het oordeel van het hof is aannemelijk geworden dat er immateriële schade is geleden, dat deze schade rechtstreeks verband houdt met het onder 1 bewezenverklaarde feit en dat de thans gevorderde vergoeding van zo eenvoudige aard is dat zij zich leent voor behandeling in het strafgeding. Dat deel van de vordering van de benadeelde partij ter zake van de geleden immateriële schade leent zich dan ook voor toewijzing. Het hof zal naar maatstaven van billijkheid een bedrag toekennen van EUR 5.000,=.

Voor het overige is de vordering niet van zo eenvoudige aard dat zij zich leent voor behandeling in dit strafgeding. Voor dat deel wordt de benadeelde partij niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. Zij kan die vordering slechts aanbrengen bij de burgerlijke rechter.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op EUR 90,=, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 5.400,= ten behoeve van het slachtoffer [het slachtoffer].

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 juni 2005 onder parketnummer 09-535116-05 is de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan twee maanden voorwaardelijk, met bevel dat het voorwaardelijk deel van die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van twee jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf, op grond dat de verdachte de hiervoor bedoelde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd.

In hoger beroep is komen vast te staan, dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers de in de onderhavige strafzaak bewezenverklaarde feiten begaan, terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken.

De vordering van het openbaar ministerie tot tenuitvoerlegging van die niet-tenuitvoergelegde straf is derhalve gegrond.

Het hof zal daarom de gevorderde tenuitvoerlegging gelasten.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57 en 289 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13 en 55 van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [het slachtoffer] tot het gevorderde bedrag van

EUR 5.400,00 (vijfduizend vierhonderd euro),

en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige - met betrekking tot zijn vordering ter vergoeding van geleden immateriële schade - niet ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat de benadeelde partij, voor zover hij niet-ontvankelijk is in zijn vordering ter vergoeding van geleden immateriële schade, deze vordering in zoverre bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partij in verband met zijn vordering heeft gemaakt -welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op EUR 90,= - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [het slachtoffer], van een bedrag van

EUR 5.400,00 (vijfduizend vierhonderd euro),

voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 57 (zevenenvijftig) dagen,

met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer en omgekeerd.

Wijst de vordering tot tenuitvoerlegging toe en gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van de politierechter in de rechtbank te 's-Gravenhage van 3 juni 2005 onder parketnummer 09-535116-05 opgelegde voorwaardelijke straf, te weten een gevangenisstraf voor de duur van

2 (twee) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. H.W.J. de Groot en mr. J.C.F. van Gelder, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Daino-Postma.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 maart 2008.

Mr. H.W.J. de Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie, d.d. 25 september 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 75 e.v. in het dossier, inhoudende de tegenover hem gedane aangifte door [het slachtoffer].

2 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, p. 77): 10 gram. De verdachte verklaart tegenover de politie en ook ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep dat hij 6 gram wilde afnemen. Teneinde zeker te weten dat [het slachtoffer] genoeg bij zich zou hebben en onderweg aan anderen niet teveel zou verkopen, had hij [het slachtoffer] evenwel opgedragen om 10 gram te halen. Het hof laat in het midden of de verdachte uiteindelijk zes of tien gram van die bestelde 10 gram wilde afnemen, omdat dit geen rechtens relevant verschil in het navolgende maakt.

3 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, p. 77).

4 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep van 22 februari 2008.

5 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie, d.d. 26 september 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 91 in het dossier, inhoudende de tegenover hem afgelegde verklaring van vriend A. (roepnaam Vriend A.).

6 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 1 november 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 114 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van Mw. D. (roepnaam Mw. D); en: Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 28 september 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 103 bovenaan in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van Vriend B. (roepnaam Vriend B.).

7 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 25 september 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 84 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van Mw. C.

8 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 14 november 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 128 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van Verdachtes vriendin.

9 Het proces-verbaal van politie, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 21 september 2006, nr. PL1645/06-179340, op p. 69 in het dossier, inhoudende de tegenover hen afgelegde verklaring van de verdachte.

10 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, op p. 79 bovenaan: hij wilde afzien van de deal - op p. 78: telkens van plaats wisselen).

11 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, p. 79); en: De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 22 februari 2008.

12 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, p. 79); en: De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 22 februari 2008.

13 De aangifte van [het slachtoffer] (zie noot 1, p. 79 onderaan); en: De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 22 februari 2008.

14 Verklaring van Vriend B. (noot 6, p. 104, 2e alinea: "(...) zag ik dat Verdachtes vriendin werd gebeld. Ik begreep dat Verdachte haar had gebeld." en: Verklaring van Verdachtes vriendin (noot 8, p. 128 onderaan): "Ik ben inderdaad door Verdachte gebeld."

15 Verklaring van Vriend B. (noot 6, p. 104) - cursivering hof.

16 Verklaring van mw. D. (noot 6, p. 113).

17 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep op 22 februari 2008.

18 Verklaring van Vriend B. (noot 6, p. 105).

19 Verklaring van Vriend B. (noot 6, p. 105) en de verklaring van vriend A. (noot 5, p. 91 onderaan (i.v.m. datum) en p. 92 bovenaan).

20 Verklaring van Vriend B. (noot 6, p. 105).

21 Verklaring van vriend A. (noot 5, p. 92). Het hof begrijpt dat met 'de snuif' de cocaïne wordt bedoeld.

22 Een geschrift, zijnde een in het dossier gevoegde geneeskundige verklaring d.d. 18 november 2006, opgemaakt en ondertekend door de chirurg K. te Leiden.

23 Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt en ondertekend door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren van politie, d.d. 4 juni 2006, nr. PL1641/06-107195, op p. 9-10 in het desbetreffende dossier.

24 De verklaring van de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg, d.d. 2 mei 2007.

25 Het proces-verbaal van wapenonderzoek, opgemaakt en ondertekend door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar van politie P., d.d. 6 juni 2006, nr. PL1641/06-107195, op p. 37 in het desbetreffende dossier.

26 Verklaring van [het slachtoffer] (noot 1, p. 79).