Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7238

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
1503-R-07 en 1618-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gesloten en later gevolgde besloten plaatsing van de minderjarige niet langer meer noodzakelijk, nu blijkt dat de plaatsing contra-productief is en behandeling op de juiste plek niet mogelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 5 maart 2008

Rekestnummers : 1503-R-07 en 1618-R-07

Rekestnr. rechtbank : J2 RK 07-743

[appellante],

wonende te Rotterdam,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. J.A. Korver.

en

[appellante],

verblijvende te Breda, in JJI Den Hey-Acker,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: [de minderjarige],

procureur voorheen mr. I.J. Pieters, en nadat deze zich als zodanig heeft onttrokken,

thans zonder procureur.

tegen

de Stichting Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

kantoor houdende te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de Raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder en [de minderjarige]a zijn op respectievelijk 19 oktober 2007 en 14 november 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 20 augustus 2007.

Jeugdzorg heeft geen verweerschriften ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 17 december 2007 en 2 januari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van [de minderjarige] zijn bij het hof op 17 december 2007, 18 januari 2008 en op 4 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 13 februari 2008 op voorhand de pleitnotities ingekomen.

Van de zijde van Jeugdzorg zijn bij het hof op 15 februari 2008 aanvullende stukken ingekomen.

Op 5 december 2007 heeft dit hof ingevolge artikel 1:261 lid 5 BW de toevoeging aan [de minderjarige] gelast van mr. L.M. Verkuil, advocaat te Rotterdam.

De raad heeft het hof bij brieven van 7 december 2007 en 30 januari 2008 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Bij fax van 18 februari 2008 heeft mr. I.J. Pieters aan het hof medegedeeld dat hij zich als procureur onttrekt aan de onderhavige procedure, nu zijn correspondent, mr. L.M. Verkuijl, advocaat te Rotterdam, heeft laten weten dat zij niet langer optreedt voor [de minderjarige]a en mr. G.R. Stolk, advocaat te Rotterdam, de zaak heeft overgenomen.

Op 20 februari 2008 zijn de zaken tezamen met de zaken met rekestnummer 1751-R-07 en 1752-R-07 mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. P. van Baaren, de vader, [de minderjarige]a, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.C.C. Balrak, en namens Jeugdzorg: mr. S. Scheimann en de heer G. van der Wel. Partijen hebben het woord gevoerd, de advocaat van Jeugdzorg onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. Ter zitting is door de advocaat van de moeder overgelegd de voortgangsrapportage 1e behandelplan betreffende [de minderjarige], verzenddatum: 7 februari 2008.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij de rechtbank onder meer de duur van de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een normaal beveiligde justitiële inrichting heeft verlengd tot 27 juli 2008.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat [de minderjarige] is overgeplaatst naar de JJI Den Heijacker per 11 december 2007.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten, dan wel besloten inrichting.

2. De moeder en [de minderjarige] verzoeken het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van Jeugdzorg, inhoudende dat de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een gesloten inrichting wordt verlengd, af te wijzen, althans te beëindigen per 1 oktober 2007, althans te beëindigen per datum van de mondelinge behandeling bij dit hof, althans te bepalen dat [de minderjarige] niet meer in een gesloten inrichting mag verblijven.

3. Jeugdzorg bestrijdt hun beroepen.

4. De moeder stelt zich op het standpunt dat de bestreden beschikking aanleiding geeft tot verwarring, nu de dragende overwegingen tegenstrijdig lijken met het dictum. De moeder voert hiertoe aan dat in het dictum de machtiging tot plaatsing van [de minderjarige] in een gesloten inrichting zonder beperkingen wordt verlengd, terwijl de rechtbank in haar overwegingen heeft bepaald dat [de minderjarige] uiteindelijk per 1 oktober 2007 uit de gesloten inrichting in een besloten behandelinrichting dient te worden geplaatst.

5. [de minderjarige] stelt zich op het standpunt dat de machtiging om haar te plaatsen in een gesloten inrichting dient te worden beëindigd, nu de rechtbank de machtiging heeft verlengd onder de voorwaarde dat zij uiterlijk 1 oktober 2007 uit de gesloten inrichting in een besloten behandelinrichting was geplaatst, hetgeen, ten tijde van de indiening van het hoger beroep, nog altijd niet was gebeurd.

6. Ter zitting wordt duidelijk dat de moeder en [de minderjarige] ook niet langer wensen dat [de minderjarige] in een besloten behandelinrichting wordt of blijft geplaatst. Verwezen wordt naar de voortgangsrapportage 1e behandelplan betreffende [de minderjarige], verzenddatum 7 februari 2008. De moeder en [de minderjarige] stellen dat juist uit dat stuk naar voren komt dat [de minderjarige]a niet op de juiste plek verblijft; die omgeving is niet bevorderlijk voor [de minderjarige]. [de minderjarige] heeft ter zitting duidelijk gemaakt wat haar plannen zijn indien de uithuisplaatsing wordt beëindigd. Ze wil haar opleiding zorg en welzijn vervolgen op het Zadkine college in Rotterdamen ze is gemotiveerd een diploma te behalen als kraamverzorgster. Wat de zorg van Jeugdzorg betreft dat zij zich te veel zal richten op haar moeder; niet alleen [de minderjarige] zorgt wel eens voor de moeder, dat doen haar oudere zussen ook omdat dat hoort bij hun cultuur. Haar moeder voedt [de minderjarige] op, de moeder koopt eten en kleding voor haar. Verder is het zo dat iedereen in de familie zorgt voor wie zorg nodig heeft.

7. Jeugdzorg stelt zich primair op het standpunt dat de moeder en [de minderjarige]a geen belang meer hebben bij het hoger beroep, aangezien de grieven zich richten tegen de gesloten plaatsing van [de minderjarige]. Daarvan is thans geen sprake meer. Subsidiair stelt jeugdzorg dat thuisplaatsing van [de minderjarige]a op dit moment onverantwoord is. Jeugdzorg zou graag Multi System Therapy (MST) in het gezin van de moeder inzetten, in welk geval [de minderjarige] thuis zou kunnen wonen. Gelet op het ontbreken van motivatie bij de moeder en [de minderjarige] en gelet op de leeftijd van [de minderjarige], zal MST niet meer van de grond komen. [de minderjarige]a heeft een symbiotische relatie met de moeder en zal (weer) voor haar gaan zorgen, zonder aan de eigen ontwikkeling te kunnen toekomen indien zij thuis wordt geplaatst. Jeugdzorg vreest dat [de minderjarige] bij thuisplaatsing weer zal ontsporen. Jeugdzorg realiseert zich dat de huidige plaatsing niet ideaal is, maar bij gebrek aan mogelijkheden om in de thuissituatie de noodzakelijke hulp te verlenen, is voortzetting van de plaatsing van [de minderjarige] in Den Hey-Acker in haar belang.

8. Het hof verwerpt het primaire verweer van Jeugdzorg. De grieven van de moeder en [de minderjarige] richten zich weliswaar op de aanvankelijk gesloten plaatsing van [de minderjarige], doch de kern van de bezwaren van beide appellanten is dat [de minderjarige] niet op de goede plaats is terechtgekomen. Dat bezwaar is onverkort gehandhaafd, ook tegen de besloten setting waarin [de minderjarige] nu in Den Hey-Acker verblijft. De inhoud van de voortgangsrapportage, 1e behandelplan bevestigt dit bezwaar. Jeugdzorg is, gelet op het subsidiaire verweer, in de gelegenheid geweest op de kern van de zaak in te gaan. Dit betekent dat het hof de ingestelde beroepen aldus verstaat dat zij geacht worden mede te zijn ingesteld tegen een plaatsing van [de minderjarige] in een besloten setting, zoals waarvan op dit moment sprake is.

9. Het hof stelt vast dat uit de voortgangsrapportage 1e behandelplan blijkt dat de plaatsing van [de minderjarige] in Den Hey-Acker voor haar niet goed uitwerkt. Het behandelteam ziet als oplossing een kortdurend traject van drie maanden om op zoek te gaan naar een alternatieve woonplek, omdat de plaatsing in de instelling contraproductief werkt op de ontwikkeling en de geestelijke gezondheid van [de minderjarige].

Het hof heeft ter zitting vastgesteld dat de familieleden van [de minderjarige] zeer op elkaar en derhalve ook op [de minderjarige] betrokken zijn. De vader van [de minderjarige] woont in Amsterdam en is ter zitting aanwezig om zijn positieve betrokkenheid bij [de minderjarige] en haar moeder te betuigen. Hij bezoekt [de minderjarige] ook in Den Hey-Acker. [de minderjarige] mag, indien dat in haar belang is, bij de vader komen wonen. De moeder van [de minderjarige] ondervindt steun van haar eigen moeder, die in de directe omgeving woont. Met alle kinderen bestaat een goed sociaal contact en ook onderling hebben de kinderen steun aan, en zijn betrokken op, elkaar. De moeder en de vader hebben verklaard dat de oudere kinderen in maatschappelijk opzicht naar behoren functioneren in de samenleving. Jeugdzorg stelt dat niet te weten, omdat dat niet is onderzocht.

10. Het hof is van oordeel dat de noodzaak om [de minderjarige]a nog langer in Den Hey-Acker geplaatst te houden, ontbreekt. Er is eerder sprake van een contra indicatie. Hoewel het wonen thuis wellicht niet in alle opzichten de meest ideale oplossing vormt, acht het hof dit meer in het belang van [de minderjarige] dan voortzetting van de huidige situatie. Het hof overweegt daarbij dat [de minderjarige] geleerd lijkt te hebben van haar ontsporing in het recente verleden en de gevolgen daarvan voor haar. Zij is (thans) zeer gemotiveerd haar toekomstperspectief te realiseren en de steun en betrokkenheid die [de minderjarige] aan haar familie ontleent, lijkt groot te zijn. [de minderjarige] en de moeder hebben tijdens de zitting de bereidheid uitgesproken om de samenwerking met Jeugdzorg in de thuissituatie aan te gaan, hetgeen vanuit de OTS, die immers niet ter discussie staat, niet alleen mogelijk, maar ook verplichtend is. Op die wijze kan al op korte termijn aan de – ook door het hof noodzakelijk geachte - ontwikkeling van de zelfstandigheid van [de minderjarige] aandacht worden gegeven in de thuissituatie en met de medewerking van de moeder.

11. Uit het voorgaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd. Het hof zal de uithuisplaatsing beëindigen per 29 maart 2008, zodat [de minderjarige] en de gezinsvoogd de tijd hebben de terugkeer van [de minderjarige] in de thuissituatie naar behoren te laten verlopen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover deze de uithuisplaatsing betreft vanaf 29 maart 2008 en, in zoverre opnieuw beschikkende: wijst het verzoek van Jeugdzorg af voorzover het de verzochte uithuisplaatsing betreft vanaf 29 maart 2008.

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Mos-Verstraten en Van der Kuijl, bijgestaan door mr. Steenks als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2008.