Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7196

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
1009-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang en informatieverplichting ten aanzien van kind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377a
Burgerlijk Wetboek Boek 1 377b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JIN 2008/249

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 5 maart 2008

Rekestnummer. : 1009-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-4825

[appellant],

wonende te Boskoop,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. I. Hüppler,

tegen

[verweerster],

wonende op een geheim adres in het arrondissement te Leeuwarden,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. W. Heemskerk.

Als informant is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Leeuwarden,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 18 juli 2007 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 april 2007 van de rechtbank te ’s-Gravenhage.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend, maar per fax van 9 januari 2008 op voorhand een pleitnota toegezonden.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 juli 2007 en 2 november 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad Leeuwarden heeft het hof bij brief van 6 december 2007 laten weten dat zij de raad te Den Haag hebben verzocht de raad Leeuwarden ter zitting te vertegenwoordigen.

Op 16 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. F.B. Flooren, en namens de raad: de heer O. Ente.

Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsvrouwe van de moeder onder meer aan de hand van voormelde pleitnotities.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van 14 december 2005, 3 februari 2006 en 13 oktober 2006 van de rechtbank te ’s-Gravenhage en het vonnis van 28 juli 2006 van de rechtbank te Groningen.

• Bij de tussenbeschikking van 14 december 2005 is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken en is de verdere behandeling ten aanzien van de gewone verblijfplaats van de hierna te noemen minderjarige, alsmede de omgangsregeling aangehouden.

• Bij de opvolgende tussenbeschikking van 3 februari 2006 heeft de rechtbank bepaald dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige voorlopig bij de moeder zal zijn en heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige omgangsregeling bepaald waarbij de minderjarige in de ene week op zaterdag van 10.00 uur tot 18.00 uur en in de andere week op donderdag van 10.00 uur tot 17.00 uur bij de vader zal zijn. Voorts is de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de meest wenselijke gewone verblijfplaats en omgangsregeling voor de minderjarige. Iedere verdere beslissing ten aanzien van de gewone verblijfplaats, de omgangsregeling en de informatieregeling is voorts aangehouden.

• Bij het kortgeding vonnis van 28 juli 2006 heeft de rechtbank te Groningen partijen verwezen naar mediation teneinde hun communicatie te verbeteren en in goed overleg de omgangsregeling te doen functioneren. Daarnaast heeft de rechtbank voor de duur van de mediation de voorlopige omgangsregeling gewijzigd en bepaald dat de vader de minderjarige elke zaterdag bij zich mag hebben van 10.00 uur tot 17.00 uur. De rechtbank heeft iedere overige beslissing voor de duur van drie maanden aangehouden.

• Bij de opvolgende tussenbeschikking van 13 oktober 2006 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage – met wijziging van het vonnis van de rechtbank te Groningen d.d. 28 juli 2006 en uitvoerbaar bij voorraad – een voorlopige omgangsregeling bepaald waarbij de minderjarige eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zal zijn. De verdere behandeling is aangehouden.

• Bij de opvolgende - bestreden - beschikking heeft de rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van 13 oktober 2006 – bepaald dat de minderjarige haar gewone verblijfplaats bij de moeder zal hebben. Daarnaast heeft de rechtbank, uitvoerbaar bij voorraad, een omgangsregeling bepaald waarbij de minderjarige eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur bij de vader zal zijn, waarbij de vader de minderjarige bij de moeder haalt en weer terugbrengt op het NS-station te Leeuwarden. Voorts heeft de rechtbank de proceskosten van partijen gecompenseerd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de gewone verblijfplaats, de omgangsregeling en de informatieregeling ten aanzien van de minderjarige [geboren in 2002], verder: [de minderjarige]. Na de echtscheiding hebben de ouders gezamenlijk het gezag over [de minderjarige] behouden. [de minderjarige] verblijft thans bij de moeder.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad:

I. primair, de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] bij de vader te bepalen en een omgangsregeling tussen de moeder en [de minderjarige] vast te leggen;

En subsidiair, te bepalen dat [de minderjarige] bij de vader zal zijn eenmaal per veertien dagen, waarbij de vader haar vrijdagmiddag uit school zal ophalen en de moeder haar op zondagavond om 17.00 uur weer bij de vader zal ophalen, althans een door het hof te bepalen omgangsregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond, waarbij een verdeling van de vakanties en (zowel Nederlandse als Marokkaanse) feestdagen door het hof wordt vastgelegd, dan wel dat partijen wordt bevolen over te gaan tot deling van vakanties en feestdagen;

II. een informatieplicht op te leggen aan de moeder als het hof vermeent te behoren, waarbij de moeder wordt bevolen om de vader op de hoogte te stellen van het woonadres en de school van [de minderjarige] en waarbij de moeder wordt bevolen de vader periodiek op de hoogte te houden over de ontwikkeling van [de minderjarige].

3. De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte de verblijfplaats van [de minderjarige] bij de moeder heeft bepaald. De vader stelt daartoe dat er bij [de minderjarige] plotseling sprake is van gedragsproblemen, waarover hij niet is ingelicht, waarvoor hij niet wordt geraadpleegd (bijvoorbeeld ten aanzien van het inschakelen van deskundigen daarvoor) en als gevolg waarvan de moeder nadien eenzijdig de omgang heeft stop gezet. De vader maakt zich zorgen over [de minderjarige] en constateert dat de moeder er kennelijk niet in slaagt rust te brengen in het leven van [de minderjarige]. Nu het gedurende de omgang bij de vader, in de haar vertrouwde omgeving, altijd goed gaat met [de minderjarige], aldus de vader, en hij in staat is om [de minderjarige] te verzorgen en opvoeden, hetgeen hij in het verleden ook heeft gedaan, meent de vader dat de verblijfplaats van [de minderjarige] (thans) bij hem dient te worden bepaald. Voorts kan de vader zich niet vinden in de overweging van de rechtbank dat de voorlopige omgangsregeling in het belang van [de minderjarige] dient te worden voortgezet en definitief gemaakt. Doordat de moeder in het noorden van het land is gaan wonen brengt de huidige omgangsregeling een aanzienlijke reistijd mee. De autoreizen zijn vermoeiend voor [de minderjarige] en bovendien wordt het feitelijke contact tussen [de minderjarige] en de vader beperkt door het vele gereis, aldus de vader. De vader meent dan ook dat een weekendregeling van vrijdagmiddag tot zondagavond meer in het belang van [de minderjarige] is. Daarnaast stelt de vader dat ten onrechte door de rechtbank geen rekening is gehouden met de verdeling van de reistijd en reiskosten bij de uitvoering van de omgangsregeling. Verder meent de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat partijen in onderling overleg moeten komen tot een uitbreiding van de omgangsregeling en verdelingen van de vakanties en feestdagen. Doordat de rechtbank een uitbreiding van de omgang aan partijen heeft overgelaten, voelt de vader zich benadeeld. De vader stelt dat de communicatie tussen partijen moeizaam verloopt en dat het niet mogelijk is gebleken om in onderling overleg aanvullende afspraken te maken. Bovendien heeft de moeder zich steeds verzet tegen een weekendregeling, zodat de vader er weinig fiducie in heeft dat hij in onderling overleg met de moeder tot een uitbreiding zal kunnen komen. Tot slot stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de vader om een informatieplicht aan de moeder op te leggen. De vader meent dat het nodig is om hieromtrent een regeling te treffen, nu de moeder zich niet aan haar plicht houdt de vader te informeren over de ontwikkelingen van [de minderjarige] en doordat zij het woonadres en de naam en het adres van de school zonder gegronde reden geheim blijft houden.

4. Ter zitting heeft de vader zijn verzoek aangepast in die zin dat hij zijn verzoek ter zake van de verblijfplaats voorwaardelijk intrekt. Indien zijn verzoek tot uitbreiding van de omgang wordt gehonoreerd, vervalt wat hem betreft de noodzaak om de verblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te laten bepalen.

5. De moeder bestrijdt het beroep. De moeder verzet zich tegen het verzoek van de vader om de verblijfplaats van [de minderjarige] bij hem te bepalen. Zij stelt dat nergens uit gebleken is dat zij haar opvoedingstaak niet goed zou verrichten. Een continuering van de verblijfplaats van [de minderjarige] bij haar is in het belang van [de minderjarige], aldus de moeder. Voorts meent de moeder dat de huidige omgangsregeling volstaat. Hoewel er voorzichtig enig vertrouwen bij de moeder in de vader op gang is gekomen doordat de overdrachtmomenten in het kader van de omgang reeds enige tijd rustig verlopen, meent de moeder dat zij nog onvoldoende vertrouwen in de vader heeft om de omgang uit te breiden. De moeder meent dat de vader zich nog niet geheel aan de afspraken houdt waardoor er nog geen volledige rust en stabiliteit omtrent de omgangsregeling is. Daarnaast meent de moeder dat het feit dat [de minderjarige] nog in therapie zit zich verzet tegen een uitbreiding van de omgang. Wat betreft het verzoek van de vader om een informatieregeling te treffen, meent de moeder dat dit niet nodig is. Zij stelt de vader de nodige informatie te verschaffen tijdens de overdracht van [de minderjarige]. Verder meent zij dat voor de omgang niet noodzakelijk is dat de vader wordt geïnformeerd over haar woonadres en/of de naam en het adres van de school van [de minderjarige].

6. De raad heeft ter zitting opgemerkt dat het raadsrapport met het onderzoek daartoe inmiddels verouderd is. Daarnaast stelt de raad dat één van de conclusies destijds was dat [de minderjarige] een slim en goed ontwikkeld kind was. De raad stelt vast dat hij naar aanleiding van hetgeen de ouders te berde hebben gebracht, geen reden heeft om aan te nemen dat dit thans anders is. De raad constateert dat er wat spanningen zijn tussen partijen door de omgangskwestie, doch acht die niet van dien aard dat de omgangsregeling daardoor in het gedrang komt of dat een uitbreiding van de omgang daaraan in de weg staat. De raad merkt nog op dat het feit dat [de minderjarige] in therapie is, geen argument in het kader van de omgangsregeling betreft. De raad drukt voorts de ouders op het hart hun verantwoordelijkheid als ouder te nemen: ze moeten stoppen met hun negatieve benadering en het maken van verwijten naar elkaar. De ouders dienen hulpverlening in te schakelen voor zichzelf om hun onderlinge strijd op te lossen en om elkaar, alsook de omgang, in het belang van [de minderjarige] positief te benaderen.

Het hof overweegt als volgt.

Omgang

7. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof gebleken dat de huidige omgangsregeling in beginsel goed verloopt. Het feit dat de vader daarom thans een uitbreiding van de omgangsregeling in de zin van een weekendregeling wenst, acht het hof niet onbegrijpelijk en niet onredelijk. Het hof is voorts van oordeel dat de moeder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er indicaties zijn die zich verzetten tegen een uitbreiding van de omgangsregeling. De stellingen van de moeder in dit verband zien immers, blijkens het hof, niet op het belang van [de minderjarige], doch met name op de moeizame communicatie en verhouding tussen partijen. Gelet daarenboven op het belang van [de minderjarige] om een goede band met haar vader te kunnen opbouwen en de reistijd zo veel mogelijk te spreiden, is het hof van oordeel dat een uitbreiding van de omgangsregeling aangewezen is. Nu het hof verder is gebleken dat partijen in dit stadium niet in staat zijn om in onderling overleg een uitbreiding van de omgang te bewerkstelligen, zal het hof een uitbreiding bepalen: het hof zal een omgangsregeling vaststellen waarbij [de minderjarige] gedurende eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag na school tot zondagavond 17.00 uur bij de vader zal verblijven, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen. Wat betreft het halen en brengen zal het hof geen wijziging aanbrengen, nu de moeder ter zitting onweersproken heeft gesteld dat de vader de beschikking heeft over een auto en de moeder niet. Hoewel de moeder ervoor heeft gekozen om in het noorden van het land te gaan wonen, acht het hof het niet in het belang van [de minderjarige] om de reistijd in het openbaar vervoer ten opzichte van de reistijd in de auto te vergroten.

8. Ten overvloede geeft het hof de ouders mee na te denken over het inschakelen van hulpverlening voor zichzelf om de strijd tussen hen beiden op te heffen en de communicatie te verbeteren.

Informatie

9. Het hof is van oordeel dat door de rechtbank ten onrechte geen beslissing is genomen op het verzoek van de vader tot het vaststellen van een informatieregeling. De grief van de vader op dit punt slaagt derhalve. Gelet onder meer op het feit dat het voor de vader niet mogelijk is om zelf informatie op te vragen bij de school van [de minderjarige] doordat de moeder de naam en het adres van de school nog immer geheim houdt, acht het hof het verzoek om een informatieregeling niet onredelijk. Het hof zal dan ook bepalen dat de moeder telkens de schoolrapporten van [de minderjarige] zal moeten doorsturen naar de vader tezamen met een kort verslagje van de vorderingen en ontwikkelingen betreffende [de minderjarige]. Het hof acht het dan niet nodig dat de moeder haar woonadres en/of de naam en het adres van de school bekend maakt, doch gaat ervan uit dat de moeder dit binnen afzienbare tijd wel zal gaan doen.

Verblijfplaats

10. Nu de omgang zal worden uitgebreid, zal het hof het verzoek van de vader ter zake van de verblijfplaats van [de minderjarige] als ingetrokken beschouwen. Dit verzoek behoeft dan ook geen verdere bespreking meer.

Conclusie

11. Het vorenstaande brengt mee dat de bestreden beschikking wat betreft de omgangsregeling dient te worden vernietigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover die de omgangsregeling betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt een omgangsregeling tussen de vader en [de minderjarige] waarbij [de minderjarige] gedurende eenmaal per veertien dagen een weekend van vrijdagmiddag tot zondagavond 17.00 uur, alsmede de helft van de schoolvakanties en feestdagen, bij de vader zal verblijven;

wijst, in aanvulling op de beschikking van 13 oktober 2006, het verzoek van de vader tot het vaststellen van een informatieregeling toe en bepaalt dat de moeder eens per kwartaal aan de vader zal toezenden de schoolrapporten van [de minderjarige], alsmede een kort verslag van de vorderingen en ontwikkelingen van [de minderjarige];

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Labohm en Punselie, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2008.