Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2008:BC7176

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
05-03-2008
Datum publicatie
20-03-2008
Zaaknummer
134-H-06 en 1053-H-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden, verzoek co-ouderschap, pensioenverevening en toedeling van een schilderij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 5 maart 2008

Rekestnummer. : 1345-H-06 en 1035-H-07

Rekestnr. rechtbank : FA RK 03-6385

[appellant],

wonende te Noordwijk,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. J.A.M. Reuser,

tegen

[verweerster],

wonende te Noordwijk,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.J.A. Knijff.

Als informant is aangemerkt:

de Raad voor de Kinderbescherming,

vestiging ‘s-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 26 september 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 29 juni 2006 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 20 oktober 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 12 april 2007 en 29 november 2007 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft bij brief van 27 juli 2007 laten weten niet ter terechtzitting te zullen verschijnen.

Op 11 januari 2008 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat mr. A.C.M. Karsten. Partijen hebben het woord gevoerd, de raadsman van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities. De minderjarige [, geboren in] 1992[,] is in raadkamer gehoord en heeft zijn mening ten aanzien van de gezagsuitoefening kenbaar gemaakt.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de tussenbeschikking van 1 oktober 2004 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Bij de tussenbeschikking van 1 oktober 2004 is tussen partijen onder meer de echtscheiding uitgesproken. Voorts is de behandeling van de zaak ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de tussen partijen gemaakte afspraken ter zake van de afwikkeling van hun geschillen, waaronder de afwikkeling van hun huwelijkse voorwaarden, vastgelegd.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

Algemeen

1. In geschil is of er een volmaakte overeenkomst tot stand is gekomen ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. De man is van mening dat op het overeengekomen bedrag van € 1.500.000,-- een bedrag van in totaal € 90.000,-- in mindering moet worden gebracht. Door de vrouw wordt dit gemotiveerd bestreden. Voorts is in geschil de invulling van het ouderschap en de (peildatum voor de) verevening van de pensioenaanspraken.

2. De man verzoekt, onder aanvoering van vier grieven, waarvan de strekking in het navolgende aan de orde komt, de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen, aldus dat door het hof – met instandhouding van de bestreden beschikking voor het overige en dus met name ten aanzien van het bedrag van € 1.500.000,-- en de BMW 3 touring – opnieuw rechtdoende de bestreden beschikking in zoverre wordt aangevuld en gecorrigeerd dat alsnog wordt bepaald:

a) dat op het door de rechtbank vastgestelde bedrag van € 1.500.000,-- netto in mindering kan en moet komen het door de man reeds aan de vrouw betaalde voorschot van € 40.000,-- alsmede het door de vrouw erkende bedrag van € 50.000,-- dat zij in het kader van de verrekening aan hem verschuldigd was, waardoor per saldo ter afwikkeling van de financiële geschillen tussen partijen door de man een bedrag betaald moe(s)t worden van € 1.410.000,-- tegen finale kwijting over en weer;

b) dat de vrouw haar volledige medewerking moet verlenen aan een reëel co-ouderschap ten aanzien van de drie kinderen van partijen, door middel van het mee-creëren van een studiefonds (bestaande uit de bankrekening met nummer 64.42.44.534) waaruit, na een eerste dotatie van € 6.000,-- door elk van partijen daarin, de kosten van studie van de kinderen in gemeenschappelijk overleg tussen partijen kunnen worden gefinancierd;

c) dat de vrouw ook overigens haar volledige medewerking moet verlenen aan het ten uitvoer leggen van een co-ouderschap door met de man periodiek overleg te plegen omtrent al hetgeen voor de kinderen van belang is;

d) dat het door de man ten behoeve van de vrouw opgebouwde ouderdomspensioen in plaats van met ingang van 14 april 2005 met ingang van 1 juli 2003 dient te worden verevend en dat het door de vrouw ten behoeve van de man opgebouwde ouderdomspensioen met ingang van 1 juli 2003 verevend dient te worden, althans dat de verevening van het aandeel van de man in het door de vrouw opgebouwde pensioen met ingang van 14 april 2005 dient plaats te vinden, indien het hof de datum van echtscheiding en niet de datum van uiteengaan van partijen voor de verevening van de ouderdomspensioenrechten maatgevend zou achten;

e) dat de vrouw binnen veertien dagen na afgifte van de beschikking aan de man moet teruggeven het door de kinderen aan hem ter gelegenheid van zijn 25-jarig jubileum bij zijn bedrijf geschonken schilderij;

f) dat de vrouw een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- voor iedere dag dat de vrouw in gebreke blijft om aan de te geven beschikking gehoor te geven.

3. De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans hem dit te ontzeggen, althans de gevraagde dwangsom niet toe te wijzen, althans deze te matigen tot een door het hof te bepalen bedrag.

Overeenkomst tot afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden

4. Door de man wordt niet bestreden dat er tussen partijen een overeenkomst tot stand is gekomen ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, inhoudende dat aan de vrouw een bedrag van netto € 1.500.000,-- zou worden betaald. Het hof begrijpt uit het betoog van de man dat de vrouw begrepen moet hebben dat op het bedrag van € 1.5000.000,-- in mindering moet worden gebracht een bedrag van € 50.000,-- en een bedrag van € 40.000,--. In punt 1.3 van het appelschrift stelt de man dat in het kader van wederzijdse verrekenplichten de vrouw aan hem moet betalen een bedrag van € 50.000,--. Het bedrag van € 40.000,-- heeft naar de mening van de man betrekking op een door de vrouw van hem verkregen voorschot ter zake van de verrekeningsvordering. Het hof begrijpt uit het betoog van de man dat hij de voornoemde bedragen door de zittingsdruk is vergeten in de regeling te laten opnemen.

5. Door de vrouw wordt in punt 7 van haar verweerschrift vermeld dat de bedragen van € 50.000,-- en € 40.000,-- niet op het bedrag van € 1.5000.000,-- in mindering moeten worden gebracht. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat over voormelde bedragen niet is gesproken en dat het bedrag van € 1.5000.000,-- een finaal bod was. Ook zij heeft water bij de wijn moeten doen.

6. Het hof overweegt als volgt. Ten tijde van de onderhandelingen alsmede op het moment dat de man aan de vrouw het aanbod heeft gedaan tot een regeling werd de man bijgestaan door een advocaat. Het had op de weg van de man gelegen om duidelijk aan te geven dat op het bedrag van € 1.5000.000,-- nog een tweetal correctieposten in mindering moest worden gebracht. Nu de man dit niet heeft gedaan, mocht de vrouw erop vertrouwen dat op het door de man aangeboden bedrag geen bedragen in mindering moesten worden gebracht. Ook het overige door de man gestelde, de druk waaronder hij verkeerde, komt voor zijn rekening en risico, aangezien dit niet kenbaar was voor de vrouw. Dit brengt mee dat de eerste grief van de man geen doel treft.

Invulling ouderschap

7. Het hof begrijpt uit het betoog van de man dat hij voor wat betreft de gezagsvoorziening van de minderjarige een co-ouderschapregeling wenst te zien vastgelegd.

8. De vrouw stelt dat de rechtbank terecht geen bepalingen omtrent de kinderen heeft opgenomen, nu dit geen onderdeel vormde van de getroffen regeling. Voorts heeft de vrouw gesteld dat zij de minderjarige volledig vrij laat om zijn vader te bezoeken.

9. Het hof overweegt als volgt. De door de man gevorderde co-ouderschapregeling is niet op de wet gebaseerd en kan derhalve niet worden toegewezen.

De (peildatum voor de) verevening van pensioenaanspraken

10. De man is van mening dat de rechtbank ter zake van de peildatum van het door de man opgebouwde pensioen van een onjuiste datum is uitgegaan, zijnde de datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De man betoogt dat partijen feitelijk eerder uit elkaar zijn gegaan en dat het redelijk is om uit te gaan van die datum, zijnde 1 juli 2003.

11. In punt 11 van haar verweerschrift stelt de vrouw dat er geen enkele reden is om af te wijken van de wettelijke peildatum aangaande de pensioenverevening.

12. Het hof overweegt als volgt. Op grond van de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding dient conform artikel 1 sub b uitgegaan te worden van de datum inschrijving echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand. Het enkele feit dat partijen feitelijk op 1 juli 2003 uit elkaar zijn gegaan, doet daaraan niet af. De grief treft derhalve geen doel.

13. Verder is de man van mening dat de door de vrouw opgebouwde pensioenrechten eveneens verevend dienen te worden.

14. De vrouw heeft gesteld dat zij gedurende de jaren dat zij bij de man in de zaak heeft gewerkt geen pensioen heeft opgebouwd. Zij werkt thans sinds twee jaar bij een makelaarskantoor en heeft daar slechts een gering pensioen opgebouwd.

15. Het hof overweegt als volgt. Indien door de vrouw ten tijde van het huwelijk pensioenrechten zijn opgebouwd die onder de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding vallen, dienen deze pensioenrechten in beginsel te worden verevend. In zoverre treft de grief doel.

Schilderij

16. Het hof begrijpt grief vier aldus dat de man van mening is dat het schilderij dat hij van de kinderen geschonken heeft gekregen ter gelegenheid van het 25-jarig jubileum van zijn bedrijf aan hem in eigendom toebehoort. De man wenst afgifte van dit schilderij te verkrijgen.

17. De vrouw stelt in punt 13 van haar verweerschrift dat zij het schilderij aan de man heeft geschonken.

18. Het hof overweegt als volgt. Uit de stelling van de vrouw volgt dat het schilderij aan de man is geschonken. Het eigendom van het schilderij behoort derhalve toe aan de man. Het hof is dan ook van oordeel dat de vrouw het schilderij aan de man dient af te geven. Grief vier treft derhalve doel.

Dwangsom

19. De man heeft een dwangsom gevraagd indien de vrouw niet overgaat tot afgifte van het schilderij aan de man.

20. Het hof overweegt als volgt. Gezien de houding van de vrouw ter zitting gaat het hof ervan uit dat de vrouw uitvoering zal geven aan de beslissing van het hof dat de vrouw aan de man het schilderij dient af te geven. Het hof acht het niet noodzakelijk om een dwangsom op te leggen.

Conclusie

21. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, dient de bestreden beschikking van de rechtbank te worden bekrachtigd. In aanvulling op de bestreden beschikking dient de vrouw te worden veroordeeld om binnen veertien dagen na deze beschikking het aan partijen genoegzaam bekende schilderij aan de man af te geven. Voorts zal het hof partijen te verstaan geven dat zij hun pensioenaanspraken conform de wet zullen verevenen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt, in aanvulling op de bestreden beschikking, de vrouw tot afgifte van het aan partijen genoegzaam bekende schilderij aan de man binnen veertien dagen na datum van deze beschikking;

geeft te verstaan dat partijen hun pensioenaanspraken conform de Wet Verevening Pensioenrechten bij scheiding zullen verevenen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Bouritius en Milar, bijgestaan door mr. Wijkstra als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 maart 2008.